ECLI:NL:RBNNE:2026:2741

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
25/3586 + 25/3589
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 35 PWArt. 7:11 AwbArt. 7:1a AwbArt. 3:15 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor autokosten wegens ontbreken noodzakelijkheid

Eiser heeft twee aanvragen ingediend voor bijzondere bijstand voor reparatiekosten van zijn auto, welke door het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen zijn afgewezen omdat het bezit van een auto niet noodzakelijk wordt geacht. Eiser betoogt dat hij de auto nodig heeft als mantelzorger en dat de oudere beleidsregels op zijn situatie van toepassing zijn, maar de rechtbank oordeelt dat de nieuwe beleidsregels gelden en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto noodzakelijk is.

De rechtbank overweegt dat het college een gebonden bevoegdheid heeft op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet en dat er geen ruimte is voor een belangenafweging of toepassing van het evenredigheidsbeginsel, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, noch dat het college onrechtmatig heeft gehandeld.

Verder wordt geoordeeld dat er geen sprake is van misbruik van recht door eiser, ondanks het feit dat hij meerdere keren bijzondere bijstand heeft aangevraagd en geprocedeerd heeft. De verzoeken om schadevergoeding, dwangsom en ontzetting van rechten worden afgewezen. De beroepen worden ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De beroepen van eiser tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor autokosten worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/3586 en 25/3589

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaken tussen

[eiser], uit [plaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen, het college

(gemachtigde: mr. V. Djordjevic).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over twee besluiten waarin het college aanvragen van eiser voor bijzondere bijstand voor reparatiekosten voor zijn auto heeft afgewezen. Eiser is het daarmee niet eens.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Het college heeft eisers aanvragen met twee afzonderlijke primaire besluiten van 9 september 2025 afgewezen.
1.1.
Eiser heeft in de bezwaarschriften het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Het college heeft ingestemd met eisers verzoeken [1] en op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 juli 2026 samen op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser heeft op 21 juli 2025 (LEE 25/3586) en op 28 juli 2025 (LEE 25/3589) bijzondere bijstand aangevraagd voor reparaties aan zijn auto. Zijn aanvraag van 21 juli 2025 ziet op facturen van een autobedrijf van 8 juli 2025 van € 123,35 (onder meer een tankdop) en van 19 juli 2025 van € 614,87 (onder meer APK en remschijven). Zijn aanvraag van 28 juli 2025 ziet op een bedrag van € 90,00 voor montage van een rechterbuitenspiegel.
2.1.
Met twee afzonderlijke besluiten van 9 september 2025 heeft het college eisers aanvragen afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het hebben van een auto niet noodzakelijk is en daarom ook de daarmee samenhangende kosten niet. Het college heeft in die zin eerder besloten op dergelijke aanvragen van eiser voor reparatiekosten. Het college verwijst naar zijn eerdere beslissingen hierover.
Wat vindt eiser?
3. Eiser stelt dat hij de auto nodig heeft om als mantelzorger zijn ouders naar het ziekenhuis te kunnen brengen en om zijn ouders te ondersteunen. Daarnaast is de ouderdom van de auto een bijzondere omstandigheid. Bij de aankoop van zijn auto zijn namelijk de gebreken niet aan hem verteld en die hebben zich vervolgens voorgedaan. Eiser betoogt dat de Beleidsregels bijzondere bijstand (de Beleidsregels) die tot 1 januari 2025 golden van toepassing zijn op zijn aanvragen, nu het college verwezen heeft naar zijn eerdere beslissingen. De Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Heerenveen 2025 (de Beleidsregels 2025) zijn ongunstiger voor hem zodat hij in een slechtere positie terecht is gekomen en dat is in strijd met het verbod van reformatio in peius. Er heeft geen belangenafweging plaatsgevonden en de besluitvorming is in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het college heeft daarom onrechtmatig gehandeld. Eiser vordert schadevergoeding, onder meer € 1.400 voor de aanschaf van de auto en € 5.000 aan immateriële schadevergoeding. Van misbruik van recht is geen sprake. Hij vordert een dwangsom van € 50.000 voor toekomstige gevallen dat het college ten onrechte stelt dat sprake is van misbruik van recht. Ten slotte vordert hij een ontzetting van rechten van het college voor een periode van vijf jaar.
Wat vindt het college?
4. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser in de periode van 11 augustus 2023 tot en met maart 2026 veertien maal bijzondere bijstand voor reparatiekosten van zijn auto heeft aangevraagd. Deze zijn dertien maal afgewezen omdat geen sprake is van noodzakelijke kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De laatste aanvraag is afgewezen omdat de kosten zich niet voor hebben gedaan. Eiser weet dat deze aanvragen niet vergoed worden. Zijn bezwaren en beroepen hierover zijn ongegrond verklaard. Drie verzoeken om voorlopige voorzieningen heeft eiser kort voor de zitting ingetrokken. Drie hoger beroepen zijn nog aanhangig. Hij legt hiermee een onevenredig groot beslag op de gemeentelijke organisatie. Inmiddels is het punt bereikt dat sprake is van misbruik van recht.
Wat vindt de rechtbank?
5. De rechtbank zal eerst beoordelen of de beroepen van eiser niet-ontvankelijk verklaard moeten worden wegens misbruik van recht.
6. Ingevolge artikel 3:13, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. In het tweede lid is bepaald dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Ingevolge het derde lid kan uit de aard van een bevoegdheid voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt. Gelet op de aard van de rechtsbetrekking is dit artikel ook van toepassing in een bestuursrechtelijk geschil dat misbruik van bevoegdheid betreft. [2]
6.1.
De rechtbank overweegt dat voor het niet-ontvankelijk verklaren van een rechtsmiddel wegens misbruik van recht, vereist is dat daartoe zwaarwichtige gronden bestaan. Dit uit oogpunt van rechtsbescherming, omdat -in dit geval- het college over bevoegdheden beschikt die eiser niet heeft. Zwaarwichtige gronden zijn onder meer aanwezig indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op de door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat sprake is van misbruik van recht.
6.2.
Dat eiser in een periode van bijna drie jaar veertien maal bijzondere bijstand heeft aangevraagd voor kosten van zijn auto en daarover geprocedeerd heeft bij het college en de rechtbank acht de rechtbank op zichzelf geen bovenmatige belasting van het gemeentelijk apparaat. Van misbruik van recht is reeds daarom geen sprake. Dat eiser kan weten dat deze kosten niet vergoed zullen worden, volstaat daartoe ook niet. Hij heeft een reëel geschilpunt met het college en het instellen van bezwaar en beroep heeft een redelijk doel. Weliswaar heeft de rechtbank in eerdere uitspraken [3] geoordeeld dat zijn beroepen over de kosten van zijn auto ongegrond zijn, maar eiser heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in die zaken nog geen uitspraak gedaan, zodat nog geen onherroepelijk oordeel is gegeven. Deze omstandigheden wijken daarom af van de omstandigheden die geleid hebben tot de uitspraak van de CRvB van 9 februari 2021 [4] , waar het college naar heeft verwezen. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de bevoegdheid tot het doen van aanvragen en het in verband daarmee instellen van bezwaar en beroep zodanig evident is aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven is, dat het aanwenden van die bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.
7. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of het college terecht de aanvragen van eiser om bijzondere bijstand voor de reparatiekosten van zijn auto heeft afgewezen. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW) moet eerst beoordeeld worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen. Vervolgens dient beoordeeld te worden of die kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het college een zekere beoordelingsvrijheid. [5]
7.2.
Op eisers aanvragen van juli 2025 zijn de Beleidsregels 2025 van toepassing, nu deze beleidsregels met ingang van 1 januari 2025 in werking zijn getreden en de oude Beleidsregels per die datum zijn ingetrokken. [6]
8. In geschil is of de reparatiekosten van de auto noodzakelijk zijn. Omdat eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd moet hij aannemelijk maken dat de kosten noodzakelijk zijn. [7]
8.1.
Eiser is daarin niet geslaagd. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat een auto voor hem noodzakelijk is in zijn rol als mantelzorger voor zijn ouders. Op de zitting heeft hij bovendien verklaard dat zijn ouders een auto hebben. Aannemelijk is dan dat hij gebruik kan maken van hun auto, indien zijn ouders niet in staat zouden zijn om zelf daarin te rijden. Het college heeft de aanvragen om bijzondere bijstand dan ook reeds hierom terecht afgewezen. Daar komt bij dat ouderdom van een auto en eventuele gebreken daaraan bij de aanschaf geen bijzondere omstandigheden opleveren, nog daargelaten dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de reparaties in juli 2025 daarmee verband houden.
8.2.
Ook in hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de besluiten van het college onjuist zijn.
8.3.
Vooropgesteld moet worden dat individuele bijzondere bijstand ‘
bij uitstek een kwestie van maatwerk’is. Uit de tekst en uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 35, eerste lid, van de PW volgt dat geen sprake is van een discretionaire, maar van een gebonden bevoegdheid. [8] Deze bepaling is dwingendrechtelijk geformuleerd. Het staat de bijstandverlenende instantie niet vrij om te bepalen in welke gevallen en gelet op welke belangen bijzondere bijstand wordt verleend. Algemeen, generiek inkomensbeleid is voorbehouden aan het Rijk. De gemeenten hebben dan ook in beginsel geen bevoegdheden om op lokaal niveau een categoraal beleid inzake bijzondere inkomensaanvulling te voeren. Het betrokken bestuursorgaan is gehouden de bijzondere bijstand te verlenen als is voldaan aan de wettelijke toepassingsvoorwaarden voor de uitoefening van die gebonden bevoegdheid. Alleen ten aanzien van de beoordeling of aan de toepassingsvoorwaarde van het ontbreken van draagkracht is voldaan, heeft de bijstandverlenende instantie ruimte en kan die in dat kader beoordelingsbeleid hanteren. Dit betekent dat het college bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW geen ruimte heeft om een belangenafweging te maken met betrekking tot het wel of niet verlenen van bijzondere bijstand. [9]
8.4.
De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand berust – zoals gezegd – op een gebonden bevoegdheid op grond van een wet in formele zin. [10] Het is vaste rechtspraak dat een bepaling van een wet in formele zin niet exceptief kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, maar dat het onder bepaalde omstandigheden wel mogelijk is de wet in een concreet geval buiten toepassing te laten. [11] Daarom is voor de beoordeling van deze beroepsgrond van belang of zich bijzondere omstandigheden voordeden die de wetgever niet of niet ten volle heeft verdisconteerd en die de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW zozeer in strijd doen zijn met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing in dit geval achterwege moet blijven.
8.5.
De door eiser gestelde bijzondere omstandigheden, namelijk dat hij niet veilig kan deelnemen aan het verkeer met de auto met toename van kans op letsel, brengen niet met zich dat toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege dient te blijven. Dit betekent dat de vraag of de gestelde bijzondere omstandigheden wel of niet (volledig) door de wetgever zijn verdisconteerd, hier geen afzonderlijke beantwoording behoeft.
8.6.
Eiser heeft een beroep op de hardheidsclausule [12] gedaan. Daaraan heeft het college geen toepassing hoeven geven, nu van onaanvaardbare gevolgen voor eiser niet is gebleken.
8.7.
Het verbod van reformatio in peius houdt in dat de integrale heroverweging in bezwaar niet mag leiden tot een verslechtering van de rechtspositie van de bezwaarmaker. [13] Daarvan is geen sprake, nu zo’n heroverweging niet heeft plaatsgevonden. Dat het college in de bestreden besluiten verwezen heeft naar eerdere beslissingen, neemt niet weg dat het college bij eisers aanvragen toepassing gegeven heeft aan artikel 35 van Pro de PW.
9. Nu de beroepen ongegrond zijn, is er geen sprake van onrechtmatig genomen besluiten. Van een andere onrechtmatigheid op basis waarvan het college schadeplichtig is, is niet gebleken. Eisers verzoeken om schadevergoeding en een dwangsom worden daarom afgewezen.
10. Ontzetting van rechten is een straf in het strafrecht, die het bestuursrecht niet kent. [14] Eiser kan in deze procedure geen straf vorderen.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst de overige verzoeken af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op
www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 3:15 van Pro het BW.
3.Uitspraken van 17 juli 2024, LEE 23/5342 en van 26 maart 2025, LEE 24/2700.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:988.
6.Artikel 20 van Pro de Beleidsregels 2025.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.
9.Uitspraak van de CRvB van 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1383, ro. 4.5.1.
10.Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1383.
11.Uitspraak van de CRvB van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.
12.Artikel 19 van Pro de Beleidsregels 2025.
13.Artikel 7:11 van Pro de Awb. Zie de uitspraak van de CRvB van 6 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1668.
14.Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1, van het Wetboek van Strafrecht.