Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] (hierna: [eiser]), eiser
Samenvatting
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Overijssel
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de deken van de Orde van advocaten Midden-Nederland op een verzoek tot aanwijzing van een advocaat. Eiser had op 4 april 2025 en opnieuw op 5 mei 2025 een verzoek ingediend. De deken heeft uiteindelijk op 15 september 2025 een besluit genomen, maar dit was te laat.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat eiser geen belang meer heeft nu de deken alsnog heeft beslist. Wel stelt de rechtbank vast dat eiser de deken niet te vroeg in gebreke heeft gesteld met zijn ingebrekestelling van 24 juli 2025. De beslistermijn van acht weken liep in principe tot 30 juni 2025, met een opschorting van maximaal drie weken vanwege een verzoek om aanvullende informatie, waardoor de termijn uiterlijk op 21 juli 2025 eindigde.
De ingebrekestelling van 24 juli 2025 was dus niet te vroeg. De deken heeft daardoor een dwangsom van €1.442,- verschuldigd voor de periode van 5 augustus tot en met 15 september 2025. De rechtbank wijst het beroep tegen het niet tijdig beslissen af, legt de dwangsom vast en bepaalt dat de deken het griffierecht aan eiser moet vergoeden. De inhoudelijke beslissing van de deken op het verzoek wordt niet beoordeeld omdat daartegen geen beroep mogelijk is.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk, maar de deken moet een dwangsom van €1.442,- betalen wegens het niet tijdig beslissen.