AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
College mocht omgevingsvergunning voor appartementencomplex met afwijking bestemmingsplan verlenen
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de omgevingsvergunning voor het bouwen van vijf appartementen op een locatie in Groningen. Eisers waren het niet eens met de vergunningverlening en stelden meerdere beroepsgronden aan de orde, waaronder de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan Facetherziening Parkeren en de betrokkenheid van omwonenden.
De rechtbank stelt vast dat het college de vergunning mocht verlenen met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid, omdat de parkeertellingen en parkeerdrukgegevens uit 2022 voldoende inzichtelijk zijn gemaakt en geen sprake is van een onevenredige aantasting van de parkeersituatie of woon- en leefsituatie. Een motiveringsgebrek over het onderzoek naar parkeren op eigen terrein wordt met toepassing van artikel 6:22 AwbPro gepasseerd, omdat het college aannemelijk heeft gemaakt dat een ondergrondse parkeervoorziening financieel niet haalbaar is.
Verder oordeelt de rechtbank dat het college niet verplicht was om omwonenden opnieuw te betrekken bij het besluit, aangezien de aanvraag niet was gewijzigd. De beroepen van eisers worden ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Het college moet het griffierecht aan eisers vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 24/4100 en LEE 24/4528
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen
[naam] uit Groningen, eiser 1 (LEE 24/4100),
[naam] , uit Groningen, eiser 2 (LEE 24/4528),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen
(gemachtigde: R. van Houdt).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit Groningen, vergunninghouder (gemachtigde: mr. S. Maakal).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het oprichten van vijf appartementen op het adres [adres] te Groningen. Eisers zijn het niet eens met die omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning mocht verlenen. De rechtbank laat het bestreden besluit in stand, ondanks een motiveringsgebrek dat met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt gepasseerd. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 16 juli 2020 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het oprichten van vijf appartementen op het adres [adres] te Groningen (het perceel).
2.1.
Op 29 juni 2021 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit bouwen en de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.
2.2.
Tegen de omgevingsvergunning van 29 juni 2021 hebben onder meer eisers beroep ingesteld.
2.3.
Deze rechtbank heeft 17 augustus 2021 een tussenuitspraak gedaan. Op 31 januari 2023 heeft deze rechtbank opnieuw een tussenuitspraak gedaan. In de einduitspraak van 30 november 2023 heeft deze rechtbank het beroep van eisers gegrond verklaard, de omgevingsvergunning vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. [1]
2.4.
Op 17 september 2024 heeft het college de omgevingsvergunning opnieuw verleend. Dit is het bestreden besluit.
2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
Eiser 1 heeft ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. In de uitspraak van 13 december 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen. [2]
2.7.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college vergezeld door C. Woldhuis en S. Ringnalda, en de gemachtigde van vergunninghouder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. In de einduitspraak van 30 november 2023 heeft deze rechtbank het beroep tegen het eerdere besluit op de aanvraag gegrond verklaard, omdat het college niet had onderbouwd dat het gebruik van de afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan Facetherziening parkeren geen onevenredige aantasting van de parkeersituatie in de openbare ruimte en van de woon-en leefsituatie tot gevolg zou hebben. Alle andere beroepsgronden van eisers zijn door de rechtbank verworpen. Tegen de einduitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Naar vaste rechtspraak moet de rechtbank daarom in deze procedure uitgaan van de juistheid van de in de eerdere uitspraken uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordelen. [3] Dat betekent dat de beroepsgronden die eerder zijn verworpen niet tot gegrondverklaring van dit beroep kunnen leiden. Eisers hebben geen gewijzigde feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd op grond waarvan tot een ander oordeel moet worden gekomen. [4]
In deze zaak is nog in geschil of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan Facetherziening Parkeren. Daarnaast is in geschil of het college de omwonenden voldoende heeft betrokken bij de voorbereiding van het (nieuwe) besluit op de aanvraag.
Welk recht is van toepassing?
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op een besluit op een voor 1 januari 2024 ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning blijft het vóór de Omgevingswet geldende recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. [5] De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 juli 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing blijft.
4.1.
Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Bestemmingsplan Facetherziening Parkeren
4.2.
In het bestemmingsplan Facetherziening Parkeren geldt als uitgangspunt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen alleen wordt verleend als bij de aanvraag wordt aangetoond dat in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw of het bijbehorend terrein. [6] Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken in geval van overwegende bezwaren door bijzondere omstandigheden of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien, maar alleen als geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de parkeersituatie in de openbare ruimte en de woon- en leefsituatie. [7] Bij de beoordeling moeten de beleidsregels met betrekking tot het parkeren, geldend op het tijdstip van indiening van de aanvraag, in acht worden genomen. [8] Voor deze aanvraag zijn dat de beleidsregels Parkeernormen 2012. [9]
Beleidsregels Parkeernormen 2012
4.3.
In de Beleidsregels Parkeernormen 2012 (de beleidsregels) is een stappenplan opgenomen over het bepalen en oplossen van de parkeerbehoefte. Het uitgangspunt daarin is het oplossen van de parkeerbehoefte op eigen terrein, maar als dat niet mogelijk is kan worden gekeken naar een particulier alternatief of een oplossing in de openbare ruimte binnen een acceptabele loopafstand van het bouwplan (voor wonen 150 meter). Uit de toelichting op stap 5 van het stappenplan volgt (1) dat er nog parkeerruimte in de openbare ruimte aanwezig wordt verondersteld als uit tellingen blijkt dat de parkeerdruk 85% of minder is, (2) dat er verkeerskundig gezien geen probleem is als de parkeerdruk in de omgeving onder de 85% blijft na de realisering van het bouwplan en (3) dat het college vervolgens met een algemene belangenafweging moet afwegen of hij bereid is om die openbare ruimte aan de aanvrager van de bouwontwikkeling beschikbaar te stellen.
Kon het college voor het parkeren de afwijkingsbevoegdheid toepassen?
Formulering bestemmingsplanvoorschrift
5. Eisers leiden uit de formulering van artikel 4 vanPro het bestemmingsplan Facetherziening Parkeren af dat niet kan worden teruggevallen op reeds bestaande parkeerplaatsen. Een taalkundige uitleg van de tekst dat in parkeerruimte “wordt voorzien” maakt volgens eisers dat parkeerruimte gecreëerd moet worden, hetzij op eigen terrein hetzij elders.
6. Volgens het college kunnen ook bestaande parkeerplaatsen worden meegeteld bij de beoordeling of in de parkeerbehoefte wordt voorzien.
7. Deze beroepsgrond slaagt niet. De uitleg die eisers geven aan het bestemmingsplanvoorschrift is naar het oordeel van de rechtbank te beperkt en vindt geen steun in het bestemmingsplan.
Mogelijkheid van parkeren op eigen terrein
8. Volgens eisers mag alleen in uitzonderlijke gevallen, wanneer parkeren op eigen terrein door bijzondere omstandigheden onmogelijk of onwenselijk is, worden afgeweken van het uitgangspunt dat parkeren op eigen terrein moet worden opgelost. Eisers stellen dat niet blijkt dat vergunninghouder zich heeft ingespannen om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te lossen terwijl dat blijkens de beleidsregels wel gevraagd wordt. Volgens hen is het in strijd met het bestemmingsplan Facetherziening parkeren en de beleidsregels om uit te gaan van parkeren elders.
9. Het college stelt zich op het standpunt dat hij moet beslissen op een aanvraag zoals die wordt ingediend, in dit geval een aanvraag voor appartementen zonder parkeerkelder.
10. De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de mogelijkheid van parkeren op eigen terrein is onderzocht. Het college heeft ook niet kenbaar van vergunninghouder verlangd om die mogelijkheid te onderzoeken. De rechtbank is van oordeel dat het besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.
10.1.
De rechtbank ziet evenwel aanleiding om het motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb. Ter zitting is door het college toegelicht dat zij uit ervaring weet dat het realiseren van een ondergrondse parkeervoorziening erg duur is en bij slechts vijf appartementen financieel niet uitvoerbaar is. Het college heeft daarom geen aanleiding gezien om te vragen om nadere informatie of een berekening. Gemachtigde van vergunninghouder heeft bevestigd dat een ondergrondse parkeervoorziening voor dit bouwplan niet rendabel is. De rechtbank acht deze motivering deugdelijk. Eisers hebben ter zitting op deze nadere motivering kunnen reageren. Zij worden door het passeren van het motiveringsgebrek daardoor niet benadeeld.
Verkeersveiligheid bij parkeren op eigen terrein
11. Volgens eisers zal het gebruik van parkeerplaatsen op het eigen terrein leiden tot gevaarlijke verkeerssituaties bij het op- en afrijden van de [adres] , door slecht tot nagenoeg geen zicht op passerende fietsers en ander verkeer. Eisers verwachten dat bezoekers daarom niet op het eigen terrein zullen parkeren en dat daardoor de parkeerdruk op de openbare ruimte hoger wordt.
12. Het college geeft aan dat de totale parkeerbehoefte van het bouwplan zeven parkeerplaatsen is, waarvan één op eigen terrein wordt aangelegd. De situatie van het parkeren op het eigen terrein verandert wat betreft verkeersveiligheid niet ten opzichte van de huidige situatie. Het college ziet daarin geen reden om niet af te wijken van het bestemmingsplan.
13. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat voor het besluit om af te wijken van het bestemmingsplan Facetherziening parkeren niet van belang is of en in hoeverre parkeren op het eigen terrein leidt tot verkeersgevaarlijke situaties. Het besluit om af te wijken van het bestemmingsplan Facetherziening parkeren ziet alleen op parkeren anders dan op het eigen terrein. Bij het bepalen van de parkeerbehoefte anders dan op eigen terrein is slechts van belang hoeveel parkeerplaatsen van de totale parkeerbehoefte feitelijk op het eigen terrein zijn of worden gerealiseerd.
CROW-cijfers
14. Eisers voeren aan dat in de beleidsregels niet wordt verwezen naar een bepaalde versie van de CROW parkeerkencijfers. Daardoor is niet duidelijk welke versie van de CROW geldt. Volgens eisers leidt een verwijzing naar regels, zonder het noemen van de toepasselijke versie, tot onduidelijkheid over toepasselijke rechtsregels, tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Eisers wijzen daarbij op een uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023. [10]
15. Deze beroepsgrond slaagt niet. Met het college is de rechtbank van oordeel dat de toepasselijke norm is vastgelegd in tabel A1 van de beleidsregels. In de beleidsregels wordt weliswaar ter onderbouwing van de opgenomen parkeernormen verwezen naar publicatie 182 CROW, maar de norm zelf is eenduidig en rechtszeker vastgelegd. In de uitspraak die door eisers is genoemd werd in de (plan)regel verwezen naar een CROW-publicatie en was de norm niet in de regel zelf vastgelegd.
Parkeertellingen en parkeerdruk
16. Volgens eisers kan het college de afwijking van het bestemmingsplan niet baseren op de parkeerdrukgegevens en de parkeertellingen.
16.1.
Eisers voeren daartoe allereerst aan dat de parkeertellingen niet verifieerbaar zijn. Er zijn geen brondata of locatiebepalingen, geen bewijsstukken zoals foto’s en er kan niet worden gecontroleerd wat er in de opdracht stond, wie de tellingen heeft verricht en of er fouten zijn gemaakt.
16.2.
In de tweede plaats voeren eisers aan dat ten onrechte niet is uitgegaan van piekgegevens maar van gemiddelde parkeerdrukcijfers, die een kunstmatig gunstig beeld geven.
16.3.
In de derde plaats voeren eisers aan dat de onderzoeksgegevens niet actueel zijn, namelijk ouder dan twee jaar. De gegevens zijn volgens eisers niet actueel omdat het onderzoek in de coronaperiode is gedaan en er sindsdien veel meer wordt thuisgewerkt, waardoor de werkelijke parkeerdruk hoger zal zijn. Volgens eisers is het een feit van algemene bekendheid dat er sinds corona meer wordt thuisgewerkt.
16.4.
Tenslotte stellen eisers dat in het onderzoek geen rekening is gehouden met veranderingen die van invloed zijn of zullen zijn op de parkeerdruk. Eisers noemen onder meer de bouwprojecten in of aan de [locatie] , de [locatie] , het [locatie] en de [locatie] . Daarnaast wijzen eisers op het vervallen van parkeerplaatsen als gevolg van het verdwijnen van garageboxen en van het aanwijzen van parkeerplaatsen als laadplaatsen, het “autoluw” beleid voor de binnenstad en de wijziging van de parkeerregels per 1 januari 2025.
17. Het college geeft aan dat de totale parkeerbehoefte van het bouwplan zeven parkeerplaatsen is, waarvan voor zes parkeerplaatsen is gekeken naar de in de beleidsregel genoemde mogelijkheid van parkeren in de openbare ruimte binnen een acceptabele loopafstand van 150 meter. Het college stelt zich op het standpunt dat het mocht afgaan op de parkeerdrukgegevens en parkeertellingen van verkeersonderzoeksbureau DataCount over 2022. Het college wijst er op dat DataCount een ISO-gecertificeerd bureau is. Het advies is volgens het college zorgvuldig tot stand gekomen en er is ook geen deskundig tegenadvies overgelegd.
17.1.
Het college geeft aan dat DataCount tijdens meetrondes de 67 openbare parkeerplaatsen heeft bekeken, die aanwezig zijn in een straal van 150 meter vanaf het perceel. Er zijn drie meetrondes gedaan voor de werkdagmiddag, drie meetrondes voor de werkdagnacht en drie meetrondes voor de zaterdagmiddag op tijden die voldoen aan de tijdvensters van het meetprotocol. Per parkeerplaats is de bezetting op dat moment vastgelegd. Aan de hand van de resultaten zijn gemiddelde bezettingscijfers vastgesteld en is de restcapaciteit bepaald. Volgens het college is uitgegaan van gemiddelde bezettingscijfers om uitschieters te voorkomen en is daarbij rekening gehouden met de piekmomenten.
17.2.
Volgens het college waren de tellingen uit 2022 ten tijde van het bestreden besluit in 2024 nog actueel. Er zijn geen ontwikkelingen geweest die tot significante verschillen zouden kunnen leiden en de regels zijn in de periode tussen de tellingen en het bestreden besluit niet gewijzigd. Het college is van mening dat de door eisers gestelde invloed van de corona-beperkingen op de gemeten parkeerdruk niet is onderbouwd. De enkele stelling dat de parkeerdruk door die maatregelen lager zou zijn acht het college onvoldoende. Het college meent dat de parkeerdruk als gevolg van de maatregelen waarschijnlijk hoger is geweest als gevolg van meer thuiswerken.
17.3.
Het college is van mening dat hij geen rekening hoeft te houden met de door eisers genoemde bouwprojecten omdat die op een afstand van meer dan 300 meter van het bouwplan liggen en/of voorzien in parkeren op eigen terrein en dus geen gevolgen hebben voor het bouwplan.
Verder kunnen het vervallen van parkeerplaatsen (als gevolg van het verdwijnen van garageboxen en van het aanwijzen van parkeerplaatsen als laadplaatsen), het “autoluw” beleid voor de binnenstad en de wijziging van de parkeerregels per 1 januari 2025 niet worden meegenomen bij de beoordeling van het beroep omdat het omstandigheden zijn van na het bestreden besluit.
17.4.
Het college komt tot de conclusie dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de parkeersituatie in de openbare ruimte of de woon- en leefsituatie, omdat er na realisering van het bouwplan voldoende restcapaciteit in de openbare ruimte overblijft om het tekort van zes parkeerplaatsen op te vangen. Het college overweegt daartoe dat uit de tellingen en de parkeerdrukgegevens blijkt dat de bezetting op een (gemiddelde) werkdagmiddag en zaterdagmiddag onder de norm van 85% blijft en alleen in de gemiddelde (werkdag)nachtperiode wordt overschreden. Maar omdat in de nachtperiode de parkeerplaats op het naastgelegen perceel kan worden gebruikt (waardoor maximaal vijf auto’s in de openbare ruimte hoeven te parkeren) blijft het bezettingspercentage alsnog onder de norm van 85%.
18. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daarbij het volgende.
18.1.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college in het bestreden besluit uitgaan van tellingen en de parkeerdrukgegevens uit 2022. Uit het bestreden besluit, in combinatie met de onderliggende gegevens van de verrichte parkeertellingen die als bijlage bij het bestreden besluit zijn gevoegd, blijkt dat DataCount op verschillende dagen en tijdstippen heeft gecontroleerd hoeveel parkeerplaatsen bezet waren van de in totaal 67 in het bestreden besluit aangeduide, beschikbare parkeerplaatsen. De controles zijn gedaan op werkdagmiddagen (15 maart 2022, 5 april 2022 en 21 april 2022), op werkdagnachten (16 maart 2022, 30 maart 2022 en 13 april 2022) en op zaterdagmiddagen (19 maart 2022, 9 april 2022 en 16 april 2022). Aan de hand daarvan is per ronde de parkeerdruk gemeten en op basis daarvan zijn de gemiddelde bezettingscijfers berekend. De rechtbank acht het niet onjuist dat bij het bepalen van de parkeerdruk is uitgegaan van gemiddelden. [11]
18.2.
Met de parkeertellingen en de parkeerdrukgegevens uit 2022 heeft het college de cijfers waarop het zijn conclusie baseert, anders dan in het vernietigde besluit, naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt. Duidelijk is hoe, wanneer en op welke dagen en tijdstippen en met welke frequenties de tellingen hebben plaatsgevonden. Voor het inzichtelijk maken van de cijfers acht de rechtbank gegevens zoals de opdracht, wie de tellingen heeft verricht en bewijsstukken zoals foto’s niet vereist. Er is de rechtbank niet gebleken van fouten of zodanige gebreken dat het college de tellingen en parkeerdrukgegevens niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Eisers hebben ook geen fouten of gebreken aangetoond of anderszins, bijvoorbeeld met een contra-expertise van een deskundige, aannemelijk gemaakt dat de tellingen en parkeerdrukgegevens uit 2022 niet correct of niet representatief zouden zijn.
18.3.
Dat de tellingen en parkeerdrukgegevens uit 2022 ten tijde van het bestreden besluit ouder waren dan twee jaar, zij het slechts enkele maanden, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat die tellingen en parkeerdrukgegevens niet aan het besluit ten grondslag mogen worden gelegd. Daarbij betrekt de rechtbank dat niet is gebleken dat die parkeertellingen ten tijde van het bestreden besluit achterhaald zouden zijn en dat eisers ook geen ontwikkelingen hebben aangevoerd waaruit dat zou volgen. [12]
18.3.1.
Verder volgt uit rechtspraak dat op verkeerstellingen die zijn uitgevoerd tijdens een lockdown in de coronaperiode, niet zonder meer een correctie hoeft worden toegepast. [13] De enkele stelling van eiser dat het een feit van algemene bekendheid is dat sinds de coronaperiode meer thuis wordt gewerkt kan de conclusie dat de tellingen en parkeerdrukgegevens niet representatief zijn, niet dragen. Daarbij acht de rechtbank het ook niet aannemelijk dat de tellingen en parkeerdrukgegevens in deze situatie significant zijn beïnvloed door de corona-beperkingen. Uit de tellingen blijkt immers dat de parkeerdruk het hoogst is in de nachtelijke uren, wanneer er geen tot weinig forensen zijn.
18.3.2.
Ten aanzien van de door eisers genoemde bouwprojecten volgt de rechtbank het college in het standpunt dat daarmee geen rekening hoefde worden gehouden bij het bestreden besluit, omdat de betreffende bouwprojecten op een afstand van meer dan 300 meter van het bouwplan liggen en/of voorzien in parkeren op eigen terrein. Voor de veronderstelling dat er ten tijde van de tellingen (andere, van invloed zijnde) projecten waren vergund maar nog niet gerealiseerd bestaan geen concrete aanknopingspunten.
18.3.3.
Ten aanzien van de overige door eisers genoemde omstandigheden, te weten het vervallen van parkeerplaatsen (als gevolg van het verdwijnen van garageboxen en van het aanwijzen van parkeerplaatsen als laadplaatsen), het “autoluw” beleid voor de binnenstad en de wijziging van de parkeerregels per 1 januari 2025, is de rechtbank van oordeel dat die niet van invloed kunnen zijn op het bestreden besluit, omdat het omstandigheden betreft die zich na het bestreden besluit hebben voorgedaan.
Zijn de omwonenden voldoende betrokken bij het bestreden besluit?
19. Eisers voeren aan dat de omwonenden in het geheel niet bij de besluitvorming zijn betrokken. Het college heeft ook niet opnieuw een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Volgens eisers neigt het naar vooringenomenheid dat de gemeente over het (niet) publiceren van een ontwerpbesluit wel heeft gecommuniceerd met de vergunninghouder en zijn gemachtigde maar niet met de omwonenden.
20. Het college stelt zich op het standpunt dat hij een nieuw besluit kon nemen zonder eerst weer een ontwerpbesluit ter inzage te leggen, omdat de aanvraag, waarop opnieuw een besluit is genomen, niet is gewijzigd. Volgens het college is er vaker afstemming met een aanvrager of interne adviseur over de aanpak van een aanvraag of de procedure. Het is echter op geen enkele wijze gebruikelijk om daarover contact te zoeken met derde-belanghebbenden of mogelijke derde-belanghebbenden.
21. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het college niet gehouden was om, alvorens een nieuw besluit op de aanvraag te nemen, opnieuw een ontwerpbesluit ter inzage leggen of de omwonenden anderszins vooraf te informeren. Uit rechtspraak volgt dat na vernietiging van een besluit door de rechter in beginsel mag worden teruggevallen op het eerdere ontwerpbesluit. [14] Dat kan anders zijn als de aanvraag nadien is gewijzigd, maar daarvan is bij het bestreden besluit geen sprake. De enkele omstandigheid dat (ter voldoening aan de tussenuitspraak) aan de stukken een nieuwe bezonningsstudie en de onderliggende gegevens van de parkeertellingen uit 2022 ten grondslag zijn gelegd, betekent niet dat de aanvraag is gewijzigd.
21.1.
Voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat sprake is van vooringenomenheid deelt de rechtbank dat standpunt niet. Het enkele feit dat er overleg is geweest tussen de (gemachtigde van de) aanvrager en medewerkers van het college kan niet leiden tot de conclusie dat sprake is van vooringenomenheid. Zoals ter zitting namens het college ook is aangegeven is dergelijk overleg over een aanvraag niet ongebruikelijk.
Conclusie en gevolgen
22. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Gelet op hetgeen is overwogen onder 10 moet het college wel het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben verder geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
bepaalt dat college aan elk van de eisers het griffierecht van € 187,- moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Bestemmingsplan Facetherziening Parkeren
Artikel 4.1
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
Artikel 4.2
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1:
1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.
Artikel 4.3
Afwijken van de regels, als bedoeld in lid 4.2 is slechts mogelijk, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
a. de parkeersituatie in de openbare ruimte;
b. de woon- en leefsituatie.
Artikel 4.4
Burgemeester en wethouders passen deze bouwregels toe met inachtneming van de door hen vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1453 en van 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801
5.artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet
6.artikel 4 lid 1 bestemmingsplanPro Facetherziening Parkeren
7.artikel 4 lid 2 enPro 3 bestemmingsplan Facetherziening Parkeren
8.artikel 4 lid 4 bestemmingsplanPro Facetherziening Parkeren
9.zie ook r.o. 10.6.4 van de uitspraak van deze rechtbank van 31 januari 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:609