Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2503

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
ZWO 25/25
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 3:4 AwbArt. 4:125 AwbArt. 5 Verordening parkeerbelastingen 2024Art. 87 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onvoldoende onderzoeksplicht en kenbaarheidsvereiste

Belanghebbende parkeerde op 8 oktober 2024 zijn dienstauto op een openbare parkeerplaats zonder geldig parkeerrecht, waarna een naheffingsaanslag werd opgelegd. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het kenbaarheidsvereiste is vervuld door duidelijke bebording aan de rand van de parkeerzone en de aanwezigheid van een parkeerautomaat. Belanghebbende heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de geldende parkeerregels, wat zijn eigen verantwoordelijkheid is. Het beroep op een ontheffing op grond van het RVV 1990 faalt omdat geen vooraf verleende ontheffing is aangetoond.

Verder wordt het beroep op schending van artikel 6 EVRM Pro verworpen, aangezien een naheffingsaanslag geen strafrechtelijke boete is. Ook het evenredigheidsbeginsel wordt niet geschonden door de hoogte van de naheffingsaanslag. De redelijke termijn is niet overschreden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/25

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende

en

de directeur van GBTwente, de heffingsambtenaar.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende gericht tegen een naheffingsaanslag parkeerbelastingen. Deze naheffingsaanslag is op 8 oktober 2024 aan belanghebbende opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 29 januari 2025 tevens een dwangbevel opgelegd ter hoogte van € 142,45 (bestaande uit kosten van de naheffingsaanslag, aanmaningskosten en € 53,- kosten dwangbevel) met als uiterste betaaltermijn 31 januari 2025.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het dwangbevel. De rechtbank heeft dit beroep doorgezonden met het verzoek om het beroep als een bezwaarschrift te behandelen. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar bij besluit van 12 februari 2025 ongegrond verklaard en het dwangbevel gehandhaafd, omdat belanghebbende niet om uitstel van betaling had verzocht. Het beroep van belanghebbende heeft op grond van artikel 4:125 van Pro de Awb mede betrekking op de uitspraak op bezwaar ten aanzien van het dwangbevel.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende uitstel van betaling van de naheffing verleend voor de duur van de beroepsprocedure.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 ter zitting behandeld.
Belanghebbende is niet verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen
[naam]
.
Feiten
1. Op 8 oktober 2024 om 12:07 uur stond een grijze Ford Transit met kenteken [kenteken] (de dienstauto van belanghebbende) geparkeerd op een openbare parkeerplaats aan de Van Galenstraat te Enschede, naast het politiebureau. Tijdens een controle bleek dat het voertuig niet was aangemeld voor een geldig parkeerrecht.
2. In verband hiermee is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van
€ 80,45, bestaande uit € 3,75 aan tariefkosten en € 76,70 aan kosten van de naheffing.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende vanwege het uitblijven van betaling op 29 januari 2025 tevens aanvullend een dwangbevel opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunten.
3. Belanghebbende voert aan dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd.
Toen hij vanaf de Parkweg en De Ruyterlaan de Van Galenstraat inreed stond nergens dat hij een ‘betaald parkeerzone’ inreed. Hij hoefde dat ook niet te verwachten op de betreffende parkeerplaats, gelegen direct naast en kennelijk behorend bij het politiebureau dat hij in het kader van een dienstreis aandeed. Het was nog vroeg in de ochtend en donker en ter plaatse was weinig verlichting. Aan het einde van de Van Galenstraat staat een parkeerzuil maar die was toen niet (goed) zichtbaar.
4. Volgens de heffingsambtenaar had belanghebbende kunnen en moeten weten dat sprake was van een betaald parkeren plek. In Enschede staan aan de rand van alle parkeerzones borden met informatie over ‘betaald parkeren’. Deze zogeheten ‘singelborden’ gelden voor de hele zone [1] . Daarnaast staan binnen de parkeerzones herhalingsborden en parkeerautomaten met informatie over betaald parkeren. Waar sprake is van betaald parkeren staat ten minste één parkeerautomaat, zoals ook blijkt uit de overgelegde fotorapportage. De door belanghebbende zelf overgelegde foto’s geven de situatie weer van ná het singelbord op de Parkweg.
Kenbaarheidsvereiste en onderzoeksplicht
5. De rechtbank overweegt als volgt. Over de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor het parkeren van een auto mag redelijkerwijs geen misverstand bestaan.
6. Bijvoorbeeld door middel van duidelijke bebording bij de parkeerplaats of in de naaste omgeving daarvan moet het ter plaatse geldende parkeerregime voldoende duidelijk zijn aangegeven en ook hoe de parkeerder de verschuldigde belasting kan voldoen (
kenbaarheidsvereiste) [2] .
Tegenover het kenbaarheidsvereiste staat dat van een parkeerder mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de geldende regels met betrekking tot de verschuldigdheid van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren en de wijze waarop hij daaraan vervolgens moet voldoen (
onderzoeksplicht) [3] .
7. De heffingsambtenaar heeft een fotoreeks overgelegd. Op de foto’s is de Parkweg en een singelbord te zien met informatie over ‘Betaald parkeren Centrum’ en een parkeerautomaat aan het begin van de Van Galenstraat.
Wat daar ook van zij, voor het inrijden van de zone waarin de parkeerbelastingplicht geldt, staan onbetwist kennisgevingsborden (singelborden) over betaald parkeren.
8. Naar het oordeel van de rechtbank is aan het kenbaarheidsvereiste voldaan, gezien het singelbord met informatie over ‘Betaald parkeren Centrum’ aan de rand van de parkeerzone en de aanwezigheid van een parkeerautomaat aan het einde van de Van Galenstraat. Belanghebbende heeft een en ander ook niet (meer) betwist.
9. De rechtbank houdt het er voor dat belanghebbende zich daarnaast niet voldoende heeft gekweten van zijn onderzoeksplicht. Als hij zou hebben rondgelopen had hij de parkeerautomaat niet over het hoofd gezien. De stellingen van belanghebbende dat de parkeerplaats in de Van Galenstraat geen openbare parkeerplaats leek deel uit te maken van (het terrein van) het politiebureau of daarbij hoorde, is op niets gebaseerd en innerlijk tegenstrijdig met de verklaring van belanghebbende dat het binnenterrein van het politiebureau vol was. Kortom, deze vluchtige en niet juiste inschatting komt voor rekening en risico van belanghebbende. Opzet, schuld en/of verwijtbaarheid zijn niet relevant. De beroepsgrond slaagt niet.
Beroep op ontheffing op grond van het RVV
10. Belanghebbende voert aan dat hij op de bewuste dag in functie was en dat daarom een ontheffing van de parkeerbelastingplicht gold op grond van het RVV 1990. Hij reed in zijn dienstauto en reistijd valt onder werktijd. Het beroep op een ontheffing is volgens belanghebbende te meer gerechtvaardigd nu de parkeerplaats bij het politiebureau vol was.
11. De rechtbank overweegt als volgt.
De mogelijkheid om ontheffing te verlenen van een aantal verkeersregels en verkeerstekens is geregeld in artikel 87 van Pro het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV). Een ontheffing kan bijvoorbeeld worden verleend bij de uitvoering van bepaalde werkzaamheden, dienstverlening of evenementen. Een ontheffing op grond van artikel 87 RVV Pro moet vooraf zijn verleend. De bevoegdheid om ontheffing van de parkeerbelasting-plicht binnen een gemeente te verlenen komt toe aan Burgemeester en Wethouders van de betreffende gemeente [4] .
12. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem ontheffing van de parkeerbelastingplicht was verleend, reden waarom de beroepsgrond niet slaagt.
De naheffingsaanslag parkeerbelasting is terecht opgelegd.
Criminal charge en strijd met artikel 6 EVRM Pro?
13. Belanghebbende voert aan dat de hoogte van de naheffingsaanslag niet in redelijke verhouding staat tot het te betalen parkeergeld; er is sprake van een wanverhouding. De naheffingsaanslag is daarmee in strijd met artikel 6 van Pro het EVRM en rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Belanghebbende wijst daartoe op het arrest van het EHRM van 23 juni 1981, Le Compte e.a., NJ 1982, 602, § 51.
14. Volgens de heffingsambtenaar is de hoogte van de opgelegde naheffingsaanslag niet onevenredig of buitenproportioneel hoog. Van schending van artikel 6 van Pro het EVRM is geen sprake.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Een naheffingsaanslag parkeerbelasting is, ongeacht de hoogte van het bedrag, volgens vaste rechtspraak geen ‘boete’ of ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM [5] . Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een arrest van 24 januari 2023 deze al langer bestaande lijn in de rechtspraak bevestigd [6] . In 2023 zijn over de kosten in het licht van artikel 6 EVRM Pro prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad [7] . De Hoge Raad heeft met een prejudiciële beslissing van 25 oktober 2024 de al bestaande lijn bevestigd [8] . Het beroep op artikel 6 van Pro het EVRM slaagt niet.
16. Voorts is een naheffingsaanslag is een besluit met een gebonden karakter.
Op grond van artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen, voor zover dit niet voortvloeit uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid. Op grond van het tweede lid mogen de voor belanghebbende(n) nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
17. Volgens vaste rechtspraak kan de bestuursrechter de (on)evenredigheid van de hoogte/kosten van de naheffingsaanslag gezien het karakter van een gebonden besluit beoordelen middels toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Daarbij is van belang of het betreffende avv (hier: artikel 5 van Pro de Verordening parkeerbelastingen 2024) geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
18. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd over de hoogte van de naheffingsaanslag in het licht van het evenredigheidsbeginsel, geen reden om te oordelen dat het in artikel 5 dan Pro wel in een of andere bepalingen van de Verordening parkeerbelastingen 2024 bepaalde niet geschikt, niet noodzakelijk respectievelijk niet evenwichtig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Schending van de redelijke termijn?
19. Belanghebbende doet een beroep op schending van de redelijke termijn. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar op 3 januari 2025 verzocht om toezending van de stukken maar daarop is niet binnen een maand gereageerd.
20. De rechtbank overweegt als volgt. Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Uitgangspunt bij de berekening van de ‘redelijke termijn’ is de termijn van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift tot de uitspraak van de rechtbank. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift op 13 november 2024 ontvangen. De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 ter zitting behandeld en doet binnen zes weken uitspraak. De redelijke termijn van twee jaar is niet overschreden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Westerlaak, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroepEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van gerechtshof Amsterdam op 23 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:363.
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:1995:AA3126, BNB 1996/27 en bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2020:1014, BNB 202/154.
4.Zie artikel 149, eerste lid, sub d, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).
5.Zie bijvoorbeeld de Hoge Raad van 18 oktober 1995, 30.208, V-N 1995/3916, 39
6.Zie het arrest van hof Arnhem-Leeuwarden van 24 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:677, r.o. 4.8 en 4.9.
7.Zie bijv. rechtbank Oost-Brabant 8 december 2023 (ECLI:NL:RBOBR:2023:5711).
8.Prejudiciële beslissing Hoge Raad, 25 okt. 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535.