De rechtbank Rotterdam heeft op 7 april 2016 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin een handelaar beroep instelde tegen een boete opgelegd door de Autoriteit Consument & Markt (ACM) wegens overtreding van het kartelverbod van artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet. De boete betrof deelname aan een landelijk kartel van handelaren die tussen 2000 en 2009 op executieveilingen afspraken maakten om de prijs kunstmatig laag te houden.
ACM had vastgesteld dat de handelaren gezamenlijk een één enkele complexe inbreuk pleegden door het afstemmen van biedgedrag, het verdelen van inzetpremies (plokgeld) en het organiseren van naveilingen na afloop van de officiële veilingen. De rechtbank oordeelde dat het bewijs, waaronder inzetlijsten en andere documenten, voldoende was om de betrokkenheid van eiser bij 71 panden en 6 naveilingen aan te tonen. De gedragingen hadden een mededingingsbeperkende strekking en waren zeer ernstig vanwege de omvang en impact op de markt.
De rechtbank bevestigde de bevoegdheid van ACM om boetes op te leggen en vond de gehanteerde boetesystematiek passend. Wel werd rekening gehouden met de financiële gevolgen voor eiser, waaronder beëindiging van bancaire relaties, en met een overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. Hierdoor werd de boete met in totaal 15% verminderd tot € 15.390. Het beroep werd voor zover de boetehoogte betreft gegrond verklaard, voor het overige ongegrond. ACM werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.