Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2440

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/08/344280 / KG ZA 26-22
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 118 RvArt. 705 RvArt. 725 RvArt. 730 RvArt. 733 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen tot opheffing conservatoir beslag en naleving vonnis ontbinding vof

Eisers vorderen dat gedaagde wordt verplicht het vonnis van 12 februari 2025 na te komen en dat het door gedaagde gelegde conservatoire verhaalsbeslag wordt opgeheven. Gedaagde voert verweer en stelt onder meer niet-ontvankelijkheid. De voorzieningenrechter verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer en ziet geen reden om artikel 118 Rv Pro toe te passen.

De feiten betreffen een familiebedrijf in de agrarische sector, waarbij de vof is ontbonden en partijen in geschil zijn over de afwikkeling, waaronder onroerende zaken en kantoorunits. Gedaagde legde conservatoir beslag op onroerende zaken die eigendom zijn van eiser 1. Eisers vorderen opheffing van dit beslag en diverse andere maatregelen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het beslag niet onnodig of ondeugdelijk is en dat het belang van gedaagde bij handhaving zwaarder weegt dan het belang van eisers bij opheffing. De vorderingen tot oplegging van dwangsommen, verbod tot verplaatsing kantoorunits, uitschrijving KvK en afgifte sleutels worden afgewezen. De kosten worden gecompenseerd. De rechter benadrukt het belang van minnelijke regeling gezien de familiale verhoudingen en complexiteit.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van eisers af en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/344280 / KG ZA 26-22
Vonnis in kort geding van 21 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

te [woonplaats 1],
2.
[eiser 2],
te [woonplaats 2],
eisende partijen,
hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] en samen eisers,
advocaat: mr. P. Stehouwer,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 3],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. R.F.A. Rorink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de akte overlegging producties van de zijde van [gedaagde],
- de akte overlegging nadere producties van de zijde van eisers,
- de akte overlegging nadere producties van de zijde van [gedaagde],
- de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarbij partijen zijn verschenen bijgestaan door hun advocaten. Ook de moeder van [eiser 1] en [gedaagde], bijgestaan door haar advocaat, mr. G. van Lent, was (als informant) aanwezig. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij de advocaten ook gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
1.2.
Na de mondelinge behandeling hebben partijen, op hun verzoek, vier weken de gelegenheid gekregen om te onderzoeken of een minnelijke regeling mogelijk is. Deze termijn is op verzoek van partijen verlengd. Bij bericht van 8 april 2026 is van de zijde van eisers meegedeeld dat het niet is gelukt om een minnelijke regeling te treffen en wordt verzocht om vonnis te wijzen. Het vonnis is bepaald op vandaag.

2.Samenvatting

Met deze procedure willen eisers in de kern bereiken dat [gedaagde] wordt verplicht om het vonnis van deze rechtbank van 12 februari 2025 [1] na te komen en dat het door [gedaagde] gelegde conservatoire (verhaals)beslag wordt opgeheven. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
De voorzieningenrechter verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer en ziet geen reden om artikel 118 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) toe te passen. In hetgeen eisers naar voren hebben gebracht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het door [gedaagde] gelegde conservatoire (verhaals)beslag op te heffen. Ook de andere vorderingen van eisers wijst de voorzieningenrechter af. Het oordeel van de voorzieningenrechter wordt hierna toegelicht.

3.De feiten

3.1.
De ouders van [gedaagde] en [eiser 1] hadden een melkveebedrijf in [plaats]. Nadat de vader in 1991 is overleden heeft de moeder van [eiser 1] en [gedaagde] (hierna ook: de moeder) het bedrijf met [eiser 1] in maatschapsverband voortgezet.
3.2.
[gedaagde] is op 1 mei 2002 tot de maatschap [bedrijf 1] toegetreden. Naast zijn werk bij [bedrijf 2] als agrarisch bedrijfsadviseur werkte hij mee op het agrarische bedrijf en deed hij de boekhouding van het bedrijf. Na zijn vertrek bij [bedrijf 2] heeft [gedaagde] op het erf aan de [adres 1] (in units) een bedrijf gevestigd genaamd [bedrijf 3].
3.3.
Op 1 mei 2006 is [eiser 2] tot de maatschap [bedrijf 1] toegetreden.
3.4.
In het kader van een minnelijk onteigeningstraject is de boerderij met de bijbehorende grond door de gemeente Almelo opgekocht en is het agrarische bedrijf vanaf 2007 voortgezet aan de [adres 1].
3.5.
Per 1 mei 2017 is de maatschap [bedrijf 1] voortgezet door de vof [bedrijf 1] die bij de KvK geregistreerd staat onder [nummer] (hierna ook: de vof). De vof heeft ten doel het voor gezamenlijke rekening exploiteren van een melkveehouderijbedrijf.
3.6.
De onroerende zaken zijn (in maatschapsverband) de onverdeelde juridische eigendom van moeder en [eiser 1], elk voor de helft. (Dit is een andere maatschap dan de maatschap [bedrijf 1] die hiervoor is vermeld).
3.7.
Vanaf 2017 zijn partijen in gesprek om hun samenwerking te beëindigen. De moeder is op leeftijd en zij wil stoppen met het bedrijf en uit de vof en de maatschap treden.
3.8.
In december 2021 is een tweede melkveebedrijf gekocht aan de [adres 2]. De stallen staan inmiddels leeg en de bijbehorende 21,5 hectare grond is in gebruik bij de vof. De financieringsovereenkomst voor deze aankoop is getekend door de vier vennoten.
3.9.
Bij - (grotendeels) uitvoerbaar bij voorraad verklaard - vonnis van 12 februari 2025 van deze rechtbank, heeft de rechtbank (kort gezegd) de vof en (zekerheidshalve) de op
10 juli 1995 opgerichte maatschap tussen de moeder en [eiser 1] ontbonden. Daarnaast heeft de rechtbank de vereffening van de vof en de wijze van verdeling van de vof gelast, waarbij aansluiting is gezocht bij de tijdens de mondelinge behandeling op 5 november 2024 tussen partijen gemaakte afspraken. [2] Het vonnis is op 14 mei 2025 betekend aan [gedaagde].
3.10.
Na het vonnis van 12 februari 2025 hebben de (advocaten van de) bij dat vonnis betrokken partijen (op meerdere momenten) met elkaar gecorrespondeerd.
3.11.
De moeder en [gedaagde] hebben (afzonderlijk) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 12 februari 2025. Moeder heeft haar haar hoger beroep laten doorhalen, onder aankondiging dat zij incidenteel appel zal instellen in de procedure van [gedaagde].
3.12.
Op 12 mei 2025 heeft [eiser 1] het perceel kadastraal bekend [locatie 1], gekocht. Dit perceel is inmiddels opgesplitst in nummers [locatie 2] en [locatie 3].
3.13.
Op 21 juli 2025 heeft [gedaagde], na daartoe verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank te hebben verkregen, conservatoir verhaalsbeslag gelegd op de onroerende zaken, kadastraal bekend:
  • gemeente [locatie 4],
  • gemeente [locatie 1] (thans de nummers [locatie 2] en [locatie 3]).
3.14.
Bij e-mailbericht van 2 december 2025 is [gedaagde] namens eisers verzocht dan wel gesommeerd om de sleutels van de trekker NH TM 155 en de verreiker Merlo 42.7 in te leveren bij eisers en om zich te laten uitschrijven als vennoot van de vof.
3.15.
Bij brief van 4 december 2025 is [gedaagde] namens eisers verzocht dan wel gesommeerd om het gelegde conservatoire (verhaals)beslag op te heffen.

4.Het geschil

4.1.
Eisers vorderen (kort gezegd) dat de voorzieningenrechter bij vonnis:
I. het conservatoire beslag zoals nader omschreven onder 3.13. opheft;
II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 10.000,- per dag dat hij in gebreke blijft met de uitvoering van het vonnis van 12 februari 2025 voor zover hij daarbij is veroordeeld tot verwijdering van de zich op het erf van de [adres 1] bevindende kantoorunits, met een maximum van € 150.000,-;
III. [gedaagde] verbiedt zich met zijn kantoorunits te verplaatsen naar de locatie aan de [adres 1], althans hem gebiedt om zich daar niet te vestigen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom;
IV. [gedaagde] veroordeelt om zich binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis te laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel (KvK) als vennoot van de vof, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom;
V. [gedaagde] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis de sleutels van de trekker NH TM 155 en de verreiker Merlo 42.7 in te leveren bij eisers, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom;
VI. althans, subsidiair, een of meerdere voorlopige voorzieningen te treffen die haar geraden voorkomen, dit alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
4.2.
[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van het gevorderde.
4.3.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

5.De beoordeling

Niet-ontvankelijkheid - processueel ondeelbare rechtsverhouding - toepassingartikel 118 Rv Pro
5.1.
[gedaagde] stelt zich allereerst op het standpunt dat eisers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen omdat niet alle deelgenoten in de vof door eisers zijn betrokken in deze procedure. Eisers stellen dat het een bewuste keuze is geweest om de moeder niet te dagvaarden. Er wordt ook niets gevorderd van de moeder, aldus eisers.
5.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat als [gedaagde] zou worden gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding dit niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van eisers. In dat geval moet de voorzieningenrechter gelegenheid geven om de moeder alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv Pro binnen een daartoe door haar te stellen termijn. [3]
5.3.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om artikel 118 Rv Pro toe te passen en eisers in de gelegenheid te stellen om de moeder op te roepen. Daarvoor is het volgende redengevend. Tussen partijen is niet in geschil dat de onroerende zaken, waarop beslag is gelegd (juridisch) eigendom zijn van [eiser 1]. Dat de onroerende zaken aan de [adres 2] economisch zijn ingebracht in de vof maakt niet dat deze onroerende zaken zijn gaan beho-ren tot de gemeenschap ex artikel 3:166 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). [4] Wat betreft het gevorderde betreffende de kantoorunits is tussen partijen niet in geschil dat deze eigendom zijn van [gedaagde]. Dit betekent dat deze vorderingen enkel zien op de rechtsverhouding die eisers hebben met [gedaagde] en los kan worden gezien van de rechtsverhouding die eisers hebben met de moeder. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de voorzieningen-rechter niet worden gezegd dat met betrekking tot deze vorderingen sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. Verder is niet in geschil dat [gedaagde] sleutels van de trekker en de verreiker onder zich heeft, zodat hij alleen bij machte is om deze aan eisers af te geven. [gedaagde] heeft het ook in zijn macht om zich te laten uitschrijven bij de KvK. De daarop betrekking hebbende vorderingen van eisers zien dus op feitelijke handelingen die [gedaagde] alleen kan uitvoeren.
5.4.
Met inachtneming van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat zij vonnis kan wijzen, zonder dat het noodzakelijk is dat de moeder bij deze procedure wordt betrokken. Bovendien ontbreekt het belang bij het in de gelegenheid stellen om de moeder op te roepen, omdat, zoals hierna zal blijken, de vorderingen van eisers door de voorzieningenrechter zullen worden afgewezen.
Opheffing beslag
5.5.
Eisers vorderen dat het gelegde conservatoire verhaalsbeslag wordt opgeheven. Anders dan [gedaagde] lijkt te veronderstellen is daarvoor niet vereist dat eisers daarbij een spoedeisend belang hebben.
5.6.
Voor zover eisers stellen dat niet is voldaan aan de vereisten van conservatoir verhaalsbeslag (ex artikel 725 Rv Pro) overweegt de voorzieningenrechter dat zij in deze procedure niet dient te beoordelen of terecht verlof voor het beslag is verleend, maar of op het moment van haar beslissing grond bestaat voor opheffing van het beslag. [5]
5.7.
Voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering tot opheffing van het beslag moet worden aangesloten bij de in artikel 705 Rv Pro neergelegde maatstaven. De opheffing van een conservatoir (verhaals)beslag kan onder meer worden bevolen, als summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of als voor de geldvordering voldoende zekerheid is gesteld.
5.8.
Het ligt in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing van het beslag vordert om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het beslag onnodig is. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. [6]
5.9.
Het betoog van eisers dat het beslag moet worden opgeheven omdat de aard van het beslag onjuist is vermeld in het beslagrekest, aangezien daarin wordt gesuggereerd dat het gaat om een conservatoir verhaalsbeslag, terwijl [gedaagde] een conservatoir beslag ter bewaring van recht op afgifte of levering te leggen (artikel 730 Rv Pro) en dan specifiek in de vorm van deelgenotenbeslag (artikel 733 Rv Pro), beoogde, volgt de voorzieningenrechter niet. Dat het gevorderde door [gedaagde] in hoger beroep er (mede) toe strekt dat hij het perceel aan de [adres 2] krijgt toebedeeld, rechtvaardigt niet de conclusie dat geen vordering is ingesteld die strekt tot veroordeling van een geldvordering. In het hoger beroep staat immers de ontvlechting van de vof centraal. Tussen partijen is niet in geschil dat de economische eigendom van het perceel aan de [adres 2] is ingebracht in de vof, zodat, zoals ook van de zijde van eisers is bevestigd tijdens de mondelinge behandeling, de waarde daarvan tot het bedrijfsvermogen van de vof is gaan behoren en [gedaagde] als vennoot (in ieder geval) gerechtigd is tot een aandeel in de waardevermeerdering daarvan vanaf het moment van aankoop tot het moment van de ontbinding van de vof. [7] In die zin speelt de [adres 2] wel een rol bij de (complexe) afwikkeling van de vof. Uit de memorie van grieven en het beslagrekest blijkt voldoende dat [gedaagde] na de ontbinding van de vof en de vereffening van het vermogen van de vof en een mogelijke vermogensoverdracht van de moeder aan [eiser 1] en [gedaagde] de wens heeft om (met zijn aandeel) het perceel aan de [adres 2] in eigendom te verkrijgen. Dat [gedaagde] niet heeft beoogd beslag te leggen op grond van artikel 730 Rv Pro of artikel 733 Rv Pro volgt in feite ook al uit de stellingen van eisers zelf, nu zij betogen dat niet aan de vereisten van deze artikelen is voldaan. Gelet op het vorenoverwogene is er op dit moment (ook) niet aannemelijk gemaakt dat de vordering van [gedaagde] summierlijk ondeugdelijk is.
5.10.
Hetgeen eisers naar voren hebben gebracht rechtvaardigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet de conclusie dat het conservatoir beslag onnodig is gelegd. Dat er geen sprake is van vrees voor verduistering is gesteld noch gebleken, zodat daarin (ook) geen reden is gelegen om het conservatoire (verhaals)beslag op te heffen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat door eisers niet (voldoende) weersproken is dat [eiser 1] grond aan de [adres 2] heeft verkocht aan derden. Bovendien volgt uit de dagvaarding ook dat [eiser 1] onroerende zaken aan de [adres 2] wil verkopen om met de moeder en [gedaagde] af te rekenen. Dit voornemen vormt (veeleer) een bevestiging dat het beslag niet onnodig is gelegd.
5.11.
Tot slot leidt ook een belangenafweging ertoe dat het beslag gehandhaafd blijft. Alle belangen van partijen afwegende is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [gedaagde] bij handhaving van het beslag zwaarder dient te wegen dan het belang van eisers bij opheffing daarvan. De omstandigheid dat [eiser 1] onroerende zaken aan de [adres 2] wil verkopen om met de moeder en [gedaagde] af te rekenen leidt er immers toe dat het [gedaagde] feitelijk reeds onmogelijk zal worden gemaakt om zich aan de [adres 2] te vestigen, terwijl dat wel de wens is van [gedaagde] en dat ook (mede) de inzet vormt van het hoger beroep. [eiser 1] is zich ervan bewust dat er een afrekening/verrekening moet plaatsvinden. Daarbij heeft hij kennelijk een afrekening/verrekening in geld voor ogen. Bij de huidige stand van zaken valt vooralsnog niet in te zien waarom dit ook niet (gedeeltelijk) in natura (in de vorm van het overdragen van de eigendom van het perceel aan de [adres 2] aan [gedaagde]) zou kunnen plaatsvinden.
5.12.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering tot opheffing van het beslag wordt afgewezen.
Oplegging dwangsom ter zake veroordeling tot verwijdering van de kantoorunits en het verbod om deze kantoorunits te verplaatsen naar de [adres 2]
5.13.
Eisers stellen zich op het standpunt dat [gedaagde] op dit moment zonder recht of titel met zijn kantoorunits op het perceel aan de [adres 1] verblijft. De in het vonnis van
12 februari 2025 aan [gedaagde] gegeven termijn is verstreken, zonder dat [gedaagde] aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Daardoor handelt [gedaagde] in strijd met dat vonnis en onrechtmatig. Van eisers kan niet langer worden gevergd dat zij de inbreuk op hun eigendomsrecht dulden. Het opleggen van een dwangsom is mogelijk en noodzakelijk. Het gebod in het vonnis van 12 februari 2025 levert voor [gedaagde] een onvoldoende prikkel op om tot ontruiming over te gaan. Volgens eisers zijn er concrete aanwijzingen dat [gedaagde] de units wil verplaatsen naar de [adres 2]. Dit perceel is echter eigendom van [eiser 1] en het eigendomsrecht is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben. Eisers doen in dit verband ook een beroep op artikel 5:2 BW Pro. [gedaagde] is van plan een inbreuk op dit eigendomsrecht van [eiser 1] te bewerkstelligen. Bovendien rust op de [adres 2] geen bedrijfsbestemming meer. Daarom is het noodzakelijk om een verbod tot verplaatsing van de kantoorunits naar de [adres 2] te vorderen, aldus eisers.
5.14.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Verplaatsing van de kantoorunits naar de [adres 2] betekent dat hij met een minimum aan kosten op een plek komt waar hij hopelijk kan blijven. Het voorkomt twee keer verhuizen. [gedaagde] is ook in overleg met de gemeente. [eiser 1] heeft zonder toestemming van de medevennoten een bestemmingsplan-wijziging willen doorvoeren en de woning in gebruik gegeven aan een derde. Deze derde gaat op korte termijn verhuizen waarna hij kan verhuizen naar de [adres 2], aldus [gedaagde].
5.15.
De voorzieningenrechter wijst deze vorderingen van eisers af. Daarvoor is het volgende redengevend. De rechtbank heeft in het vonnis van 12 februari 2025 [gedaagde] weliswaar veroordeeld tot verwijdering van de kantoorunits op het erf van de Stoevelaars-weg 13 binnen vier maanden na betekening van dat vonnis, maar zij heeft daarbij eveneens overwogen dat de dwangsom niet zal worden toegewezen. De daarbij gegeven motivering, te weten de onderlinge familierelatie en de omstandigheid dat de vordering kan worden gezien als een onderdeel van de ontvlechting van de vof, geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment nog steeds. [gedaagde] is bereid om de kantoorunits te verplaatsen naar de [adres 2], maar daar hebben eisers (ook) bezwaar tegen geuit. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen kan op dit moment niet worden uitgesloten dat [gedaagde] zich uiteindelijk zal vestigen aan de [adres 2]. In feite is er sprake van een patstelling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet aan haar om deze patstelling te doorbreken. Alle belangen van partijen afwegende ziet de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende aanleiding om het gevorderde verbod tot verplaatsing van de kantoorunits naar de [adres 2] toe te wijzen. De voorzieningen-rechter onderschrijft dat een juridisch eigendomsrecht een sterk recht is, maar dat recht legt tegen de achtergrond van de feiten en omstandigheden in deze specifieke kwestie onvoldoende gewicht in de schaal om het gevorderde verbod op dit moment toe te wijzen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter ook mee dat eisers niet op de [adres 2] wonen. Dit voorlopige oordeel betekent overigens niet een vrijbrief voor [gedaagde] om de kantoorunits aan de [adres 2] te plaatsen.
Uitschrijving als vennoot
5.16.
De vordering van eisers om [gedaagde] te veroordelen tot het zich laten uitschrijven bij de KvK wordt afgewezen. De vof is ontbonden, maar nog niet vereffend. Eisers hebben onvoldoende onderbouwd waarom [gedaagde] moet worden uitgeschreven uit het Handels-register voordat de vof is vereffend. Voor zover eisers stellen dat hun belangen zijn of dreigen te worden geschaad, is, in het licht van dat wat [gedaagde] in dit verband naar voren heeft gebracht, niet (voldoende) aannemelijk gemaakt dat de inschrijving van [gedaagde] in het handelsregister hen enige schade hebben berokkend of dreigen te berokkenen.
Afgifte sleutels trekker en verreiker
5.17.
De voorzieningenrechter wijst de gevorderde afgifte van de sleutels van de trekker en verreiker af. Bij de huidige stand van zaken ontbreekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de afgifte van voornoemde sleutels. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat eisers niet (voldoende) hebben weersproken dat zij in het bezit zijn van sleutels van de trekker en verreiker.
Conclusie
5.18.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van eisers worden afgewezen.
Proceskosten
5.19.
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Tot slot
5.20.
De voorzieningenrechter acht het betreurenswaardig dat de verhouding tussen partijen verstoord is geraakt, dat partijen verwikkeld zijn geraakt in juridische procedures over de ontvlechting van hun agrarisch (familie)bedrijf en dat het hen, ondanks de bereid-heid daartoe tijdens de mondelinge behandeling, niet is gelukt om vooruitlopend op de daadwerkelijke vereffening van het (aanzienlijke) vermogen van de vof, afspraken met elkaar te maken. De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat sprake is van complexe materie en dat zij in de onderhavige procedure geen (in)zicht heeft gekregen in alle tussen partijen levende discussiepunten en de (mogelijke) fiscale problematiek. Dat neemt echter niet weg dat zij partijen wil meegeven dat het haar raadzaam lijkt om (al dan niet via een bemiddelingstraject met een extern persoon) opnieuw met elkaar in gesprek te geraken en tot minnelijke (deel)oplossingen te komen. Juist omdat partijen familie van elkaar zijn, de moeder op leeftijd is en de voorzieningenrechter zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de moeder klem lijkt te zitten in haar loyaliteit naar [eiser 1] en [gedaagde]. De voorzieningen-rechter benadrukt daarbij dat dit slechts een suggestie is en dat partijen zich daartoe niet gedwongen moeten voelen.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Margadant en in het openbaar uitgesproken op
21 april 2026.

Voetnoten

1.Rb. Overijssel 12 februari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:805.
2.Rb. Overijssel 12 februari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:805.
3.Vgl. o.a. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411.
4.Vgl. o.a. HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1127.
5.Vgl. o.a. HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273.
6.Vgl. o.a. HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105.
7.Vgl. o.a. HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1127.