ECLI:NL:RBOVE:2025:7551

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
ak_25_1705 en ak_25_1916
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de eerste ziektedag en arbeidsongeschiktheid in het kader van WIA-uitkering

In deze uitspraak van de Rechtbank Overijssel, gedateerd 23 december 2025, wordt de rechtmatigheid van besluiten van het UWV omtrent de WIA-uitkering van een ex-werknemer beoordeeld. De eiseres, Stichting Consent, is het niet eens met de vaststelling van de eerste ziektedag en de toekenning van de IVA-uitkering. De rechtbank behandelt de beroepsgronden van eiseres, die stelt dat de eerste ziektedag eerder had moeten worden vastgesteld en dat de UWV-besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd. De rechtbank concludeert dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 7 juni 2020 correct is vastgesteld en dat de UWV-besluiten in stand blijven. De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om aan te nemen dat de ex-werknemer arbeidsongeschikt was op het moment van indiensttreding bij eiseres. De rechtbank wijst erop dat de UWV voldoende zorgvuldigheid heeft betracht in de besluitvorming en dat de medische rapportages voldoende onderbouwd zijn. De beroepen worden ongegrond verklaard, maar het UWV moet wel het griffierecht en proceskosten vergoeden aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/1704 en 25/1916

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

Stichting Consent, uit Enschede, eiseres

(gemachtigde: C.J. Loef),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: W. Prins).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats] (ex-werknemer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan de ex-werknemer toegekende uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In geschil is of de eerste ziektedag juist is vastgesteld en per wanneer sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Eiseres is het niet eens met de besluiten van het UWV. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de uitkering van de ex-werknemer.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op de juiste wijze is vastgesteld, evenals de ingang van de IVA-uitkering. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De standpunten van partijen staan vermeld onder 4. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De rechtbank stelt vast dat ex-werknemer in de zaak met nummer 25/1916 geen toestemming heeft verleend voor het toezenden van stukken aan eiseres die medische gegevens bevatten. De rechtbank zal daarom in deze uitspraak de medische stukken niet inhoudelijk weergeven en medische terminologie zoveel mogelijk vermijden.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 21 juni 2023 heeft het UWV aan ex-werknemer vanaf
23 januari 2023 een loongerelateerde WIA-uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100% toegekend. Met het besluit van 29 januari 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dit besluit gebleven.
2.2.
Bij uitspraak van 17 juli 2024 [1] heeft deze rechtbank het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, omdat het besluit van 29 januari 2024 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Dit besluit berust op de aanname dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van ex-werknemer 7 juni 2020 is. Het UWV heeft onvoldoende gemotiveerd dat ex-werknemer sinds zijn uitval in 2019 niet arbeidsongeschikt is gebleven voor zijn arbeid. Ook is de ex-werknemer ten onrechte niet op een spreekuur gezien door een verzekeringsarts. Het besluit van 29 januari 2024 is daarom door de rechtbank vernietigd en aan het UWV is opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van de uitspraak.
2.3.
Bij besluit van 11 juni 2025 (bestreden besluit I) heeft het UWV het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2023 opnieuw ongegrond verklaard.
2.4.
Eiseres heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 25/1704.
2.5.
Eiseres heeft op 4 oktober 2023 bij het UWV verzocht om een herbeoordeling van de medische situatie van ex-werknemer.
2.6.
Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het UWV eiseres bericht dat ex-werknemer onverminderd volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 25 juni 2025 (bestreden besluit II) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen dit besluit ongegrond verklaard.
2.7.
Eiseres heeft tegen bestreden besluit II beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 25/1916.
2.8.
Het UWV heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De ex-werknemer heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.9.
De rechtbank heeft de beroepen op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eiseres deelgenomen C.J. Loef, [naam 1] en [naam 2] . Namens het UWV is W. Prins verschenen. De ex-werknemer heeft vooraf bericht niet te zullen verschijnen.

Totstandkoming van de bestreden besluiten

3.1.
Ex-werknemer heeft gedurende enkele jaren onderwijs gegeven en is [functie] geweest bij ROC van [plaats] . In 2019 is ex-werknemer ziek uitgevallen voor dit werk. Ex-werknemer heeft zich hersteld gemeld op 31 januari 2020, waarna het dienstverband met ROC van [plaats] is geëindigd. Daarna was ex-werknemer vanaf 1 februari 2020 tot en met 31 juli 2020 voor 40 uur per week bij eiseres in dienst als leerkracht primair onderwijs.
3.2.
Op 7 juni 2020 heeft ex-werknemer een geweldsdelict begaan. Hij is hiervoor veroordeeld en heeft tot 23 januari 2023 in detentie gezeten. Vanaf 23 januari 2023 heeft ex-werknemer in een forensisch psychiatrische kliniek verbleven en vanaf 25 mei 2023 op een forensisch psychiatrische afdeling.
3.3.
Ex-werknemer heeft zich op 27 februari 2023 met ingang van 23 januari 2023 ziek gemeld. Daarop is medisch onderzoek verricht en heeft een UWV-arts vastgesteld dat ex-werknemer al vanaf 7 juni 2020 arbeidsongeschikt is.
3.4.
Ex-werknemer heeft op 5 juni 2023 bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd. Dit heeft geleid tot de besluitvorming, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Bestreden besluit I, toekenning WGA-uitkering per 23 januari 2023
3.5.
In bestreden besluit I heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat ex-werknemer vanaf 23 januari 2023 (de eerste dag dat hij niet meer gedetineerd was) recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Dit besluit is onder meer gebaseerd op de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die zijn neergelegd in een rapportage van 3 juni 2025. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ex-werknemer op 16 mei 2025 gesproken tijdens een medisch onderzoek. Ook heeft hij onder meer kennis genomen van door ex-werknemer overgelegde informatie vanuit de behandelend sector, namelijk informatie van PACT van 10 oktober 2018, informatie van Mediant van 6 januari 2020, en de ontslagbrief van GGNet [locatie] van 2 mei 2024.
3.5.1.
De eerste arbeidsongeschiktheidsdag van de ex-werknemer is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht vastgesteld op 7 juni 2020. Deze concludeert dat er onvoldoende redenen zijn om aan te nemen dat ex-werknemer arbeidsongeschikt was op het moment dat hij bij eiseres in dienst trad. Niet kan worden vastgesteld dat de hersteldmelding bij ROC [plaats] per 31 januari 2020 ten onrechte heeft plaatsgevonden. Ex-werknemer had immers concreet zicht op hervatting in een nieuwe functie en deze heeft ook plaatsgevonden, zonder noemenswaardig verzuim tot 7 juni 2020. Ook was de behandeling die hij had voor zijn klachten beëindigd, waarbij door de behandelaar wel werd genoteerd dat er nog klachten bestonden, maar niet dat het beëindigen van de behandeling afgeraden werd. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat er ook verschillende niet-medische factoren bijdroegen aan het voortduren van het verzuim vanaf 1 mei 2019.
3.5.2.
Over de duurzaamheid stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er op lange termijn een redelijk tot goede kans is op verbetering van de belastbaarheid. Op het moment van beoordelen, en ook op dit moment, is ex-werknemerniet beschikbaar voor werk vanwege opname in een instelling. Gelet op de verwachte behandelduur is de verwachting dat verbetering van de belastbaarheid niet in het eerstkomende jaar verwacht kan worden, maar wel in de periode daarna, al valt een exacte inschatting daarvan nu nog niet te maken. Uit de inlichtingen van de behandelaars blijkt dat er stappen worden gezet in de behandeling die gericht zijn op het laten terugkeren van ex-werknemer in de maatschappij. Gelet op zijn langdurige arbeidsverleden in het onderwijs valt daarbij niet uit te sluiten dat ook herstel voor het eigen werk op langere termijn tot de mogelijkheden kan behoren. Uit het gesprek met ex-werknemer en de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gebleken dat geen moment sprake is geweest van duurzame arbeidsongeschiktheid. Daarom, en omdat op dit moment niet valt te zeggen of bepaalde beperkingen blijvend zullen zijn, is het niet mogelijk om nu een fictieve Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen met daarin alleen de duurzame beperkingen.
Bestreden besluit II, herbeoordeling per 14 maart 2024
3.6
In bestreden besluit II heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat de ex-werknemer ook op 14 maart 2024 volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Op de lange termijn kan zijn belastbaarheid nog verbeteren. Dit besluit is onder meer gebaseerd op de rapportage van de verzekeringsarts van 11 maart 2024 en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 juni 2025.
3.6.1.
De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en ex-werknemer psychisch onderzocht op het spreekuur van 11 maart 2024. Hij heeft geschreven dat ex-werknemer nog is opgenomen en dat het wel beter gaat, maar dat hij nog wel stress heeft en prikkelgevoelig is. Aangezien ex-werknemer geruime tijd goed in het onderwijs heeft kunnen functioneren en in de huidige setting veel leert over zijn mogelijkheden en grenzen, is de verwachting dat hij na de opname en een vervolg van ambulante begeleiding weer belastbaar zal zijn voor arbeid. De functionele mogelijkheden zullen op lange termijn in belangrijke mate toenemen.
3.6.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ex-werknemer op 16 mei 2025 gesproken tijdens een medisch onderzoek. Ook heeft hij onder meer kennis genomen van de onder 3.5 genoemde door ex-werknemer overgelegde informatie vanuit de behandelend sector. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat duidelijk is dat ex-werknemer op de datum geding niet belastbaar was vanwege een opname. Vanwege de verwachte duur van de opname, gevolgd door de huidige intensieve therapievormen, kan het ontstaan van belastbaarheid pas na het eerstkomende jaar verwacht worden. De inschatting van de primaire verzekeringsarts dat dan van een redelijk tot goede kans op herstel c.q. ontstaan van arbeidsmogelijkheden gesproken kan worden, wordt gestaafd door de in bezwaar verkregen gegevens. Hiervoor wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de ontslagbrief van GGNet [locatie] van 2 mei 2024. Uit het beschreven verloop van de behandeling blijkt dat ex-werknemer zich ten aanzien van alle behandeldoelen positief ontwikkelt en dat de verwachting is dat deze ontwikkeling zich na afloop van de opname, en met ondersteuning van ambulante behandeling, daarna zal doorzetten. Ook komt uit het gesprek met ex-werknemer naar voren dat verbetering nog altijd plaatsvindt, maar dat de overgang van de opnamesetting naar het dagelijks leven niet gemakkelijk voor hem is geweest. Gezien de bevindingen bij onderzoek, de onderliggende medische problematiek en de door ex-werknemer genoemde adviezen van zijn huidige behandelaars, is het voorstelbaar dat hij in de toekomst beperkt zal blijven voor stressvolle situaties (onverwachte gebeurtenissen, conflicten) en overmatige prikkels (geluid, drukke omgevingen). Van andere blijvende beperkingen, laat staan volledige arbeidsongeschiktheid, kan nu niet gesproken worden.
Toekenning IVA-uitkering per 1 maart 2025
3.7.
Bij besluit van 7 oktober 2025 heeft het UWV ex-werknemer met ingang van
1 maart 2025 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt geacht en hem met ingang van die datum in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Dit besluit berust onder meer op een onderzoek van de verzekeringsarts van 2 oktober 2025. Deze heeft geconcludeerd dat verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten. In maart 2025 was ex-werknemer niet meer opgenomen, maar er was op dat moment nog wel sprake van ernstige en forse problematiek. Er was feitelijk nog sprake van een situatie van marginale mogelijkheden. Een FML is daarom opgesteld. De voornaamste beperkingen liggen daarbij op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren en op energetisch vlak. Omdat de eerste ziektedag door het UWV eerder op 7-1-2020 is gesteld en omdat het naar verwachting nog geruime tijd zal gaan duren voordat ex-werknemer weer stabiel genoeg is om loonvormende arbeid te kunnen verrichten, heeft de verzekeringsarts ervoor gekozen om de beperkingen nu wel duurzaam te achten.

Standpunten van partijen

Standpunt van het UWV
4.1.
Het UWV heeft zich in verweer op het standpunt gesteld dat de bestreden besluiten juist zijn. Ook heeft het UWV medische rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 augustus 2025 en van 3 november 2025 overgelegd. Op 11 augustus 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten behoeve van de beoordeling van de duurzaamheid de blijvende beperkingen vastgelegd in een fictieve FML. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van deze fictieve FML functies kunnen duiden, die leiden tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 49,82%.
Beroepsgronden
4.2.
Eiseres voert aan dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van de ex-werknemer niet juist is vastgesteld, deze moet in 2019 liggen. Ex-werknemer is niet hersteld uit dienst gegaan bij zijn vorige werkgever. Daartoe is onder meer gewezen op het afsluitende verslag van zijn toenmalige behandelaar bij Mediant. Hij heeft nooit volledig in zijn eigen werk als middelbare school-docent hervat. Eiseres wijst op het verschil in maatgevende arbeid tussen docent middelbare school en docent basisschool. Ex-werknemer heeft nadien mogelijk ook geen medische hulp gezocht vanwege de corona-maatregelen. Het UWV heeft daarom teveel waarde gehecht aan het feit dat er geen ziekmeldingen bekend zijn van voor 7 juni 2020.
Gezien bovenstaande is volgens eiseres sprake van een doorlopende ziekmelding sinds 1 mei 2019. Met het bestreden besluit heeft het UWV niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank, omdat het bestreden besluit nog steeds onvoldoende gemotiveerd is.
Ten slotte stelt eiseres dat de ex-werknemer tweemaal door dezelfde verzekeringsarts bezwaar en beroep is gezien. Eenmaal in bezwaar, en eenmaal na de terugverwijzing door de rechtbank. Dit is onzorgvuldig.
4.3.
Eiseres stelt dat, als de eerste arbeidsongeschiktheidsdag toch 7 juni 2020 is, de uitkeringslasten van de loonsom naar analogie van artikel 72, tweede lid, van de Wet WIA naar rato moeten worden verhaald op ROC [plaats] en Stichting Consent, indien de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 7 juni 2020 wordt vastgesteld. Eiseres heeft immers niet de kans gehad om ex-werknemer te laten re-integreren.
4.4.
Verder stelt eiseres dat het UWV het IVA toetsingskader onvoldoende heeft gevolgd. Waarom na het eerste jaar een verbetering van de belastbaarheid kon worden verwacht heeft het UWV onvoldoende onderbouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat de ingezette behandeling gericht is op het verbeteren van functioneren. Onduidelijk is om welk functioneren dit specifiek gaat. Onduidelijk blijft daarom of het hierbij gaat om functioneren in de huiselijke sferen, in de maatschappij of in arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep baseert de conclusie dat er nog een redelijke tot goede kans op ontstaan van arbeidsmogelijkheden bestaat op de ontslagbrief van GGNet [locatie] van 2 mei 2024. Eiseres leest hierin echter dat de hulpvraag vanuit verwijzer alsook de hulpvraag van patiënt niet gericht is op terugkeer in arbeid. Onvoldoende is onderbouwd waarom er geen fictieve FML is opgesteld, aangezien uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep lijkt te volgen dat een aantal beperkingen wel degelijk duurzaam zullen zijn.
4.5.
Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat er een discrepantie is tussen de in de informatie van GGNet [locatie] beschreven risicofactoren en de door het UWV in de fictieve FML opgenomen beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft die discrepantie niet gemotiveerd.

Beoordeling door de rechtbank

5.1.
De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de bestreden besluiten aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het UWV de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist heeft vastgesteld, of de WIA-uitkering op de juiste wijze wordt toegerekend en ten slotte of de ingangsdatum van de IVA-uitkering terecht is en op de juiste wijze tot stand is gekomen.
Eerste arbeidsongeschiktheidsdag
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht op 7 juni 2020 heeft vastgesteld en dat dit voldoende is onderbouwd.
Zij geeft daarvoor de volgende redenen.
5.2.1.
Uitgangspunt is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat in het geval een belanghebbende werkgever in geschillen met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidswetten de (mate van) arbeidsongeschiktheid van een (ex)werknemer betwist, de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het UWV het besluit over die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk motiveert. [2] Daarbij is het mogelijk dat een werknemer zich met terugwerkende kracht ongeschikt meldt. [3]
5.2.2.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van geschiktheid voor het eigen werk moet volgens vaste rechtspraak worden uitgegaan van de functie zoals de ex-werknemer die laatstelijk voor het intreden van haar arbeidsongeschiktheid vervulde, dat wil zeggen het werk als docent basisschool. [4] Gelet op deze vaste rechtspraak wordt eiseres dan ook niet gevolgd in haar betoog dat gekeken zou moeten worden naar de geschiktheid van het werk als middelbare school docent. Enkel als zou komen vast te staan dat het werk als basisschooldocent nimmer geschikt is geweest voor ex-werknemer, dan zou dit ter beoordeling voor komen liggen.
5.2.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat er onvoldoende redenen zijn om aan te nemen dat ex-werknemer arbeidsongeschikt was op het moment dat hij bij eiseres in dienst trad. De rechtbank verwijst naar wat is opgenomen onder 3.5.1. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag van de ex-werknemer is daarom terecht vastgesteld op 7 juni 2020. Het UWV heeft voldaan aan de opdracht die de rechtbank in de uitspraak van 17 juli 2024 heeft gegeven, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ex-werknemer nu wel heeft gesproken en nadere medische informatie heeft betrokken bij zijn afweging. Zijn conclusies heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende onderbouwd in de rapportage van 3 juni 2025. Dat het UWV een andere verzekeringsarts bezwaar en beroep had moeten inschakelen na gegrondverklaring van het beroep wordt door de rechtbank niet gevolgd. Dat de beoordeling van deze verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende zorgvuldig zou zijn is onvoldoende onderbouwd door eiseres.
Toerekening van de uitkeringslasten
5.3.
Het beroep van eiseres op analoge toepassing van artikel 72, tweede lid, van de Wet WIA kan niet slagen. In de bestreden besluiten is namelijk geen beslissing genomen over de toerekening van de uitkeringslasten. Dit kan in de onderhavige geschillen daarom niet aan de orde komen.
Ingangsdatum IVA-uitkering
5.4.
Om in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering moet vast komen te staan dat ex-werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt, wanneer diegene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Op grond van het derde lid van dit artikel wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
5.5.
Volgens vaste rechtspraak moet de verzekeringsarts zich een oordeel vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op een WIA-uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Indien van een stabiele of verslechterende situatie wordt uitgegaan voor het eerste jaar moet de vaststelling dat in de periode daarna sprake is van een meer dan geringe kans op herstel concreet en toereikend worden onderbouwd.
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk en concreet heeft gemotiveerd dat er op lange termijn een redelijk tot goede kans is op verbetering van functionele mogelijkheden van ex-werknemer. De rechtbank verwijst naar wat is opgenomen onder 3.5.2, 3.6.1 en 3.6.2. Niet in geschil is dat ex-werknemer op de te beoordelen data, 23 januari 2023 en 14 maart 2024 nog was opgenomen in een instelling en dat hij daardoor geen benutbare mogelijkheden had. Vanaf maart 2025 werd ex-werknemer ambulant behandeld en zou alleen in dat opzicht zijn belastbaarheid al toenemen. In de tussenliggende periode en ook daarna heeft hij een veelvoud aan behandelingen gehad. Deze behandelingen waren en zijn er op gericht om ex-werknemer om te leren gaan met zijn beperkingen als gevolg van zijn aandoening. Van groot belang is dat ex-werknemer zich blijkens de medische informatie positief blijft ontwikkelen. Het UWV heeft overtuigend toegelicht dat het voorstelbaar is dat ex-werknemer beperkt zal blijven voor stressvolle situaties en overmatige prikkels, maar dat er geen reden is om aan te nemen dat dit ook geldt voor andere functionele mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er terecht op gewezen dat de door GGNet [locatie] genoemde risicofactoren niet gelijk te stellen zijn aan beperkingen als rechtstreeks gevolg van ziekte en/of gebrek.
Passeert de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb?
6. Eerst in beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend met betrekking tot de duurzame beperkingen een FML opgesteld.
De bestreden besluiten zijn daarom in strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Het is niet aannemelijk dat belanghebbende door schending van het motiveringsbeginsel is benadeeld, omdat eerdere kennisname ervan niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Daarom passeert de rechtbank het gebrek.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Het UWV moet wel het griffierecht inzake het beroep 25/1916 aan eiseres vergoeden. Dit omdat het UWV eerst in de beroep een FML met duurzame beperkingen heeft overgelegd. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres beroepschriften heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De rechtbank gaat daarbij uit van samenhangende zaken. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht in beide zaken van in totaal € 770,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De rechter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1415.
3.zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 27 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2855 en 15 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:344.
4.zie de uitspraken van de CRvB van 19 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:817, 3 februari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV2007 en 3 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2388.