ECLI:NL:CRVB:2017:3338
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- F. Hoogendijk
- G.M.G. Hink
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande, maar het college stelde dat hij samen met appellante een gezamenlijke huishouding voerde op een ander adres dan waar hij was ingeschreven. Na onderzoek door de sociale recherche, waarbij verklaringen werden afgelegd, werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd, en werd een boete opgelegd wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de intrekking ongegrond, maar matigde de boete. In hoger beroep betoogden appellanten onder meer dat de verklaring van appellant niet als bewijs mocht dienen omdat hem voorafgaand aan het verhoor geen cautie was gegeven. De Raad oordeelde dat deze verklaring inderdaad uitgesloten moest worden, maar dat de verklaring van appellante voldoende was om de gezamenlijke huishouding en het schenden van de inlichtingenverplichting vast te stellen.
De Raad bevestigde de intrekking en terugvordering van bijstand en de boete, waarbij de boete passend werd geacht gezien de verwijtbaarheid en draagkracht. Ook het argument dat de boete niet kon worden opgelegd omdat het benadelingsbedrag nog niet onherroepelijk was vastgesteld, werd verworpen. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en de boete wegens het verzwegen voeren van een gezamenlijke huishouding worden bevestigd.