ECLI:NL:RBZWB:2021:2831
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking recht op bijstand wegens niet naleven inlichtingenplicht en ontbreken hoofdverblijf
Eiser ontving sinds 2013 een bijstandsuitkering en gaf op te wonen op een specifiek adres. Verweerder trok het recht op bijstand per 1 december 2019 in, omdat eiser vermoedelijk niet zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had en zijn inlichtingenplicht had geschonden. Dit werd bevestigd in een onderzoeksrapport na diverse onaangekondigde huisbezoeken en analyse van bankafschriften.
Eiser voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat hij wel degelijk op het adres woonde, onder meer door gezondheidsklachten en familiecontacten die zijn afwezigheid verklaarden. Verweerder stelde dat uit het onderzoek bleek dat eiser niet aanwezig was, de woning onbewoond was en het waterverbruik laag was. Ook waren er geen pintransacties in de woonplaats en was de auto niet nabij de woning.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ondanks het ontbreken van burenverhoren en een foutieve watermeterstand. De verklaringen van eiser en zijn buren waren onvoldoende onderbouwd en konden het oordeel niet wijzigen. Door het niet informeren over zijn woon- en verblijfsituatie had eiser de inlichtingenplicht geschonden, waardoor intrekking van de bijstand gerechtvaardigd was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van de bijstandsuitkering per 1 december 2019 wordt ongegrond verklaard.