Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2086

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
11933367 \ CV EXPL 25-3332
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 195 RvArtikel 41 NR 1999Artikel 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dexia aansprakelijk voor schade door onrechtmatige advisering effectenleaseovereenkomst

De afnemer sloot via Spaar Select een effectenleaseovereenkomst met Dexia, waarbij hij geld leende om aandelen te kopen. Na verkoop van de aandelen leed de afnemer verlies. De kern van de zaak was of Dexia de schade volledig moest vergoeden.

De rechtbank stelt vast dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomst te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select de afnemer persoonlijk adviseerde zonder vergunning. De afnemer had onvoldoende geïnformeerd en gewaarschuwd over de risico's van het product.

De rechtbank wijst de vorderingen van de afnemer toe en veroordeelt Dexia tot betaling van €15.221,15 schadevergoeding plus wettelijke rente en proceskosten. Het verweer van Dexia dat slechts een deel van de schade vergoed zou moeten worden, wordt afgewezen. Het verzoek van Dexia om de zaak aan te houden wordt eveneens afgewezen.

De uitspraak bevestigt de jurisprudentie dat aanbieders van effectenleaseovereenkomsten zorgplicht hebben en aansprakelijk zijn bij tekortkomingen in advisering via niet-vergunde tussenpersonen.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding van €15.221,15 wegens onrechtmatig handelen bij effectenleaseovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11933367 \ CV EXPL 25-3332
Vonnis van 14 april 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals.

1.Kern van de zaak

1.1.
[partij A] heeft via Spaar Select een effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van die overeenkomst leende [partij A] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [partij A] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [partij A] het geleende bedrag aan Dexia terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [partij A] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 15 oktober 2025;
  • conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie;
  • conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie;
  • conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie;
  • conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende akte uitlaten producties in conventie.
2.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Dexia geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een akte te nemen om te reageren op de bij de laatste door [partij A] overgelegde productie.
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vandaag vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[partij A] heeft de volgende leaseovereenkomst gesloten, met als wederpartij (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van) Dexia:
Contractnummer
Datum
Naam overeenkomst
1
[contractnummer]
09-04-1999
Overwaarde Effect
3.2.
Nadat [partij A] deze overeenkomst tussentijds heeft beëindigd, heeft Dexia een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
1
21-10-2004
- € 7.382,60
Ja
3.3.
Volgens het financieel overzicht van Dexia heeft [partij A] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van
€ 13.487,58 aan maandtermijnen en een bedrag van € 7.382,60 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens hetzelfde overzicht heeft [partij A] € 3.581,58 aan dividenden ontvangen en € 2.269,58 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4.
De gemachtigde van [partij A] , Leaseproces, heeft bij brief van 19 februari 2008 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. In de brief wordt ook het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
4. De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak in conventie, in reconventie en in het incident
4.1.
[partij A] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [partij A] ;
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
  • Dexia zal veroordelen om de schade die [partij A] door het onrechtmatig handelen van Dexia heeft geleden, te vergoeden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Dexia te voldoen al hetgeen [partij A] heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van [partij A] , vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
Dexia voert verweer en concludeert in conventie tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] . Het verweer mondt uit in een incidentele vordering en een tegenvordering, waarbij Dexia (samengevat) vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia na betaling aan [partij A] van een bedrag van € 4.921,72 te vermeerderen met de wettelijke rente, met betrekking tot de tussen haar en [partij A] gesloten overeenkomst met nummers [contractnummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [partij A] is verschuldigd;
  • [partij A] ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces, namens [partij A] , in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend;
  • [partij A] zowel in conventie als in reconventie zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing van de kantonrechter, nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in het incident
Algemeen
5.1.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van de jurisprudentie leidt in dit geval tot de volgende conclusies:
  • er is sprake van huurkoop;
  • er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden, evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
  • Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
  • [partij A] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
  • er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade van [partij A] en de onrechtmatige daad van Dexia.
Verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
Tussenpersoon
5.5.
[partij A] heeft de overeenkomst met Dexia gesloten via de tussenpersoon
Spaar Select. Tussen partijen is niet in geschil dat deze tussenpersoon niet beschikten over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022, [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.
5.6.
Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar toenmalig geldend Europees recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021, [4] dat heeft geleid tot de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019, [5] toegelicht dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is in deze zaak geen reden om anders te oordelen.
5.7.
De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.8.
De stelplicht en bewijslast dat Spaar Select [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat Spaar Select [partij A] anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
5.9.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.10.
[partij A] stelt over de feitelijke gang van zaken dat hij ongevraagd telefonisch werd benaderd door Spaar Select. In het gesprek werd door Spaar Select voorgesteld om een afspraak te maken voor een huisbezoek door een medewerker van Spaar Select om de financiële situatie van [partij A] door te nemen. [partij A] heeft hiermee ingestemd en er hebben thuis bij [partij A] twee gesprekken plaatsgevonden. Volgens [partij A] heeft de medewerker van Spaar Select, de heer [adviseur] (hierna: [adviseur] ), tijdens het eerste gesprek geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [partij A] en is er gesproken over zijn spaargeld en zijn werk. [partij A] was net van werk veranderd en had van zijn vorige werk een afkoopsom ontvangen. [partij A] voert aan dat met [adviseur] ook is gesproken over zijn woonsituatie. [partij A] woonde op een boerderij en had de wens om vermogen op te bouwen om deze boerderij te verbouwen tot een moderne woonboerderij en hij had de wens om een financiële reserve te generen voor de toekomst. [partij A] stelt dat [adviseur] aangaf dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij daarvoor een geschikte overeenkomst wist.
[partij A] voert aan dat [adviseur] hem in eerste instantie adviseerde om een Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van NLG 40.800,00 waarbij [partij A] de vooruitbetaling moest voldoen vanuit de volledige afkoopsom en vanuit een gedeelte van zijn spaargeld. Omdat [partij A] wilde nadenken over wat er allemaal was besproken, is er een afspraak gemaakt voor een tweede gesprek. [adviseur] stuurde alvast een prognose, aldus [partij A] . De prognose heeft [partij A] overgelegd als productie C.
[partij A] stelt dat [adviseur] zijn advies tijdens het tweede gesprek ondersteund heeft aan de hand van die prognose, waarin alleen rekening gehouden werd met positieve koersen en rendementen die behaald konden worden, over negatieve koersen werd niet gerept. [partij A] voert aan dat hij met [adviseur] heeft besproken dat de vooruitbetaling van
NLG 40.800,00 te veel voor hem was, waarop [adviseur] het advies gaf om een Overwaarde Effect overeenkomst af te sluiten met een vooruitbetaling van NL 26.400,00. Daarvoor moest [partij A] nog steeds de vooruitbetaling voldoen vanuit de volledige afkoopsom en een gedeelte van zijn spaargeld. [partij A] stelt dat de Overwaarde Effect overeenkomst volgens [adviseur] gezien zijn wens, financiële situatie en het beschikbare geldbedrag, de geschikte overeenkomst was en zou hij aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [partij A] zijn wens om de boerderij te verbouwen en een financiële reserve te genereren, zou realiseren.
[partij A] stelt vervolgens dat [adviseur] hem niet heeft geïnformeerd over de specifieke risico’s, er niet op heeft gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg verloren kon gaan en een schuld kon ontstaan uit hoofde van de overeenkomst Als hij op deze risico’s was gewezen, had hij de Overwaarde Effect overeenkomst nooit afgesloten, aldus [partij A] .
[partij A] voert verder aan dat hij geen ervaring had met beleggen of kennis had van complexe financiële producten en daarom vertrouwde hij op de deskundigheid van [adviseur] en volgde hij zijn advies op door een Overwaarde Effect overeenkomst met een vooruitbetaling van NLG 26.420,19 te sluiten. De aanvraag is door [adviseur] in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend, aldus [partij A] .
Tot slot heeft [partij A] aangevoerd dat het advies van [adviseur] desastreus voor hem heeft uitgepakt, want in plaats van het vermogen dat zou worden opgebouwd, is hij de betaalde inleg kwijtgeraakt en heeft hij een restschuld aan de overeenkomst overgehouden, die hij heeft betaald.
5.11.
[partij A] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • een kopie van de Overwaarde Effect overeenkomst met nummer [contractnummer] van 9 april 1999, op naam van [partij A] met vermelding van een de lease-som van
  • een kopie van een brief van [adviseur] aan [partij A] op briefpapier van Spaar Select met als bijlage een Prognose Capital Effect met een investering van NLG 40.800,00 waarover [adviseur] in de brief schrijft: ‘
Aanhoudingsverzoek
5.12.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de door haar zo genoemde ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.13.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
Advisering
5.14.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij A] met zijn feitelijke uiteenzetting en stukken voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. De stellingen van [partij A] hoe Spaar Select in zijn geval gehandeld heeft, sluiten ook aan bij de gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen. Dexia heeft daartegenover de door [partij A] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen en zonder onderbouwing betwist. Zij had meer concreet moeten aanvoeren en toelichten waarom destijds volgens haar in dit specifieke geval geen sprake is geweest van advisering. Zo had zij moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie (en in afwijking van de gebruikelijke werkwijze) tot stand was gekomen. Wat Dexia daarover heeft aangevoerd, is tegenover de stellingen van [partij A] onvoldoende. Dexia heeft er weliswaar op gewezen dat zij op geen enkele manier betrokken is geweest bij het contact tussen [partij A] en Spaar Select, maar dat kan haar niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dit voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij (zoals hiervoor overwogen) eerder bewijs kunnen verzamelen, daarbij komt dat zij destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van Spaar Select voor de afzet van haar producten, terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van deze tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om controle daarop uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een overeenkomst en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. [6] Doordat Dexia de door [partij A] geschetste gang van zaken onvoldoende heeft weersproken en de stellingen van [partij A] in lijn zijn met de gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen, wordt van de juistheid van zijn relaas uitgegaan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
Wetenschap Dexia
5.15.
[partij A] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten dat Spaar Select een op de persoon van [partij A] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Alhoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan [partij A] , had Dexia behoren te weten dat [partij A] door Spaar Select is geadviseerd. [7]
Aansprakelijkheid Dexia
5.16.
Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij A] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [8] Er kunnen situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van [partij A] te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
Vorderingen van [partij A]
5.17.
De door [partij A] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select [partij A] niet alleen als klant aanbracht maar hem ook persoonlijk had geadviseerd en daarvoor geen vergunning bezat. De verklaring voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en Dexia gehouden is de schade te vergoeden, zal ook worden toegewezen.
Door Dexia gevorderde verklaring voor recht
5.18.
Op grond van het voorgaande, is de kantonrechter van oordeel dat [partij A] met de uiteenzetting van de feitelijke gang van zaken en zijn overgelegde stukken, voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat hij nog een vordering op Dexia te gelde kan maken vanwege het feit dat hij werd geadviseerd door Spaar Select. Dexia is dan ook niet gehouden slechts twee derde deel van de restschuld te betalen, maar moet de volledige schade [partij A] vergoeden. Een en ander leidt ertoe dat de door Dexia gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.
Schade
5.19.
Zoals hiervoor is geoordeeld, komt alle schade voor rekening van Dexia. De door [partij A] geleden schade is door partijen in de processtukken besproken. [partij A] heeft zijn schade berekend op € 15.221,15. Hieronder valt een bedrag van € 2.067,45 aan fiscaal voordeel, terwijl Dexia uitgaat van een fiscaal voordeel van € 2.269,58. Dexia heeft dit bedrag, zo volgt uit haar conclusie van antwoord, gebaseerd op haar aanname dat [partij A] in de 50% belastingschijf viel. [partij A] heeft dit betwist. Met overlegging van zijn inkomensverklaring als productie K heeft hij toegelicht dat zijn belastbaar inkomen in 2000 NLG 46.529,13 bedroeg en in de Belastingschijf 2 viel met een aftrekbare rente van 37,95%. Desondanks handhaaft Dexia haar stelling dat moet worden uitgegaan van een fiscaal voordeel van € 2.269,58. Volgens Dexia is voor de berekening van de aftrekbare rente noodzakelijk dat het bruto inkomen van [partij A] komt vast te staan en verder blijkt volgens Dexia niet dat [partij A] destijds het hoogste inkomen binnen het gezin had. [partij A] heeft daarop als productie L biljetten van een proces van zijn echtgenote uit 1999 overgelegd, waaruit volgt dat zij een inkomen genoot van NLG 13.417,-. [partij A] heeft toegelicht dat haar inkomen in 2000 ongeveer hetzelfde was, zodat hij wel degelijk het hoogst genoten inkomen ontving. Dexia heeft hierop niet meer gereageerd. Dat betekent dat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de stelling van [partij A] dat zijn fiscaal voordeel € 2.067,45 bedroeg. Voor het overige heeft Dexia de schadeberekening van [partij A] niet weersproken, zodat de kantonrechter een bedrag van € 15.221,15 aan schade zal toewijzen.
5.20.
De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten geformuleerd in de arresten van de Hoge Raad van 1 mei 2015 en 3 februari 2017. [9] Een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet aan de orde. Niet is gebleken dat er in dit geval meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan de werkzaamheden genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [10]
5.21.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [partij A] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
Incidentele vordering van Dexia
5.22.
Dexia vordert veroordeling van [partij A] om ex artikel 195 Rv Pro een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces, namens [partij A] , in deze procedure ingenomen feitelijke stelling zijn ontleend.
5.23.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [partij A] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.24.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden tot op heden begroot op € 82,00.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.25.
Omdat [partij A] grotendeels inhoudelijk zal krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij A] . Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie, worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 732,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 100,00(plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.552,47
5.26.
De door [partij A] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op
€ 82,00;
in conventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select [partij A] niet alleen als klant aanbracht, maar [partij A] ook persoonlijk had geadviseerd en Spaar Select geen vergunning daarvoor bezat;
6.4.
verklaart voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
6.5.
veroordeelt Dexia om aan [partij A] te betalen een schadevergoeding van € 15.221,15, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.20.;
6.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] van € 1.552,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.10.
wijst de vordering af;
6.11.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:20 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
6.Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
7.Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
8.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
9.ECLI:NL: HR:2015:1198 en ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3.