ECLI:NL:RBROT:2018:4651
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.C. Rop
- M.G.L. de Vette
- A. van Gijzen
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en vernietiging boete wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf Participatiewet
Eiseres ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 2012-2016, omdat verweerder aannam dat zij niet langer haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Tevens werd een bestuurlijke boete opgelegd wegens schending van haar inlichtingenplicht.
Verweerder baseerde zijn besluiten op een anonieme melding, observaties, laag waterverbruik, een verklaring van eiseres tijdens een gesprek en buurtonderzoek. Eiseres betwistte dat zij haar hoofdverblijf had opgegeven en voerde aan dat zij niet op haar zwijgrecht was gewezen, waardoor haar verklaring niet als bewijs mocht dienen voor de boete.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs voor intrekking en terugvordering voldoende was, mede gelet op de verklaring van eiseres en onderzoeksbevindingen. Voor de boete was echter een zwaardere bewijslast vereist. Omdat eiseres niet was gewezen op haar zwijgrecht, mocht haar verklaring niet worden gebruikt als bewijs voor de boete. Verder ontbrak aanvullend bewijs dat haar hoofdverblijf niet op het adres was, waardoor de boete werd vernietigd en het boetebesluit herroepen.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. Het beroep tegen de intrekking en terugvordering werd ongegrond verklaard, het beroep tegen de boete gegrond.
Uitkomst: Beroep tegen intrekking en terugvordering bijstand ongegrond, beroep tegen boete gegrond verklaard en boetebesluit vernietigd.