Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., uit Assen, eiseres, NAM
Samenvatting
Regeling waardedaling.Die regeling zag op verkochte woningen. Het belangrijkste geschilpunt in deze zaak gaat over de vraag of de door het Instituut gemaakte kosten in verband met vergoede waardedaling van onverkochte woningen kunnen worden doorbelast.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
“Vertrouwen op Herstel en Herstel van Vertrouwen”is op p. 4 het volgende vermeld:
“Voorzover er een directe of indirecte relatie bestaat tussen de aardschokken enerzijds en geleden waardedaling van huizen door bevingen bij gaswinning is een regeling ontwikkeld om individuele (ook nieuwe) huiseigenaren in Noordoost-Groningen te compenseren in geval van gerealiseerde waardedaling. De regeling sluit aan bij het moment van verkoop.”NAM heeft van maart 2014 tot juni 2020 de afhandeling van waardedalingsschade uitgevoerd via de
Regeling Waardedaling. [5]
“voor de toelaatbaarheid van abstracte schadebegroting in dit geval voldoende is dat de schade een voldoende structureel karakter heeft, dat begroting van de schade mogelijk is en niet op onoverkomelijke bezwaren vanuit het oogpunt van doelmatigheid stuit en dat de gelaedeerden belang hebben bij abstracte schadebegroting.” [7] Aan deze voorwaarden was volgens het Hof voldaan. Tegen dit arrest is geen cassatie ingesteld, waardoor dit arrest van het Hof onherroepelijk is geworden.
“NAM heeft besloten niet in beroep te gaan bij de Hoge Raad tegen de uitspraak van het Hof Leeuwarden/Arnhem van 23 januari 2018 in de zaak over de vergoeding van waardevermindering van huizen door aardbevingen in Groningen. Deze zaak is in 2014 door de Stichting WAG en andere belanghebbenden aangespannen. (….)
Kan waardedaling van een woning als gevolg van het risico op aardbevingen als gevolg van gaswinning aangemerkt worden als schade waarvoor de exploitant aansprakelijk is, ook als de schade zich nog niet heeft gemanifesteerd bij verkoop van die woning en, zo ja, wat is de peildatum voor de begroting voor dergelijke schade?”
“De adviescommissie merkt op dat de Hoge Raad de mogelijkheid van een bestuursrechtelijke regeling kennelijk heeft aanvaard. Naar het oordeel van de adviescommissie is een dergelijke regeling ook noodzakelijk met het oog op de aard van de schade en het grote aantal benadeelden.” [17]
“uitermate helder en gedetailleerd is als het aankomt op de gemaakte afwegingen, de gehanteerde dataselectie en de verschillende modelspecificaties”en
“de resultaten robuust zijn.” [20] In het verslag van de hoorzitting in bezwaar van 13 september 2024 leest de rechtbank verder terug dat
“NAM het niet oneens is met de keuze voor het Atlas-model”. [21]
De rechtbank zal onder 7 en 8 die (beleids)keuzes bespreken voor zover die, behalve voor onverkochte woningen, ook van belang zijn voor verkochte woningen. Eerst zal namelijk worden ingegaan op verkochte woningen. Daarna zal worden ingegaan op het geschil over onverkochte woningen.
“deze grens geeft de meest ruime afbakening van het risicogebied die in overeenstemming is met de empirie.” [23] In het gebied met een schade-intensiteit van 20% en meer kon een negatief prijseffect op woningen namelijk niet worden uitgesloten, zoals Poort ook schrijft in zijn deskundigenbericht van 22 december 2025 bij het verweerschrift.
“Een deel van één van de enclaves één maal een grondsnelheid van meer dan 5 mm/s [heeft] ervaren (kaart 3.1) en twee maal een grondsnelheid van meer dan 2,9 mm/s (kaart 3.3), terwijl ook de andere enclaves een grondsnelheid boven 2,9 mm/s hebben ervaren.” [25] In het deskundigenbericht bij het verweerschrift schrijft Poort verder dat het “
het niet plausibel en moeilijk uitlegbaar is, dat op een locatie geen waardedaling is, terwijl deze volledig ingesloten ligt tussen locaties waar wel waardedaling is.” [26]
discounted cash flow-methodeen heeft de Atlas-methode tot een significante overcompensatie geleid. Bij dit alles is benadrukt dat (primair) geldt dat ook bij verhuurde woningen alleen waardedalingsschade kan worden vergoed bij de verkoop van de woning.
De Minister heeft in het bestreden besluit naar voren gebracht dat het model overzichtelijk en toepasbaar blijft door geen uitzondering te maken voor woningen in verhuurde staat. Daarbij is gewezen op de verschillende varianten van verhuur of andere rechten van gebruik en bewoning en dat er geen forfaitaire afslag op de WOZ-waarde kan worden toegepast. Ook is er op gewezen dat een verhuurder de keuze heeft om zijn woning pas te verkopen na afloop van een huurovereenkomst of om de woning met of aan de huurder te verkopen. In het verweerschrift is dit nader uitgewerkt en is gewezen op de diverse praktische bezwaren bij de methode die NAM voorstelt.
discounted cash flow-methodedoor taxateurs, hypotheekverstrekkers en de Belastingdienst gebruikt worden om de waarde vast te stellen. Wat Atlas evenwel heeft gedaan is iets anders; namelijk onderzoeken waar zich prijseffecten (gebiedseffect en bevingseffect) met betrekking tot woningen voordoen in een gebied waar geïnduceerde aardbevingen voorkomen. De Minister wijst er daarbij terecht op dat de commissie Hammerstein in het uitgebrachte advies van 24 april 2019 op p. 25-26 onder het kopje
“Uitzonderingen/bijzondere categorieën”niet de particuliere verhuurder heeft geschaard. Het Instituut stond vervolgens voor een keuze en heeft Atlas de meest geschikte methode geacht om, ongeacht de vraag of een woning (tijdelijk) is verhuurd, waardedaling van woningen te begroten. [27] Als het gaat om
“het ideale model”leest de rechtbank op p. 63 van eerder (in noot 19) genoemd rapport van SEO:
“In praktijk gelden praktische beperkingen en moeten keuzes gemaakt worden. Hierdoor ontstaan afwijkingen van dit theoretische ideaal.”
Gelet hierop kon het Instituut naar het oordeel van de rechtbank de keuze maken om de onzekerheidstoeslag toe te passen om het risico te verkleinen dat benadeelden een te lage compensatie zouden krijgen. Hetgeen hiervoor in 7.5. is overwogen met betrekking tot de afbakening van het gebied, geldt ook hier. De rechtbank is van oordeel dat de Minister de waardedaling die voor wat betreft verkochte woningen is toegekend met toepassing van de onzekerheidstoeslag terecht heeft doorbelast aan NAM. Deze beroepsgrond slaagt niet.
“voldoende zeker dat significante schommelingen in de waarde van de woning die samenhangen met het risico op bodembeweging zullen uitblijven.” [30]
“De gaswinning wordt afgebouwd maar is nog niet gestaakt. In mei en juni 2019 hebben zich nog aardbevingen voorgedaan met een kracht van 2 of hoger op de schaal van Richter. In ieder geval zolang een voldoende stabiele toestand uitblijft, zullen deze omstandigheden een (verdere) negatieve invloed kunnen hebben op het bedrag dat potentiële kopers voor een woning gelegen boven het Groningenveld willen betalen. Hierbij kan ook een rol spelen dat burgers, onder wie potentiële kopers, (nog) geen groot vertrouwen hebben in een snelle en correcte afwikkeling door NAM/EBN en de Staat van de met bodembeweging gepaard gaande schade.”
“Hier staat tegenover dat niet is uit te sluiten dat als gevolg van de afbouw van de gaswinning in de nabije toekomst de bodembewegingen in aantal en zwaarte afnemen, en dat de woningen boven het Groningenveld ten opzichte van de huidige situatie, los van de algemene marktontwikkelingen, weer in waarde zullen toenemen.”
“Het Instituut is van oordeel dat bevingen en de daaruit voortvloeiende prijseffecten als voorzienbaar moeten worden beschouwd, en dus geen aanleiding vormen om de toegekende vergoeding voor waardedaling te heroverwegen, indien deze bevingen een magnitude hebben van minder dan 4, tenzij binnen een periode van 365 aaneengesloten kalenderdagen ten minste twee bevingen optreden met een magnitude van 3,6 op de schaal van Richter of meer.”
“voordeur”en de civielrechtelijke aansprakelijkheid van NAM aan de
“achterdeur”.
1 januari 2019 (de gehanteerde peildatum), de omvang van de schade die bestaat uit waardevermindering van de onverkochte woningen op het Groningenveld, nog niet abstract kon worden begroot. Ook het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn arrest van 11 juni 2024 geoordeeld geen reden te zien om af te wijken van het oordeel van de Hoge Raad en daarbij overwogen dat de Hoge Raad bekend was met het arrest van 23 januari 2018, maar bewust een andere keuze had gemaakt dan het Hof. [36] Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is één-op-één doorbelasting van de door het Instituut in Q4 2020 en 2021 toegekende waardedalingsvergoedingen voor onverkochte woningen om die reden niet mogelijk.
19 juli 2019 heeft ontwikkeld en of het thans doorbelaste bedrag aan waardevermindering (dat tot stand komt door op een gekozen peildatum een percentage waardevermindering te vermenigvuldigen met de WOZ-waarde) in de loop der tijd niet is gedaald. Zo stelt NAM terecht dat de nu gebruikte peildatum niet de effecten meeweegt van het besluit om de productie in Groningen eerder te beëindigen. Er is verder geen berekening die inzicht biedt in de hoogte van de waardedalingsschade van de in de heffingsbesluiten betrokken onverkochte woningen als gebruik wordt gemaakt van de meest recente beschikbare WOZ-waarden. Ook is niet duidelijk wat het tijdsverloop betekent voor de gemaakte beleidskeuzes voor onverkochte woningen. Er is in deze procedure door de Minister immers betoogd dat 1 januari 2019 al een juiste peildatum is. Reeds daarom kan niet beslist worden dat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven.
“wat is de peildatum voor de begroting voor dergelijke schade?”Gelet op de bestuursrechtelijke context van het geschil is het evenwel eerst aan de Minister om hierover een gemotiveerd standpunt in te nemen.