ECLI:NL:RBOVE:2025:7611
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over vaststelling NOW-subsidies en toepassing omzetdefinities bij VOF met hondenkennel en kapsalon
De rechtbank Overijssel heeft in een tussenuitspraak geoordeeld over het beroep van eiseres tegen drie besluiten van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betreffende de vaststelling van NOW-subsidies (NOW-3-3, NOW-3-4 en NOW-5-7). De kern van het geschil betreft de juiste berekening van de omzetdaling, met name de vraag of de omzet van een hondenkennel onderdeel uitmaakt van de referentie-omzet en de omzetperiode.
De rechtbank stelt vast dat de start van de VOF op 1 januari 2020 geen overname van een economische eenheid betreft, maar de start van een nieuwe onderneming. Daarom is de referentie-omzet terecht bepaald over de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 februari 2020. Ook is de omzet van de hondenkennel, die een reguliere activiteit van de VOF was, terecht meegenomen in de omzetberekening voor NOW-3-3 en NOW-3-4. De minister heeft de omzet van de hondenkennel bij de vaststelling van NOW-5-7 buiten beschouwing gelaten, omdat hij dacht dat deze was afgestoten, maar dit was feitelijk onjuist.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom artikel 5, achtste lid, van de NOW-3 niet moet worden toegepast, dat bepaalt dat subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode naar rato moeten worden toegerekend. Ook ontbreekt een belangenafweging door de minister over de gevolgen van de lagere subsidievaststelling. Daarom zijn de bestreden besluiten I en II onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet toereikend gemotiveerd. De minister krijgt de gelegenheid deze gebreken binnen vier weken te herstellen. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk, wijst het beroep tegen één besluit af en stelt de minister in de gelegenheid om gebreken in twee subsidievaststellingen te herstellen.