ECLI:NL:RBOVE:2025:7309

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
ak_25_1692
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WWArt. 7:610 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WW-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding tussen mantelzorger en zorgontvanger

Eiseres werkte als zorgverlener voor haar dochter, waarbij zij 40 uur betaalde zorg verleende op basis van een modelzorgovereenkomst met een familielid. Na het overlijden van haar dochter vroeg zij een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens het ontbreken van een gezagsverhouding, waardoor geen sprake was van een werknemer in de zin van de WW.

De rechtbank oordeelt dat hoewel eiseres arbeid heeft verricht en loon ontving, de essentiële voorwaarde van een gezagsverhouding ontbreekt. De zorgovereenkomst bevatte geen afspraken over belangrijke arbeidsvoorwaarden zoals vakantiedagen en ziekmelding, en er was geen bewijs dat de dochter controle uitoefende over de uitvoering van het werk.

De rechtbank volgt het standpunt van het UWV en de Belastingdienst dat de arbeidsrelatie werd beheerst door de familierelatie en dat daardoor geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond. De stelling van eiseres dat sprake is van discriminatie wordt niet gevolgd omdat de wet geen onderscheid maakt tussen formele en informele zorgverleners.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een gezagsverhouding.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1692

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. M.P. Smit,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(UWV),
gemachtigde: [gemachtigde].

Procesverloop

1.1.
Bij besluit van 20 november 2024 heeft het UWV geweigerd eiseres met ingang van 1 november 2024 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen.
1.2.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend. Met het bestreden besluit van
14 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dit besluit gebleven.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres werkte vanaf 1 december 2013 als zorgverlener voor haar dochter, die houder was van een persoonsgebonden budget en een meerzorg-budget. Eiseres verleende 80 uur per week zorg; 40 uur als mantelzorg en 40 uur betaald. De betaalde zorg heeft zij verleend op basis van een zogenoemde ‘modelzorgovereenkomst met een partner of familielid’. Zij ontving via de Sociale Verzekeringsbank (SVB) loon voor de zorgverlening aan haar dochter. Eiseres heeft na het overlijden van haar dochter een WW-uitkering aangevraagd. Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals genoemd onder ‘Procesverloop'.

Standpunten van partijen

3.1.
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres geen recht heeft op een WW-uitkering. Vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding kan eiseres niet worden aangemerkt als werknemer. Daarbij heeft het UWV erop gewezen dat de Belastingdienst op 9 maart 2020 al een beschikking inzake een eventuele verzekeringsplicht heeft afgegeven. Hierin werd vastgesteld dat eiseres niet verplicht verzekerd is voor de werknemersverzekeringen. De basis hiervoor is gelegen in het feit dat de arbeidsrelatie werd beheerst door de familierelatie. Op grond van de in bezwaar aangeleverde documenten, is niet gebleken van gewijzigde feiten en omstandigheden die een afwijkend standpunt zouden rechtvaardigen. Op basis van eigen onderzoek onderschrijft het UWV het standpunt van de Belastingdienst.
3.2.
Eiseres stelt dat zij aanspraak zou moeten kunnen maken op een WW-uitkering nu haar situatie gelijkwaardig of zelfs nog zwaarder was dan de professionele zorgverleners in het team. Eiseres heeft haar dochter verzorgd in een team van 8 personen. Zij heeft hiervoor haar werk moeten opgeven. Zonder informatie over de gevolgen, heeft eiseres conform de informatie op de website van de SVB een zorgovereenkomst voor een familielid gekozen. Dat er andere opties waren met een officieel vangnet van sociale voorziening en pensioenaanspraken, werd uit de website van de SVB helemaal niet duidelijk. Eiseres is van oordeel dat er geen rechtvaardiging is voor het onderscheid tussen formele/professionele zorgverleners en informele (familie)zorgverleners. Bovendien lijkt duidelijk dat er veel meer vrouwen worden getroffen door dit ongerechtvaardigde verschil in behandeling, hetgeen discriminatie oplevert.
Los daarvan is eiseres van mening dat er wel sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen moeder en dochter. Hoewel de dochter van eiseres door haar cerebrale parese ernstige epilepsie had en niet heeft kunnen leren praten, heeft zij altijd wel duidelijk kunnen maken hoe zij verzorgd wilde worden.

Toetsingskader

4.1.
Uit de wet volgt dat iemand verzekerd moet zijn voor de WW om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering. Dat is het geval als de aanvrager als werknemer kan worden beschouwd in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Daarbij is het de vraag of sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 7:610 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van (1) een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, (2) een gezagsverhouding en (3) een verplichting tot het betalen van loon. [1]
4.2.
Als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding geldt of kan worden gezegd dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de werkgever en dat de werkgever bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en de resultaten van het werk. [2]
4.3.
De bewijslast rust op de aanvrager van de uitkering. Het is dus aan eiseres om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht een WW-uitkering aan eiseres heeft geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
6. Niet in geschil is dat eiseres arbeid heeft verricht en hiervoor loon heeft ontvangen. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of sprake was van een gezagsverhouding tussen eiseres en haar dochter.
6.1.
Het bestaan van een familierelatie, zoals bij eiseres en haar dochter, betekent niet per definitie dat geen sprake kan zijn van een gezagsverhouding. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding of aangenomen kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van degene met wie de overeenkomst is aangegaan. Ook in die situatie kan een gezagsverhouding blijken uit het feit dat – in dit geval – de dochter van eiseres bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. De familierelatie is wel een element dat daarbij betrokken moet worden. [3]
6.2.
Uit de rechtspraak volgt dat voor de vraag of er sprake is van gezag, wordt meegewogen of er in de zorgovereenkomst afspraken zijn gemaakt over de essentiële onderwerpen van een arbeidsovereenkomst. [4] De rechtbank acht het begrijpelijk dat in een situatie als deze niet alles tot in detail geregeld is. Desalniettemin zijn in de zorgovereenkomst geen afspraken opgenomen over een aantal essentiële onderwerpen van een arbeidsovereenkomst, zoals vakantiedagen, overuren en de procedure rond ziekmelding en vervanging bij ziekte en verlof.
6.3.
Hoewel kan worden aangenomen dat de dochter van eiseres non-verbaal duidelijk kon maken hoe zij verzorgd wilde worden, betekent dat nog niet dat sprake was van een gezagsverhouding tussen eiseres en haar dochter. Deze aanwijzingen en instructie betroffen immers de invulling van de zorg die eiseres verleende. Niet is gebleken dat eiseres door haar dochter ter verantwoording werd geroepen met betrekking tot de wijze waarop zij haar werkzaamheden uitvoerde, er controle plaatsvond en/of dat de dochter ook beslissingen nam over bijvoorbeeld de werktijden en vakanties, waardoor er dus geen sprake was van een gezagsverhouding.
6.4.
De rechtbank heeft bij het vorenstaande verder in aanmerking genomen dat de Belastingdienst bij beschikking van 9 maart 2020 heeft geantwoord op het verzoek van eiseres om vast te stellen of de arbeidsrelatie tussen eiseres en haar dochter kwalificeert als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De belastingdienst heeft vastgesteld dat uit de aangeleverde informatie blijkt dat de arbeidsrelatie tussen eiseres en haar dochter in overwegende mate wordt beheerst door de familierelatie. De Belastingdienst heeft overwogen uit de brief van eiseres niet te kunnen opmaken/concluderen dat er sprake is van een gezagsverhouding. Een gezagsverhouding is in onvoldoende mate aanwezig om te stellen dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Daarom is er geen sprake van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen.
6.5.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat sprake is van ongeoorloofde discriminatie. De WW-uitkering is geweigerd omdat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en haar dochter. Artikel 3 van Pro de WW geldt voor iedere werknemer en maakt geen onderscheid. De stelling dat sprake is van een indirect onderscheid is door eiseres niet concreet gemotiveerd onderbouwd. [5]

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op 6. tot en met 6.5, heeft het UWV terecht geweigerd eiseres een WW-uitkering toe te kennen.
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:445.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2882.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:252.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1236 en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 februari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2883.
5.Zie de uitspraak van de CRvB van 6 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2182.