ECLI:NL:RBOVE:2026:3535

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
ak_26_645
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Wet WIAArt. 57 Wet WIAArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herleving arbeidsongeschiktheidsuitkering per 20 juni 2022 in de vorm van IVA-uitkering

Eiseres was sinds 2006 werkzaam als senior consulent en werd vanaf 6 januari 2009 ziek gemeld. Na diverse WGA-uitkeringen werd haar uitkering per 12 februari 2020 beëindigd vanwege een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 35%. Vanaf 11 april 2022 werkte zij beperkt bij haar ex-werkgever, waarna zij zich op 20 juni 2022 ziek meldde. Het UWV kende haar vanaf 17 juni 2024 een IVA-uitkering toe, maar stelde dat dit geen herleving was van de eerdere uitkering omdat de toegenomen beperkingen het gevolg zouden zijn van een andere ziekte.

De rechtbank stelde vast dat de beperkingen op 17 juni 2024 duidelijk waren toegenomen ten opzichte van de situatie in 2019 en dat het UWV onvoldoende had onderbouwd dat deze toename op 20 juni 2022 nog niet bestond. Ook slaagde het UWV er niet in om buiten twijfel te stellen dat de toegenomen beperkingen het gevolg waren van een andere ziekteoorzaak dan de eerdere diagnose. De medische rapporten toonden aan dat de oorspronkelijke diagnose nog steeds relevant was en dat de nieuwe diagnose pas in oktober 2022 was gesteld.

De rechtbank concludeerde dat de IVA-uitkering per 20 juni 2022 moet ingaan als herleving van de per 12 februari 2020 beëindigde uitkering. Het beroep van eiseres werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De IVA-uitkering wordt per 20 juni 2022 toegekend als herleving van de eerder beëindigde arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/645

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna: [eiseres])

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het UWV)
(gemachtigde: [gemachtigde 3]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf 1] B.V. uit [vestigingsplaats]
(hierna: ex-werkgever).

Samenvatting

1. In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de eerder beëindigde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [eiseres] met ingang van 20 juni 2022 moet herleven. [eiseres] is het niet eens met het besluit van het UWV dat de haar per 17 juni 2024 toegekende uitkering inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) geen herleving is van haar eerdere
WIA-uitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden is de rechtbank tot haar oordeel gekomen. [eiseres] krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 4 oktober 2024 heeft het UWV aan [eiseres] vanaf 17 juni 2024 een loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA toegekend, op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. [eiseres] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met een brief van 3 november 2025 heeft het UWV aan [eiseres] gemeld van plan te zijn om aan haar vanaf 17 juni 2024 een IVA-uitkering toe te kennen. [eiseres] heeft op dit voornemen gereageerd. Met het bestreden besluit van 30 december 2025 op het bezwaar van [eiseres] heeft het UWV aan haar vanaf 17 juni 2024 een IVA-uitkering toegekend.
2.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (partner van [eiseres]), één van de gemachtigden van [eiseres] en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3.1.
De rechtbank stelt vast dat [eiseres] geen toestemming heeft verleend voor het toezenden van stukken aan ex-werkgever die medische gegevens bevatten. De rechtbank zal daarom in deze uitspraak de medische stukken niet inhoudelijk weergeven en medische terminologie zoveel mogelijk vermijden.
3.2.
[eiseres] heeft vanaf 1 mei 2006 als senior consulent gewerkt bij [bedrijf 2] B.V. voor gemiddeld 31,95 uur per week. Zij heeft zich ziek gemeld op 6 januari 2009. Na 104 weken wachttijd en een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo) heeft het UWV met een besluit van 27 mei 2011 aan [eiseres] vanaf 14 april 2011 een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend, op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 44,9%. Met een beslissing van
27 januari 2012 op de bezwaren van [eiseres] heeft het UWV haar arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd naar 73,36% en haar WGA-uitkering op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 80% gehandhaafd. Met een besluit van
27 december 2012 heeft het UWV vervolgens aan [eiseres] vanaf 14 maart 2013 een
WGA-vervolguitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80% toegekend.
3.3.
Op 2 juli 2019 heeft [bedrijf 2] B.V. om een herbeoordeling gevraagd. Daarop heeft het UWV met een besluit van 11 december 2019 de WGA-vervolguitkering van [eiseres] vanaf 12 februari 2020 beëindigd, omdat [eiseres] vanaf 25 oktober 2019 voor minder dan 35%, namelijk 33,63%, arbeidsongeschikt werd geacht. Hieraan ligt onder meer een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 31 oktober 2019 ten grondslag. Met een beslissing van
8 april 2020 op de bezwaren van [eiseres] is het UWV bij de beëindiging van de
WGA-vervolguitkering vanaf 12 februari 2020 gebleven.
3.4.
Vervolgens heeft [eiseres] vanaf 11 april 2022 voor gemiddeld 9 uur per week (3 maal 3 uur per dag) als telefonisch fondsenwerver gewerkt bij ex-werkgever. Op 20 juni 2022 heeft zij zich ziek gemeld. Het dienstverband met ex-werkgever liep tot en met
30 november 2022. Het UWV heeft met een besluit van 25 mei 2023 aan [eiseres] vanaf
1 december 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Met een besluit van 21 mei 2024 heeft het UWV de ZW-uitkering van [eiseres] op 16 juni 2024 beëindigd.
3.5.
Op 29 maart 2024 heeft [eiseres] een verslechtering van haar gezondheid aan het UWV doorgegeven. Zij heeft gemeld dat sprake is van verergering van klachten en dat er in november 2022 (de rechtbank leest: oktober 2022) een nieuwe diagnose is gesteld. Zij heeft toegelicht dat de klachten sinds het stoppen van de WIA-uitkering in 2020, vanaf het moment dat [eiseres] uit financiële noodzaak voor een beperkt aantal uren is gaan werken en sinds de behandeling in november 2022 is gestart, zijn verergerd. Dit heeft geleid tot de besluitvorming, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
Standpunt UWV
4. Het UWV heeft aan [eiseres] een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend vanaf
17 juni 2024. Volgens het UWV is geen sprake van herleving van de per 12 februari 2020 beëindigde arbeidsongeschiktheidsuitkering, omdat uit de beschikbare medische feiten niet blijkt dat sprake is van een verslechtering van de jaren lang bestaande klachten en een toename van de beperkingen zoals deze zijn vastgelegd in de FML van 31 oktober 2019. In oktober 2022 is een nieuwe diagnose gesteld en volgens het UWV is vanaf dat moment sprake van een andere ziekteoorzaak dan die waarvan eerder sprake was. Het UWV heeft dit gebaseerd op verzekeringsgeneeskundige rapporten van verzekeringsartsen en een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Standpunt [eiseres]
5. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat sprake moet zijn van een herleving van haar per 12 februari 2020 beëindigde WIA-uitkering, omdat niet buiten twijfel staat dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid van [eiseres] voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak dan die waarvan in 2019 sprake was.
5.1.
[eiseres] stelt dat de bewijslast van het al dan niet bestaan van herleving van de
WIA-uitkering rust op degene die zich erop beroept dat er geen verband bestaat tussen de eerdere en de latere arbeidsongeschiktheid. Buiten twijfel dient te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 55 (de rechtbank leest: 57) van de Wet WIA niet van toepassing zijn.
5.2.
[eiseres] is van mening dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzekeringsarts heeft geen concreet en goed beeld gekregen van de situatie van [eiseres]. [eiseres] wijst erop dat de verzekeringsarts het standpunt dat geen sprake is van een ambersituatie heeft gebaseerd op het oordeel van een sociaal verpleegkundige, die geen geregistreerd verzekeringsarts is. Verder merkt [eiseres] op dat een geregistreerd verzekeringsarts haar in het kader van de ZW-beoordeling en de
WIA-beoordeling niet heeft gezien en gesproken tijdens een spreekuur. [eiseres] vindt dat de verzekeringsarts een fysiek spreekuur had moeten inplannen, vanwege de aard van de beoordeling en omdat discrepantie bestaat tussen het oordeel van de bedrijfsarts en de UWV-arts. [eiseres] is van mening dat de artsen of verpleegkundigen van het UWV contact hadden moeten opnemen met de bedrijfsarts over de ziekteoorzaak bij uitval.
5.3.
[eiseres] stelt dat zij op 20 juni 2022 bij ex-werkgever in eerste instantie is uitgevallen met dezelfde ziekteoorzaak als die in de WIA-periode van 2011-2020. Zij verwijst naar een rapport van 20 september 2022 van de bedrijfsarts en informatie van de huisarts. [eiseres] stelt dat op 20 juni 2022 ten opzichte van de situatie zoals weergegeven in de FML van
31 oktober 2019 sprake was van verergering van klachten en toename van beperkingen. [eiseres] wijst er op dat in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep diagnoses ontbreken. Volgens [eiseres] is pas later sprake van een extra ziekteoorzaak. De diagnose daarvoor is pas gesteld op 9 november 2022 (de rechtbank leest: in oktober 2022), zo blijkt uit een bericht van 29 september 2023 van specialist dr. M.C. Möhlmann. Daarnaast wijst [eiseres] erop dat zij al langere tijd last had van ‘onbestemde lichamelijke klachten’. Dit past, behalve bij de in oktober 2022 gestelde diagnose, ook bij de reeds bestaande klachten naar aanleiding van de eerdere diagnose (hierna ook: diagnose 1). [eiseres] verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). [1] Hieruit volgt volgens [eiseres] dat bij beperkingen, die door zowel een nieuwe als een eerdere diagnose (die ten grondslag lag aan de eerdere arbeidsongeschiktheidsperiode) kunnen zijn veroorzaakt, voor werkneemster in ieder geval het voordeel van de twijfel dient te gelden.
5.4.
[eiseres] heeft haar standpunt onderbouwd met een document van 16 april 2026 van bedrijfsarts-medisch adviseur D.C. Heijstek.
Reactie UWV
6. Het UWV heeft op de beroepsgronden gereageerd met een nader rapport van 12 mei 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Overwegingen van de rechtbank
Toetsingskader
7.1.
Artikel 56, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA bepaalt dat het recht op een WGA-uitkering eindigt op de dag dat de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is.
Artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1°, van de Wet WIA bepaalt dat indien op grond van artikel 56 het Pro recht op een WGA-uitkering is geëindigd, het recht op die uitkering herleeft op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, indien hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is Pro geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.
7.2.
Vast staat dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van [eiseres] vanaf 12 februari 2020 is beëindigd, omdat zij vanaf 25 oktober 2019 voor minder dan 35%, namelijk 33,63%, arbeidsongeschikt werd geacht. [eiseres] heeft op 29 maart 2024 een verslechtering in haar gezondheid gemeld per 12 februari 2020 (de datum waarop haar arbeidsongeschiktheidsuitkering werd beëindigd), 11 april 2022 (de datum waarop [eiseres] bij ex-werkgever is gaan werken) en november 2022 (de periode waarin de behandeling voor de nieuwe diagnose is gestart). Tijdens de zitting is vastgesteld dat de datum waarop de WIA-uitkering zou moeten herleven de datum van de ziekmelding op 20 juni 2022 is. Voor de vraag of [eiseres] met ingang van deze datum aanspraak kan maken op een
WIA-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid, is allereerst van belang of die datum is gelegen binnen vijf jaar na 12 februari 2020. Dat is het geval.
7.3.
Ten aanzien van de vraag per welke datum of over welk tijdvak de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid moet plaatsvinden, is vaste rechtspraak van de CRvB, dat (1) het beoordelingstijdvak in een situatie als deze zich uitstrekt over de periode van de gestelde toename van de beperkingen tot de datum waarop een verzekerde zich tot het UWV heeft gewend en (2) dat het feit dat de beoordeling zich in de praktijk pleegt uit te strekken tot de datum van het onderzoek door de verzekeringsarts uit het oogpunt van doelmatigheid geen bezwaren ontmoet. [2] Dit betekent dat in deze procedure de periode vanaf 20 juni 2022 (gestelde toename van de beperkingen) tot en met 16 juli 2025 (datum van het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep) van belang is.
7.4.
De vraag of sprake is van toegenomen beperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. De vraag of de beperkingen van [eiseres] op 20 juni 2022 zijn toegenomen moet plaatsvinden aan de hand van een vergelijking tussen enerzijds de beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML van 31 oktober 2019, die heeft geleid tot beëindiging van de WIA-uitkering vanaf 12 februari 2020, en anderzijds de beperkingen die zijn vastgelegd naar aanleiding van de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van [eiseres] met ingang van 20 juni 2022. [3] Uit de door [eiseres] genoemde uitspraak [4] leidt de rechtbank niet iets anders af. Deze uitspraak gaat namelijk over de vraag of de artikelen 55 en 57 van de Wet WIA naast elkaar van toepassing kunnen zijn. Die vraag speelt in de situatie van [eiseres] niet.
7.5.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moet, als sprake blijkt van toegenomen beperkingen, buiten twijfel staan dat deze toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 57 van Pro de Wet WIA niet van toepassing zijn. Daarbij rust de bewijslast in beginsel op degene die stelt dat er geen causaal verband is. Voor de beantwoording van de vraag of de toegenomen beperkingen voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak moet de vergelijking worden gemaakt met de medische beperkingen voorafgaand aan de beëindiging. Het gaat dan om de medische beperkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de eerder toegekende uitkering. Hierbij zal het veelal gaan om een toename van de destijds in de eerdere FML opgenomen beperkingen. Volgens vaste rechtspraak is het ook mogelijk dat een dergelijke toename ertoe leidt dat beperkingen worden aangenomen in een rubriek waarin destijds geen beperkingen zijn aangenomen, mits deze nieuwe beperkingen voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerder vastgestelde beperkingen. [5]
7.6.
Gelet op de rechtspraak van de CRvB dient in deze zaak te worden beoordeeld of het UWV erin geslaagd is te onderbouwen dat op 20 juni 2022 nog geen sprake was van toegenomen beperkingen en om aan te tonen dat buiten twijfel staat dat de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen van [eiseres] het gevolg zijn van een andere ziekteoorzaak dan die waaruit de beperkingen voortkwamen, zoals vastgesteld bij de FML van 31 oktober 2019. Hiertoe zal de rechtbank het verzekeringsgeneeskundig onderzoek beoordelen.
Totstandkoming verzekeringsgeneeskundig onderzoek
7.7.
Aan het bestreden besluit liggen diverse verzekeringsgeneeskundige rapporten ten grondslag. Het rapport van 9 september 2024 van verzekeringsarts N. de Ruiter (hierna: De Ruiter) is onderdeel van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Dit geldt ook voor het verzekeringsgeneeskundig rapport van 31 augustus 2023 van verzekeringsarts
A.E. Vuursteen (hierna: Vuursteen), waar De Ruiter naar verwijst. Dit rapport is opgemaakt in het kader van de ZW-beoordeling. Verder bestaat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek uit de rapporten van 9 oktober 2025 en 16 december 2025 van verzekeringsarts bezwaar en beroep G. van den Brandhof (hierna: Van den Brandhof). In het kader van de ZW-beoordeling door Vuursteen heeft een sociaal medisch verpleegkundige op 12 juni 2023 telefonisch gesproken met [eiseres]. Ten behoeve van het onderzoek van De Ruiter heeft ook een sociaal medisch verpleegkundige telefonisch contact gehad met [eiseres]. Dit was op 19 augustus 2024. Vuursteen, De Ruiter en Van den Brandhof hebben het dossier van [eiseres] bestudeerd. Van den Brandhof heeft [eiseres] gezien en gesproken tijdens de hoorzitting op 16 juli 2025. De partner van [eiseres] en haar gemachtigde waren daarbij ook aanwezig. Van den Brandhof heeft medische informatie opgevraagd bij de huisarts van [eiseres]. Vuursteen, De Ruiter en Van den Brandhof hebben alle beschikbare (medische) informatie bij hun beoordeling betrokken.
7.8.
Hiermee is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Naast de telefoongesprekken die de sociaal verpleegkundigen met [eiseres] hebben gehad, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook met [eiseres] gesproken tijdens de hoorzitting. Daarbij heeft hij tevens haar functioneren waargenomen. [eiseres] is dus gezien door een geregistreerd verzekeringsarts. De verzekeringsartsen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben alle beschikbare medische informatie bestudeerd en meegewogen. Daarbij hoort ook de informatie van de bedrijfsarts, zodat het niet nodig was om met die arts contact te zoeken.
Is sprake van toegenomen beperkingen?
7.9.
De rechtbank stelt vast dat in de FML van 31 oktober 2019, die ten grondslag ligt aan de beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering per 12 februari 2020, voor [eiseres] diverse beperkingen zijn aangenomen. Uit die FML blijkt dat sprake was van beperkingen in persoonlijk functioneren (rubriek 1), sociaal functioneren (rubriek 2), aanpassing aan fysieke omgevingseisen (rubriek 3), dynamische handelingen (rubriek 4) en statische houdingen (rubriek 5). De rechtbank stelt ook vast dat De Ruiter in zijn rapport van
9 september 2024 heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van [eiseres] zeer marginaal is op zowel fysiek als mentaal functioneren. Uit pragmatische overwegingen heeft hij een situatie van geen benutbare mogelijkheden aangehouden. De Ruiter heeft dit vastgelegd in een FML van 9 september 2024, die geldt per 17 juni 2024. Daarmee is duidelijk dat de beperkingen van [eiseres] op 17 juni 2024 zijn toegenomen ten opzichte van de situatie op 12 februari 2020.
7.10.
De rechtbank is van oordeel dat met de verzekeringsgeneeskundige rapporten onvoldoende is onderbouwd dat op 20 juni 2022 nog geen sprake was van toename van beperkingen. Per die datum zijn de beperkingen van [eiseres] namelijk niet vastgesteld. Zonder nader medisch of verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het UWV immers de ziekmelding van [eiseres] per 20 juni 2022 geaccepteerd en aan [eiseres] vanaf
1 december 2022 een ZW-uitkering toegekend. Dat per 20 juni 2022 sprake was van beperkingen is wel duidelijk, want de ZW-uitkering van [eiseres] is op basis van de door Vuursteen vastgestelde beperkingen voortgezet. De voortzetting van de ZW-uitkering is gebaseerd op het medisch onderzoek van Vuursteen van 31 augustus 2023, aangevuld met haar rapport van 16 januari 2024. In deze rapporten staat dat [eiseres] bekend was met jarenlange klachten die niet goed geduid konden worden. Dat per 20 juni 2022 geen sprake was van toegenomen beperkingen vindt de rechtbank dan ook niet aannemelijk.
Zijn de toegenomen beperkingen het gevolg van een andere ziekteoorzaak?
7.11.
De rechtbank is verder van oordeel dat het UWV er niet in is geslaagd buiten twijfel te stellen dat de toegenomen beperkingen, waarvan per 20 juni 2022 bij [eiseres] sprake was, het gevolg zijn van een andere ziekteoorzaak dan die waaruit de beperkingen in de FML van 31 oktober 2019 voortkomen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
7.12.
De rechtbank leidt uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten van het UWV af dat [eiseres] vanaf 14 april 2011 steeds te maken heeft gehad met klachten die niet goed geduid konden worden en die zijn gediagnostiseerd met diagnose 1.
7.13.
Aan de vanaf 14 april 2011 toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering liggen verzekeringsgeneeskundige rapporten van 28 april 2011 en 19 januari 2012 van een verzekeringsarts respectievelijk een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Hieruit blijkt dat bij [eiseres] sprake was van diagnose 1. In dit rapport staat dat medisch somatisch geen, althans onvoldoende, verklaring is gevonden voor de klachten van [eiseres]. Destijds zijn beperkingen aangenomen die het gevolg zijn van diverse diagnoses.
7.14.
Uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 31 oktober 2019, dat ten grondslag ligt aan de FML van die datum, blijkt dat bij [eiseres] op 12 februari 2020 nog steeds sprake was van diagnose 1. Als gevolg hiervan zijn ook toen beperkingen aangenomen.
7.15.
Vuursteen meldt in haar rapport van 31 augustus 2023 dat [eiseres] bekend was met jarenlange klachten die niet goed geduid konden worden. [eiseres] heeft verteld al langere tijd last te hebben gehad van onbestemde lichamelijke klachten. Vuursteen heeft diagnose 1 ook vermeld. Van den Brandhof overweegt in zijn rapport van 9 oktober 2025 eveneens dat [eiseres] sinds vele jaren bekend is met klachten die niet goed geduid konden worden, zoals blijkt uit de medische rapporten in het kader van de WIA-beoordelingen in 2011 en in 2019 en de bezwaarprocedures in 2012 en 2020. Uitgaande van diagnose 1 zijn toen in de FML'en beperkingen aangenomen.
7.16.
De rechtbank stelt vast dat in oktober 2022 een nieuwe diagnose duidelijk is geworden. Vuursteen schrijft dat uit onderzoek uiteindelijk is gebleken dat [eiseres] lijdt aan deze diagnose. Vuursteen heeft naast diagnose 1 ook deze nieuwe diagnose vermeld. Uit het rapport van 9 september 2024 kan worden afgeleid dat volgens De Ruiter de beperkingen van [eiseres] alleen veroorzaakt worden door de nieuwe diagnose. In het rapport van De Ruiter komt diagnose 1 niet meer terug. Ook Van den Brandhof lijkt er vanuit te gaan dat van diagnose 1 geen sprake meer is.
7.17.
De rechtbank is echter van oordeel dat De Ruiter en Van den Brandhof onvoldoende hebben onderbouwd dat van diagnose 1 op 9 september 2024 geen sprake meer was. De rechtbank leidt dit ook niet af uit de medische informatie in het dossier.
7.18.
In het rapport van 9 oktober 2025 meldt Van den Brandhof immers dat [eiseres] zich op 20 juni 2022 ziek heeft gemeld met de sinds 2009 en 2010 bestaande klachten, waarmee [eiseres] in juni en juli 2022 gezien is door de huisarts en ook eerder in januari 2022. In de informatie van de huisarts staat dat [eiseres] zich bij die arts heeft gemeld met diverse klachten. Hierbij waren ook klachten waarvan sprake is sinds 2009 en 2010 en klachten die al jarenlang bestonden. Na november 2022 was volgens de informatie van de huisarts ook sprake van (nieuwe) klachten, die passen bij de nieuwe diagnose. Dat vanaf toen geen sprake meer was van de eerdere klachten en diagnose 1 blijkt dus niet uit de medische informatie.
7.19.
Nu duidelijk is dat op 17 juni 2024 ten opzichte van de FML van 31 oktober 2019 sprake is van toegenomen beperkingen en niet aannemelijk is dat van deze toename op
20 juni 2022 nog geen sprake was, moet het UWV bewijzen dat deze verminderde belastbaarheid door een andere ziekte is veroorzaakt. Het UWV is daarin niet geslaagd. Uit de informatie blijkt namelijk niet dat diagnose 1 op 17 juni 2024 en op 20 juni 2022 helemaal niet meer aan de orde is. Daarbij wijst de rechtbank ook op de door [eiseres] genoemde uitspraak van de CRvB, waaruit volgt dat [eiseres] in een situatie als deze, waarin niet buiten twijfel kan worden gesteld dat er geen verband bestaat tussen de eerdere ziekte-uitval en de huidige ziekte-uitval, het voordeel van de twijfel dient te krijgen. [6]
7.20.
Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat de per 17 juni 2024 aan [eiseres] toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering per 20 juni 2022 moet ingaan en een herleving moet zijn van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, die per 12 februari 2020 is beëindigd, en wel in de vorm van een IVA-uitkering.

Conclusie en gevolgen

8.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1°, van de Wet WIA. Dit betekent dat [eiseres] gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf een beslissing en bepaalt dat aan [eiseres] per 20 juni 2022 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toekomt, die een herleving is van haar per 12 februari 2020 beëindigde arbeidsongeschiktheidsuitkering, en wel in de vorm van een IVA-uitkering.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan [eiseres] vergoeden en krijgt [eiseres] ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van [eiseres] een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 30 december 2025;
- bepaalt dat aan [eiseres] per 20 juni 2022 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toekomt, die een herleving is van haar per 12 februari 2020 beëindigde arbeidsongeschiktheidsuitkering, en wel in de vorm van een IVA-uitkering;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan [eiseres] moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan [eiseres].
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie CRvB 11 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU4808.
2.Zie onder meer CRvB 25 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP6162 en CRvB 22 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2814.
3.Zie CRvB 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683 en CRvB 22 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:132.
4.Zie CRvB 23 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2220.
5.Zie CRvB (28 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY8136 en CRvB 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683.
6.Zie CRvB 11 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU4808.