De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van een handelaar tegen door de Autoriteit Consument & Markt (ACM) opgelegde boetes wegens overtreding van het kartelverbod in artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet. De boetes betroffen deelname aan een landelijk kartel van handelaren die via executieveilingen de prijs kunstmatig laag hielden door onderlinge afspraken over biedgedrag, inzetpremies en naveilingen.
ACM baseerde haar besluit op een uitgebreid onderzoek met mondelinge verklaringen, clementieverklaringen, schriftelijke documenten zoals inzetlijsten en financiële overzichten. De rechtbank oordeelde dat het bewijs aan de hoge bewijsstandaard voldoet en dat sprake is van een één enkele complexe inbreuk met mededingingsbeperkende strekking. De handelaar was betrokken bij 949 besmette woningen en 174 naveilingen in de periode 2001-2009.
De rechtbank verwierp onder meer de bezwaren over onvoldoende bewijs, vooringenomenheid van ACM, schending van het vertrouwensbeginsel en onjuiste boetegrondslag. Wel achtte de rechtbank het passend om de boete met 10% te matigen vanwege de aanzienlijke financiële gevolgen voor de handelaar, onder meer door beëindiging van bancaire relaties. De boete werd vastgesteld op € 332.100, waarbij ook de aansprakelijkheid van de vennootschap werd vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor zover het de hoogte van de boete betrof en ongegrond voor het overige en wees vergoeding van het griffierecht toe. Het vonnis werd uitgesproken door mr. A.I. van Strien, mr. A. van Gijzen en mr. Y.E. de Muynck op 18 december 2014.