Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaken tussen
[eiser], uit [plaats 2], eiser in LEE 25/2130
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
Samenvatting
Procesverloop
17 februari 2025 afgewezen. Daarbij heeft het Instituut – op basis van het juridisch kader voor het vergoeden van immateriële schade en de methodiek die het Instituut gebruikt en de afwegingen die zijn gemaakt bij de totstandkoming hiervan [1] – overwogen dat er in de situatie van eisers onvoldoende concrete aanwijzingen zijn om een persoonsaantasting aan te nemen. [2] Met de twee bestreden besluiten van 28 april 2025 op de bezwaren van eisers is het Instituut bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
Beoordeling door de rechtbank
3 oktober 2021 heeft vanuit de NCG een opname plaatsgevonden om te beoordelen of het gebouw veilig was. Bij besluit van 2 oktober 2023 heeft de NCG aan eisers meegedeeld dat de woning voldoet aan de veiligheidsnorm en dat de woning niet hoeft te worden versterkt. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 3 oktober 2024 heeft de NCG het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
zijn woning. [8] Het Instituut wijst erop dat eisers voor en tijdens de aanvraag in een woning (in [plaats 1]) woonden die geen onderdeel uitmaakte van de versterkingsoperatie. Ook de door het Instituut op 26 april 2021 uitgekeerde vergoeding van € 17.324,63 aan fysieke schade voor de woning in [plaats 2] is niet bij de beoordeling betrokken, omdat eisers destijds daar niet woonden. Alleen de gebouwen die gelden (of golden) als het hoofdverblijf van de aanvrager kunnen input vormen voor de gestandaardiseerde methode. Met de gestandaardiseerde methode heeft het Instituut invulling gegeven aan de vraag welke (combinatie van) (concrete) omstandigheden ertoe kunnen leiden dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zó voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. [9] Met betrekking tot het standpunt over het hoofdverblijf wijst het Instituut op rechtspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. [10] Wat de hinder door het wachten op uitsluitsel over de eventuele versterking betreft, voert het Instituut aan dat navraag bij de NCG leert dat eisers vanuit de NCG recht hebben op een eenmalige vergoeding van
€ 2.500,-. [11]
Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij de beoordeling van de verzoeken van eisers om immateriële schadevergoeding toe te kennen, anders dan de gestandaardiseerde methode voorschrijft, rekening moet worden gehouden met (de omstandigheden betreffende) de woning in [plaats 2] die deel uitmaakt van de versterkingsoperatie en waarvan de afwikkeling door het beroep van eiser tegen het NCG-besluit nog steeds niet definitief is afgerond.
“de overlast van het lange wachten en de onzekerheid over de versterking.”Het Instituut ziet in dat wat eisers schrijven geen grondslag om zelf een vergoeding toe te kennen. In de bestreden besluiten is hierover (op blz. 3) opgemerkt dat de door eisers genoemde omstandigheden als onzekerheid en onduidelijkheid zijn meegewogen in de PIA, die in de situatie van eisers heeft geleid tot profiel 3 (ernstig ervaren leed). Bij twee punten (zoals hier het geval is) en een PIA met profiel 3 levert dit voor de toegepaste Procedure en Werkwijze evenwel geen vergoeding op. Pas bij drie punten en een PIA met profiel 2, 3 of 4 wordt een vergoeding van € 1.500,- toegekend.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr. P. van der Stroom, leden, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier.