Eiser, werkzaam als Rijnvarende in de periode 1 mei 2010 tot en met 30 november 2011, verzocht verweerder om een regularisatieovereenkomst met Luxemburgse autoriteiten te sluiten. Verweerder wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelt dat verweerder het verzoek had moeten doorzenden aan de bevoegde Luxemburgse autoriteiten, omdat hij niet bevoegd was zelf hierover te beslissen.
De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse wetgeving op eiser van toepassing is volgens de Rijnvarendenovereenkomst en Verordening 883/2004, maar dat het verzoek om toepassing van Luxemburgse wetgeving correct aan Luxemburg moest worden voorgelegd. Daarnaast is de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure overschreden, waardoor verweerder en de Staat schadevergoeding aan eiser moeten betalen.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en bepaalt dat verweerder het verzoek aan Luxemburg doorzendt. Tevens veroordeelt zij verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer op 20 februari 2018.