Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2020:3243

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2020
Publicatiedatum
22 juli 2020
Zaaknummer
02/373991 HA RK 20-137
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • Peters
  • Van der Ploeg-Hogervorst
  • Kok
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op wrakingsverzoek tegen rechter in belastingzaak over naheffingsaanslag en boete

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. M.R.T. Pauwels, de rechter die belast is met de behandeling van haar belastingzaak over een naheffingsaanslag en boete. Het verzoek richt zich op vermeende vooringenomenheid van de rechter, onder meer vanwege de weigering van een gemachtigde en het niet terugwijzen van de zaak naar de inspecteur voor nader bezwaar.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 en Pro 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht en jurisprudentie van de Hoge Raad. De kamer overweegt dat een rechterlijke tussenbeslissing geen grond voor wraking kan zijn, tenzij deze objectief als blijk van vooringenomenheid kan worden gezien. Tevens geldt een tijdigheidsvereiste voor het indienen van wrakingsverzoeken.

Het verzoek tot wraking wegens de weigering van de gemachtigde is niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de termijn. Het verzoek wegens het niet terugwijzen van de zaak is afgewezen omdat dit geen grond voor wraking vormt en geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid oplevert. Een verzoek om prejudiciële vragen aan het HvJ EU werd niet in behandeling genomen wegens tardiviteit.

Ten slotte bepaalt de wrakingskamer dat een volgend wrakingsverzoek in deze hoofdzaak niet in behandeling zal worden genomen vanwege misbruik van procesrecht. De behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van zaken ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen; een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie: Breda
Procedurenummer: 02/373991 HA RK 20-137
Beslissing van 21 juli 2020 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde J.A. Cardol.

1.Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
  • het proces-verbaal van de zitting van 24 juni 2020 van de enkelvoudige belastingkamer van deze rechtbank, belast met de behandeling van de hierna te noemen belastingzaak (hierna: de hoofdzaak), tijdens welke zitting het verzoek tot wraking is gedaan;
  • de reactie van de gewraakte rechter, waarin hij tevens aangeeft niet in de wraking te berusten, gedateerd 29 juni 2020;
  • de toelichting op het wrakingsverzoek van de gemachtigde van verzoekster, ontvangen op 6 juli 2020;
  • de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaak, waaronder de in de hoofdzaak genomen tussenbeslissing van 28 januari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:341, tot weigering van de heer [naam] (hierna: [naam] ) als gemachtigde van belanghebbende;
  • de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 8 juli 2020, waarbij aanwezig waren: de gewraakte rechter, mr. M.R.T. Pauwels, en namens de wederpartij in de hoofdzaak, de inspecteur van de Belastingdienst, mr. B.H. Bouman en A. van Bockel.

2.Het verzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. M.R.T. Pauwels (hierna: de rechter), belast met de behandeling van het door verzoeker ingediende beroep in de zaak met zaaknummer BRE 18/3246, op de gronden die verzoeker heeft uiteengezet in het wrakingsverzoek.
2.2.
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3.Feiten

In de hoofdzaak heeft verzoekster beroep aangetekend tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst betreffende de aan verzoekster opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij opgelegde boete.

4.Het standpunt van verzoekster

Verzoekster heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt doordat:
  • [naam] is geweigerd als gemachtigde van belanghebbende, hetgeen zeker niet had mogen gebeuren nu er ook een boete in geschil is;
  • de rechter de zaak niet, voordat einduitspraak wordt gedaan, heeft willen terugwijzen naar de inspecteur om verzoekster alsnog te horen in bezwaar.

5.Het standpunt van de rechter

De rechter heeft aangevoerd dat:
 het wrakingsverzoek buiten behandeling moet worden gelaten. Dat bij de eerdere wrakingsbeslissing (ECLI:NL:RBZWB:2020:66) in de hoofdzaak niet is gemeld dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen, staat daaraan niet in de weg. Er zijn objectieve feiten en omstandigheden aanwezig dat de bevoegdheid tot wraking voor een ander doel wordt aangewend dan waarvoor deze is gegeven;
  • de weigering van [naam] is gedaan in een tussenbeslissing. Zo’n beslissing kan als zodanig nimmer grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel (vgl. ECLI:NL:HR:2018:1770, ro. 4.2.4). Hier is evenmin sprake van dat de motivering van de weigeringsbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid;
  • hij ter zitting – als voorlopig oordeel – heeft kenbaar gemaakt dat hij van plan is de zaak terug te wijzen naar de inspecteur. Het is aan de rechter voorbehouden of deze al dan niet een (voorlopig) oordeel wil geven ter zitting. Een dergelijke (proces)beslissing is geen grond voor wraking. Overigens valt naar haar aard niet in te zien hoe een dergelijke (niet-)beslissing kan leiden tot vrees voor vooringenomenheid;
  • een volgend verzoek tot wraking in de hoofdzaak niet in behandeling moet worden genomen. Het onderhavige wrakingsverzoek is het tweede wrakingsverzoek in de hoofdzaak. Beide wrakingsverzoeken zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden die evident geen grond voor wraking kunnen vormen, gelet op gevestigde jurisprudentie.

6.Het standpunt van de inspecteur

De inspecteur heeft aangevoerd dat:
 sprake is van misbruik van procesrecht. Ook in de bezwaarfase worden de zaken getraineerd.

7.De beoordeling

Beoordelingskader
7.1.
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Awb kan een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen, wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:16, eerste lid, van de Awb wordt het verzoek tot wraking gedaan, zodra de feiten of omstandigheden als hiervoor bedoeld aan de verzoeker bekend zijn geworden.
7.2.
Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
7.3.
De wrakingskamer overweegt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Ook de motivering van de tussenbeslissing, of het ontbreken daarvan, kan geen grond voor wraking vormen. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vgl. Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
Het al dan niet buiten behandeling laten van het verzoek
7.4.
De wrakingskamer stelt voorop dat in het onderhavige wrakingsverzoek andere gronden voor wraking zijn aangevoerd dan in het eerdere wrakingsverzoek in de hoofdzaak. In dat opzicht is er dus geen sprake van wraking tegen beter weten in.
7.5.
De wrakingskamer laat het verzoek evenmin om andere redenen buiten behandeling en neemt daarbij het volgende in aanmerking.
De rechter heeft weliswaar ter zitting een voorlopig oordeel gegeven over het al dan niet terugwijzen van de zaak naar de inspecteur, maar dit kan niet gelijk worden gesteld aan het nemen van een tussenbeslissing.
De wrakingskamer is niet gebleken dat verzoekster al voor de zitting bekend was met de omstandigheid dat de rechter geen tussenbeslissing wilde nemen over het al dan niet terugwijzen van de zaak naar de inspecteur.
Ten aanzien van de eerste wrakingsgrond
7.6.
De eerste wrakingsgrond ziet op een tussenbeslissing die is genomen op 28 januari 2020. Het verzoek tot wraking is van 24 juni 2020, derhalve van bijna vijf maanden later. De conclusie kan daarmee niet anders zijn, dan dat verzoekster niet heeft voldaan aan het in 7.1 omschreven tijdigheidsvereiste. De wrakingskamer zal het verzoek dan ook niet-ontvankelijk verklaren voor zover het ziet op de weigering van [naam] als gemachtigde van verzoeker.
Ten aanzien van de tweede wrakingsgrond
7.7.
De tweede wrakingsgrond ziet op het niet nemen van een tussenbeslissing. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan dit, gelet op het overwogene in 7.3, geen grond voor wraking vormen. Niet is gebleken dat de motivering van (het niet nemen van) de (tussen)beslissing niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dan ook niet gebleken dat de bij verzoekster bestaande vrees dat de rechter ten aanzien van verzoekster vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer zal het verzoek voor het overige afwijzen.
Ten aanzien van het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU
7.8.
In de toelichting op het wrakingsverzoek van de gemachtigde van verzoekster, ontvangen op 6 juli 2020, wordt verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Dit verzoek is tardief en wordt daarom niet in behandeling genomen.
Ten aanzien van een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak
7.9.
Tot slot ziet de wrakingskamer aanleiding om op de voet van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb te bepalen dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling zal worden genomen. Uit de toelichting op het wrakingsverzoek, ontvangen op 6 juli 2020, maakt de wrakingskamer op dat verzoekster een bijzonder sterk wantrouwen koestert tegenover de rechter. Dit wantrouwen heeft er toe geleid dat verzoekster de rechter in de hoofdzaak nu twee keer heeft gewraakt. Door het doen van wrakingsverzoeken op de wijze waarop dat is gedaan, heeft verzoekster naar het oordeel van de wrakingskamer misbruik gemaakt van het recht om de rechter te wraken.

8.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzoek niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de weigering van [naam] als gemachtigde van verzoekster;
  • wijst het verzoek voor het overige af;
  • bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer: BRE 18/3246 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van dit verzoek;
  • bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in die zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven op 21 juli 2020, door mr. Peters, voorzitter, mr. Van der Ploeg-Hogervorst en mr. Kok, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Bij afwezigheid van de voorzitter is de beslissing ondertekend door mr. Kok.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.