ECLI:NL:RBROT:2023:11531
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging WOZ-beschikking wegens schending inzageplicht, waarde blijft gehandhaafd
De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiser tegen de WOZ-beschikking van 25 februari 2021 waarin de waarde van zijn woning was vastgesteld op €280.000,-. Eiser betoogde dat de waarde te hoog was en dat verweerder niet had voldaan aan zijn inzageplicht onder artikel 40 Wet Pro WOZ door onvoldoende inzicht te geven in de gehanteerde KOUDV-factoren en correcties.
De rechtbank oordeelde dat verweerder inderdaad in strijd met artikel 40 Wet Pro WOZ had gehandeld door niet te voldoen aan het verzoek om inzage in de gegevens die ten grondslag liggen aan de waardebepaling. Hierdoor werd het bestreden besluit vernietigd. Tegelijkertijd maakte verweerder aannemelijk dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld, mede aan de hand van een taxatierapport en vergelijkingsobjecten.
Eiser voerde ook een verzoek tot immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde overschrijding van ruim twee jaar, maar wees de vordering af omdat eiser de vordering bij voorbaat had overgedragen aan zijn gemachtigde. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.
De WOZ-waarde bleef derhalve in stand, het beroep werd gegrond verklaard vanwege de schending van de inzageplicht, en het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending inzageplicht, het bestreden besluit wordt vernietigd maar de WOZ-waarde blijft gehandhaafd; immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.