Eiseres ontving sinds juni 2015 een bijstandsuitkering die door het dagelijks bestuur van Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers werd herzien vanwege niet gemelde inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden bij haar partner en ontvangen bedragen die als lening of gift werden opgegeven.
Na diverse besluiten en bezwaarprocedures werd vastgesteld dat eiseres de inlichtingenplicht had geschonden en daardoor te veel bijstand had ontvangen. Baanbrekers vorderde de te veel ontvangen bijstand terug, inclusief brutering over de jaren 2015 tot 2017, en netto over 2018.
Eiseres voerde aan dat zij niet voor de schoonmaak betaald kreeg, dat de stortingen leningen of giften waren, en dat terugvordering onredelijk was vanwege haar financiële situatie. De rechtbank oordeelde dat de schoonmaakwerkzaamheden op geld waardeerbare arbeid vormden en dat Baanbrekers bevoegd was tot herziening en terugvordering.
De brutering werd als redelijk beoordeeld omdat de vordering door toedoen van eiseres was ontstaan. Dringende redenen om van terugvordering af te zien, zoals onaanvaardbare financiële gevolgen of psychische klachten, werden niet aannemelijk gemaakt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.