Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die op 5 februari 2020 meerdere zaken zou behandelen, vanwege vermeende vooringenomenheid gebaseerd op eerdere uitspraken van die rechter. Verzoeker was van mening dat de rechter onvoldoende aansluiting zocht bij het Unierecht en het Hof van Justitie, en dat hij onjuist had gehandeld door jurisprudentie van de Hoge Raad te volgen.
Tijdens de mondelinge behandeling lichtte verzoeker zijn bezwaren toe en benadrukte hij dat de rechter niet onafhankelijk zou zijn. De rechter gaf aan dat wraking niet bedoeld is om eerdere uitspraken inhoudelijk aan te vechten en dat verzoeker tegen die uitspraken in hoger beroep kan gaan. Tevens verklaarde de rechter open te staan voor heroverweging van zaken.
De wrakingskamer oordeelde dat de vrees voor vooringenomenheid niet objectief gerechtvaardigd is en dat het enkel oneens zijn met eerdere uitspraken onvoldoende is voor wraking. Het verzoek werd daarom afgewezen en de behandeling van de 22 zaken wordt voortgezet in de oorspronkelijke stand.