Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1402

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
21-3356
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WobArt. 5.1 WooArt. 5.2 WooArt. 5.3 WooArt. 8.8 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit gedeeltelijke openbaarmaking WODC-rapport Jehovah’s Getuigen

De Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van bestuur van de Universiteit Utrecht om slechts gedeeltelijk informatie openbaar te maken over het WODC-rapport over seksueel misbruik binnen hun gemeenschap. Het verzoek betrof onder meer ruwe onderzoeksdata, gespreksverslagen en correspondentie.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de zoekslag naar documenten is uitgevoerd, waardoor het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is geschonden. Tevens is vastgesteld dat bepaalde documenten ten onrechte buiten de reikwijdte van het verzoek zijn geplaatst. De rechtbank bevestigt dat onderzoeksgegevens met een louter wetenschappelijk oogmerk niet onder de Woo vallen.

Verder is geoordeeld dat het college terecht informatie heeft geweigerd ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van respondenten en onderzoekers, en ter bescherming van het goed functioneren van het bestuursorgaan. De weigering van openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen is grotendeels terecht, maar op enkele passages onvoldoende gemotiveerd. De weigering op grond van concurrentiegevoelige informatie is deels onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank wijst het beroep tegen het besluit van 3 september 2021 af wegens gebrek aan belang, verklaart het beroep tegen het besluit van 10 september 2024 gegrond, vernietigt dit besluit en draagt het college op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt een schadevergoeding van €3.500,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Het besluit van 10 september 2024 wordt vernietigd en het college moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/3356

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen

de Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen, gevestigd in Emmen, eiseres
(gemachtigden: mrs. C.J. Dekker en D.J. Blok),
en
het college van bestuur van de Universiteit Utrecht, gevestigd in Utrecht, het college
(gemachtigden: mrs. S.W. Derksen, S. de Graaff, J.J.M. Peters en W.E. Grimmelikhuijsen).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
  • de Stichting Reclaimed Voices,gevestigd in Roermond, de Stichting; en
  • het Wetenschappelijk onderzoeks- en Datacentrum,gevestigd in Den Haag, het WODC.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een besluit tot gedeeltelijke openbaarmaking van informatie op grond van het verzoek van eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (de Wob). Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres dient te nemen omdat de weigering van de openbaarmaking van bepaalde delen uit documenten door het college onvoldoende is gemotiveerd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 27 oktober 2020 het college verzocht om documenten openbaar te maken op grond van de Wob.
2.1.
Het college heeft met het besluit van 16 februari 2021 gedeeltelijk informatie openbaar gemaakt.
2.2.
Met het besluit op bezwaar van 3 september 2021 heeft het college het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en is het ten aanzien van delen van eerder geweigerde informatie overgegaan tot openbaarmaking.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft op 10 september 2024 een vervangend besluit op het bezwaar van eiseres genomen.
2.5.
Eiseres heeft aanvullende gronden ingediend.
2.6.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.7.
De Stichting heeft schriftelijk gereageerd.
2.8.
Op 4 april 2024 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank een tussenbeslissing genomen op de verzoeken van het college tot toepassing van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Ten aanzien van delen van zienswijzen die het college heeft opgevraagd ten behoeve van de voorgenomen gedeeltelijke openbaarmaking van informatie met het besluit van 16 februari 2021 heeft de geheimhoudingskamer bepaald dat de verzochte beperking van kennisname gerechtvaardigd is.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld op dezelfde zitting als de beroepen van eiseres met nummers LEE 20/3662 en LEE 22/1972. De rechtbank doet in het beroep met nummer LEE 21/3356 apart uitspraak. Aan de zitting hebben deelgenomen [bestuurders van eiseres], namens eiseres, vertegenwoordigd door mrs. Dekker en Blok. Namens het college zijn verschenen mrs. Derksen, De Graaff, Peters en Grimmelikhuijsen. Voor de Stichting zijn verschenen [bestuurders van de Stichting]. Het WODC is vertegenwoordigd door D.R. Willemsen en mr. W.M. de Jonge.
2.10.
Op de zitting is besproken dat van de documenten waarvan de openbaarmaking gedeeltelijk is geweigerd met het besluit van 10 september 2024 de ongelakte versies van de documenten B28 en D5 tot en met D48 ontbreken in de documenten die het college met een verzoek zoals bedoeld in 8:29, zesde lid, van de Awb bij de rechtbank heeft ingediend. Deze documenten heeft het college op 28 april 2025 nagezonden.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 27 oktober 2020 heeft eiseres het hiernavolgende Wob-verzoek ingediend bij het college:
“Hierbij verzoek ik u namens de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen in Nederland (“de Jehovah’s Getuigen”) met een beroep op artikel 3 van Pro de Wet openbaarheid van bestuur (“Wob”), mij alle documenten toe te zenden die onder u berusten betreffende het rapport “
Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehova’s Getuigen” van 11 december 2019 (“het onderzoek”).
Daarbij ziet het verzoek op documenten betreffende:
- de ruwe voorbereiding en uitvoering van het onderzoek;
- de ruwe onderzoeksdata, waaronder in ieder geval – maar niet uitsluitend – een dataset (Tabellen), waarbij indien mogelijk elke rij een respons bevat op de vraag van het online vragenformulier en waarbij de kolommen de verschafte reacties weergeven, en de dataset alle reacties bevat van personen die de vragenlijst benaderd hebben;
- verslagen van de begeleidingscommissie;
- gespreksverslagen van de interviews (geanonimiseerd);
- ingevulde vragenlijsten (geanonimiseerd);
Het verzoek ziet overigens (ook) op alle (interne) correspondentie (waaronder e-mail, WhatsApp, SMS et cetera), notities, rapportages, beoordelingen, (resultaten van) onderzoeken en/of andere gegevens van en met de (onderzoekers van de) Universiteit Utrecht, alsmede de externe correspondentie (waaronder e-mail, WhatsApp, SMS et cetera) van en met de (onderzoekers van de) Universiteit Utrecht.
Alle correspondentie van en aan Jehovah’s Getuigen valt buiten de reikwijdte van het onderhavige Wob-verzoek. Daarbij wijzen de Jehovah’s Getuigen er, mogelijk ten overvloede, op dat het hen uitdrukkelijk niet te doen is om persoonsgegevens zoals genoemd in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, dan wel artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de persoonsgegevens van (anonieme) melders bij het contactpunt en/of persoonsgegevens van de personen die deelgenomen hebben aan de interviews en vragenlijsten hebben ingevuld.
Verder wijs ik er – mogelijk ten overvloede – op dat het hier informatie betreft op alle vormen van gegevensdragers die onder u berusten of behoren te berusten. Wat dat laatste betreft wijs ik – wederom mogelijk ten overvloede – op de inspanningsverplichting om stukken, die onder u behoren te berusten, maar dat feitelijk niet doen, alsnog te vergaren. Ik ga ervan uit – zoals gebruikelijk bij besluitvorming op grond van de Wob – dat een overzicht bij uw besluit wordt gevoegd waaruit volgt welke documenten onder de reikwijdte van het verzoek vallen. Ik verzoek u inzichtelijk te maken op welke wijze u op welke plekken en indien aan de orde met welke zoektermen u gezocht heeft naar documenten.”
3.1.
Het college heeft het WODC, de Stichting en de Nationale Politie in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen naar aanleiding van de door het college voorgenomen gedeeltelijke openbaarmaking van informatie waarbij deze organisaties betrokken zijn.
3.2.
Op 16 februari 2021 heeft het college een besluit genomen op het Wob-verzoek van eiseres. Met dit besluit is het college overgegaan tot het gedeeltelijk openbaar maken van informatie. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar ingediend.
3.3.
Met het besluit op bezwaar van 3 september 2021 is het college overgegaan tot het openbaar maken van aanvullende informatie. Ten aanzien van een deel van de eerder geweigerde openbaarmaking van informatie is het college bij de weigering van de openbaarmaking gebleven. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
3.4.
Op 10 september 2024 heeft het college een vervangend besluit op het bezwaar van eiseres genomen op grond van de Wet open overheid (de Woo). Het college heeft in dit besluit het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het primaire besluit van 16 februari 2021 herroepen. Met dit besluit is het college overgegaan tot gedeeltelijke openbaarmaking van informatie in documenten. Onder verwijzing naar de weigeringsgronden uit artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, f, h en i, en artikel 5.2, eerste lid, van de Woo heeft het college de openbaarmaking van deze documenten of delen daarvan geweigerd. Het college heeft de informatie ingedeeld in vijf categorieën:
Informatie betreffende de voorbereiding van het onderzoek 22 documenten
Onderzoeksgegevens 28 documenten
Verslagen begeleidingscommissie 3 documenten
Overige correspondentie 61 documenten
WODC-stukken 61 documenten
Het verzoek ziet volgens het college in aanvulling op deze documenten mede op beveiligde onderzoeksgegevens. Deze beveiligde onderzoeksgegevens bestaan volgens het college uit ruwe onderzoeksgegevens, gespreksverslagen van interviews en ingevulde vragenlijsten. Deze data zijn volgens het college beperkt toegankelijk en geëncrypteerd en de onderzoeksgegevens kunnen daarom niet worden geprint, gemaild of anderszins elektronisch worden geëxporteerd. Om die reden zijn de beveiligde onderzoeksgegevens niet opgenomen op de inventarislijst. Openbaarmaking van deze informatie is door het college integraal geweigerd op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder d, tweede lid, aanhef en onder e, h, en i, van de Woo alsmede artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
Het besluit van 3 september 2021
4. Eiseres heeft op de zitting aangegeven dat zij niet langer belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het besluit van 3 september 2021. Zij heeft erop gewezen dat de vervanging van dit besluit met het besluit van 10 september 2024 al reden geeft om het beroep gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen. Gelet hierop laat de rechtbank de gronden die eiseres tegen het besluit van 3 september 2021 heeft aangevoerd buiten bespreking en zal zij het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaren.
Het besluit van 10 september 2024
5. Met het besluit van 10 september 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het besluit van 3 september 2021 vervangen. Het beroep van eiseres richt zich van rechtswege mede tegen dit besluit. [1]
6. Op 1 mei 2022 is de Woo in werking getreden en is de Wob ingetrokken. [2] Er is geen overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen. Het bestreden besluit dateert van na 1 mei 2022. Dat betekent dat bij de beoordeling van het bestreden besluit de Woo van toepassing is.
6.1.
Op grond van de Woo kan een ieder een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. [3] Bij de toepassing van de Woo wordt uitgegaan van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving. [4] Dit belang van openbaarheid dient bij de toepassing van de relatieve weigeringsgronden te worden afgezet tegen de met de weigeringsgronden te eerbiedigen belangen en niet (mede) tegen het belang van degene die om openbaarmaking verzoekt. [5]
Heeft het college de zoekslag voldoende inzichtelijk gemaakt?
7. In het bestreden besluit heeft het college toegelicht dat een nieuwe zoekslag naar documenten heeft plaatsgevonden en dat hierbij 175 documenten zijn aangetroffen, met uitzondering van de beveiligde onderzoeksgegevens. Volgens het college zijn bij deze zoekslag ten opzichte van het besluit van 3 september 2021 geen aanvullende documenten aangetroffen. Over de zoekslag licht het college toe dat bij de onderzoekers die betrokken zijn geweest bij het WODC-onderzoek is nagevraagd welke zoekslag moet worden uitgevoerd om de informatie te vinden waarop het verzoek van eiseres ziet. Zij hebben aangegeven dat de e-mail inbox van de eindverantwoordelijke onderzoeker prof. dr. K. van den Bos (de hoofdonderzoeker) moet worden doorzocht omdat hij gedurende het onderzoek is meegenomen in elke e-mail. Met uitzondering van de extra beveiligde onderzoeksgegevens zijn volgens het college geen bestanden opgeslagen die niet teruggekomen zijn of terugkomen in de e-mail inbox van de hoofdonderzoeker.
7.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college de gemaakte zoekslag niet inzichtelijk heeft gemaakt. Uit het bestreden besluit blijkt volgens haar onvoldoende op welke wijze is gezocht naar documenten, omdat een omschrijving van de zoekslag en de gehanteerde zoektermen ontbreekt. Eiseres stelt dat zij gelet hierop niet in de gelegenheid is om te beoordelen of het college de reikwijdte van haar verzoek op de juiste wijze heeft opgevat. Verder is volgens haar onvoldoende onderbouwd dat met het beperken van de zoekslag tot de e-mail inbox van de hoofdonderzoeker een volledige uitvoering is gegeven aan het verzoek. Uit de stukken blijkt volgens eiseres ook dat een bredere zoekslag heeft plaatsgevonden dan door het college is beschreven. Zo blijkt uit de stukken dat ook de e-mail inbox en/of outbox van het Contactpunt Jehovah’s Getuigen is doorzocht. Volgens eiseres is niet gebleken dat alle andere informatie uit deze andere e-mail inbox is meegenomen. Verder is volgens haar van belang dat het eerste openbaar gemaakte document dateert van vier maanden nadat de motie waarin opdracht is gegeven voor het WODC-onderzoek is aangenomen door de Tweede Kamer.
7.2.
Het ligt op de weg van het bestuursorgaan om voldoende inzichtelijk te maken op welke wijze is gezocht naar documenten. Het voldoende inzichtelijk maken van een zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt. [6]
7.3.
De rechtbank is, met eiseres, van oordeel dat het college in het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze is gezocht naar documenten. Het bestreden besluit meldt enkel dat is gezocht in de e-mail inbox van de hoofdonderzoeker. Daaruit blijkt onvoldoende op welke wijze en met welke zoektermen dit onderzoek heeft plaatsgehad. Ook wijst eiseres er terecht op dat uit de stukken B10 en D9 tot en met D12 blijkt dat eveneens e-mailconversaties zijn bijgevoegd waarin het e-mailadres van de hoofdonderzoeker niet is meegenomen. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat dit de vraag oproept of de zoekslag volledig is beschreven. Dat, zoals het college ter zitting naar voren heeft gebracht, in het primaire besluit van 16 februari 2021 ook is opgenomen dat mede is gezocht op de persoonlijke schijf van de betrokken onderzoekers kan daaraan niet afdoen. Dit besluit is door het college herroepen met het bestreden besluit en daarna heeft een nieuwe zoekslag plaatsgevonden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. [7] Dit betoog van eiseres slaagt.
7.4.
Het college heeft in het verweerschrift en ter zitting aanvullend gemotiveerd dat uit de input van de onderzoekers is gebleken dat de hoofdonderzoeker in de looptijd van het onderzoek in elke e-mail is meegenomen en geen bestanden zijn opgeslagen die in deze e-mails niet voorkomen, met uitzondering van de beveiligde onderzoeksgegevens. Naar aanleiding hiervan heeft de hoofdonderzoeker volgens het college zijn e-mail inbox en zijn O-schijf – de schijf waarop medewerkers van de Universiteit Utrecht werkinformatie opslaan – systematisch doorzocht met de zoekterm “Jehova”. Alle documenten over het WODC-onderzoek bevatten volgens het college deze term. Op de O-schijf is gezocht naar concrete documenten waarvan de onderzoekers van het bestaan weten, zoals de verslagen van de begeleidingscommissie en de communicatie met externe instanties zoals het WODC. Met deze zoekslag kon volgens het college worden volstaan omdat vanwege de gevoelige aard van het WODC-onderzoek een beperkt aantal onderzoekers betrokken is geweest bij het onderzoek. Daarmee is volgens het college uitgesloten dat informatie over het onderzoek zou kunnen berusten bij andere medewerkers dan de direct betrokken onderzoekers. Het college heeft verder toegelicht dat de e-mail inbox van het Contactpunt Jehovah’s Getuigen mede deel heeft uitgemaakt van de e-mail inbox van de hoofdonderzoeker. Om die reden zijn de door eiseres aangehaalde e-mailconversaties, waarin het e-mailadres van de hoofdonderzoeker niet voorkomt, eveneens naar boven gekomen bij de zoekslag in de aan hem toebehorende e-mail inbox. Deze nieuwe zoekslag heeft volgens het college geen aanvullende documenten opgeleverd. Gelet hierop stelt het college dat bij hem niet méér documenten berusten of moeten berusten die binnen de reikwijdte van het verzoek liggen dan zijn meegenomen in het bestreden besluit.
7.5.
De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee alsnog voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze is gezocht naar documenten. Uit de door het college gegeven toelichting blijkt voldoende dat de uitgevoerde zoekslag tot stand is gekomen door middel van de door de betrokken onderzoekers gegeven input dat alle documenten zijn te achterhalen door middel van een zoekslag in de e-mail inbox en O-schijf van de hoofdonderzoeker. Ook blijkt daaruit dat de hoofdonderzoeker de zoekslag heeft uitgevoerd door middel van het doorzoeken van zijn e-mail inbox, daaronder begrepen de e-mail inbox van het Contactpunt Jehovah’s Getuigen en zijn O-schijf. Ook is daarbij van belang dat door het college is toegelicht dat de ruwe onderzoeksgegevens, gespreksverslagen van interviews en ingevulde vragenlijsten op een centrale locatie zijn opgeslagen. Tegen de achtergrond van de gevoelige aard van het onderzoek ten behoeve waarvan gesprekken hebben plaatsgevonden over seksueel misbruik, acht de rechtbank het geloofwaardig dat deze onderzoeksdata op een beveiligde locatie zijn opgeslagen, anders dan de persoonlijke schijf van de betrokken medewerkers en dat ook verder terughoudendheid is betracht ten aanzien van het beheer van informatie die betrekking heeft op het WODC-onderzoek. De rechtbank vindt daarom niet dat er een te beperkte zoekslag heeft plaatsgevonden met de zoekslag die de hoofdonderzoeker heeft uitgevoerd. De verwijzing van eiseres naar de pagina’s 3 en 26, zesde alinea, bij het besluit van 16 februari 2021 maakt dat niet anders. Zij heeft erop gewezen dat is vermeld dat wordt aangeraden om e-mail te exporteren en elders op te slaan. Het college heeft daarop verklaard dat dit een intern advies bij aanvang van het dossier is geweest over de wijze waarop omgegaan kan worden met datamanagement. Voor zover dit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden tijdens het onderzoek, maken deze gegevens volgens het college vermoedelijk onderdeel uit van de beveiligde onderzoeksgegevens.
7.6.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het college het onder 7.3. geconstateerde gebrek in het bestreden besluit heeft hersteld met de aanvullende motivering.
Is aannemelijk dat meer documenten bestaan?
8. Met het voorgaande heeft het college, naar het oordeel van de rechtbank, eveneens geloofwaardig meegedeeld dat bij hem niet méér documenten berusten die vallen binnen de reikwijdte van het verzoek dan zijn meegenomen in het bestreden besluit. [8]
8.1.
Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat bij het college meer documenten berusten of moeten berusten. Dat het eiseres bevreemdt dat het eerste document dateert van meer dan vier maanden na de motie van de Tweede Kamer die de aanleiding heeft gevormd voor het WODC-onderzoek, is daartoe niet voldoende. Die enkele stelling biedt geen concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat stukken ontbreken. Daartoe overweegt de rechtbank dat het college in de bestreden besluitvorming gedeeltelijk informatie openbaar heeft gemaakt die ziet op de voorbereiding van het WODC-onderzoek en ook op communicatie met het WODC over, onder meer, de fase waarin de opdracht voor het uitvoeren van het WODC-onderzoek nog niet aan de Universiteit Utrecht was verstrekt. Uit de verwijzing van eiseres op de zitting naar een na de tussenbeslissing van de geheimhoudingskamer toegezonden e-mail van 22 januari 2019 om 15:45 uur waarin wordt gerefereerd aan een eerder telefonisch overleg met twee officieren, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat aannemelijk is dat een verslag van dat overleg bestaat of dat daarnaar door het college onvoldoende is gezocht. Het college heeft in dit opzicht gesteld dat dit verslag niet is gemaakt en ook niet is aangetroffen. De stelling van eiseres ter zitting dat het de wenkbrauwen doet fronsen dat maar twee concepten van het WODC-onderzoek zijn bijgevoegd, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om te concluderen dat meer concepten bij het college berusten. Eiseres heeft ter zitting ten slotte naar voren gebracht dat zij een document heeft ontvangen met op de eerste pagina een e-mail van 21 maart 2019 om 15:21 uur, met onderaan de vermelding “Page 6 of 12”. Daaruit blijkt volgens haar dat de eerste vijf pagina’s ten onrechte niet zijn meegenomen. De rechtbank stelt in dit verband, na bestudering van het dossier, vast dat deze e-mail deel uitmaakt van document “D3 – Emailketen 21 maart 2019 – 26 maart 2019”, zoals aan eiseres is verstrekt met het bestreden besluit en dat van dit document ook de pagina’s 1 tot en met 5 zijn bijgevoegd. Dit betoog van eiseres slaagt daarom niet.
Heeft het college kunnen concluderen dat documenten buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek van eiseres liggen?
9. In het bestreden besluit heeft het college de openbaarmaking van documenten of delen daarvan achterwege gelaten omdat deze documenten volgens hem buiten de reikwijdte van het verzoek van eiseres vallen.
9.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om aan de hand van de door het college overgelegde ongelakte documenten te beoordelen of het college op goede gronden documenten of delen daarvan buiten de reikwijdte van het verzoek heeft gelaten.
9.2.
Na kennisname van de ongelakte documenten is de rechtbank van oordeel dat het college ten aanzien van de twee delen van het document E15 ten onrechte heeft geconcludeerd dat deze buiten de reikwijdte van het verzoek van eiseres zijn gelegen. Dit betekent dat het college ten aanzien van deze informatie (opnieuw) dient te beslissen of deze informatie op grond van de Woo aan eiseres kan worden verstrekt. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd het motiveringsbeginsel. [9] Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat het college op goede gronden heeft geconcludeerd dat documenten of delen daarvan buiten de reikwijdte van het verzoek van eiseres zijn gelegen.
9.3.
Het betoog van eiseres slaagt ten aanzien van document E15.
In hoeverre is de Woo van toepassing op de gedeeltelijk door het college met het bestreden besluit openbaar gemaakte informatie?
10. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld in hoeverre de Woo van toepassing is op de gedeeltelijk door het college openbaar gemaakte informatie, nu onderzoeksgegevens met een louter wetenschappelijk oogmerk zijn uitgezonderd van de toepassing van de Woo. Hierover overweegt zij als volgt.
10.1.
In artikel 8.8 van de Woo is bepaald dat de artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en derde lid, en 5.2 niet van toepassing zijn op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij de Woo. In deze bijlage staat artikel 1.25 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (de WHW) genoemd. Dit artikel bepaalt dat onderzoeksgegevens die louter tot stand zijn gekomen met een wetenschappelijk oogmerk of in het kader van onderzoek gericht op de beroepspraktijk en die geen betrekking hebben op de bestuursvoering van een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a of onderdeel c, alsmede op de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, beschikbaar kunnen worden gesteld voor wetenschappelijk onderzoek.
10.2.
In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1.25 van de WHW is overwogen dat met dit artikel is beoogd voor onderzoeksgegevens, zoals bedoeld in eerdere rechtspraak van de Afdeling onder de Wob, een bijzonder regime te scheppen in de WHW ten behoeve van, voor zover van belang, universiteiten als gevolg waarvan de Woo niet van toepassing is op dergelijke onderzoeksgegevens door de opname van dat regime op de bijlage bij artikel 8.8. van de Woo. [10] In de daartoe in de wetsgeschiedenis aangehaalde uitspraken heeft de Afdeling overwogen dat onderzoeksgegevens die louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen en geen betrekking hebben op de bestuursvoering van de universiteit, geen bestuurlijke aangelegenheid betreffen als bedoeld in de Wob. Maar dat dit onverlet laat dat dergelijke gegevens onlosmakelijk verweven kunnen zijn met informatie over een bestuurlijke aangelegenheid en daardoor alsnog onder de werking van de Wob vallen. [11] Volgens de wetgever blijft de Woo hiermee van toepassing op bestuurlijke aspecten van onderzoek, zoals de verlening van opdrachten, de verdeling van beschikbare middelen en het faciliteren van onderzoek.
10.2.1.
Uit deze wetsgeschiedenis volgt dat verder voor onderzoeksgegevens zoals bedoeld in artikel 1.25 van de WHW is bepaald dat zij ter beschikking kunnen worden gesteld voor wetenschappelijk onderzoek en dat dit bij de inwerkingtreding van dit artikel thans het geval was op grond van de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit. Voor onderzoekers geldt op grond van die code dat onderzoeksgegevens en onderzoeksdata na afloop van het onderzoek zoveel mogelijk publiek beschikbaar worden gesteld of dat, indien publieke beschikbaarstelling niet mogelijk is, de redenen hiervoor worden vastgelegd. [12]
10.3.
De rechtbank is van oordeel dat de ruwe onderzoeksdata, gespreksverslagen van interviews en ingevulde vragenlijsten en het document B1 zijn aan te merken als onderzoeksgegevens die louter tot stand zijn gekomen met een wetenschappelijk oogmerk zoals bedoeld in artikel 1.25 van de WHW. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
10.3.1.
Ten aanzien van het uitvoeren van het WODC-onderzoek hebben de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de waarnemend directeur van het WODC, en de Universiteit Utrecht een contract gesloten waarmee de Universiteit Utrecht de verplichting is aangegaan voor het WODC tegen betaling een onderzoek met als werktitel ‘Aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehova’s Getuigen’ uit te voeren en daarover een rapport uit te brengen. In de definitieve offerte van 11 december 2018 hebben de onderzoekers van de Universiteit Utrecht beschreven dat het doel van het onderzoek is inzicht te krijgen in de patronen, gebruikte regels, gebruiken en structuren binnen de gemeenschap van Jehovah's Getuigen ten aanzien van de omgang met (vermeend) seksueel misbruik, en, zo mogelijk, aanbevelingen voor Nederland te formuleren. Ook is toegelicht dat bij de uitwerking en aanscherping van de onderzoeksvraag een motie van de Tweede Kamer tot uitgangspunt is genomen. [13] Beschreven staat dat het te verrichten onderzoek bestaat uit literatuuronderzoek en empirisch onderzoek. Over het empirisch onderzoek staat beschreven dat dit onder meer het verzamelen van meldingen verkregen via een onafhankelijk contactpunt omvat, alsmede het afnemen van tien interviews met (ex-)leden van Jehovah’s Getuigen.
10.3.2.
De door het college beschreven ruwe onderzoeksdata, gespreksverslagen van interviews en ingevulde vragenlijsten betreffen de onderzoeksgegevens die de onderzoekers hebben vergaard voor het empirische onderzoek dat de Universiteit Utrecht heeft verricht. Het document B1 bevat voorts de kwantitatieve dataoverzichten van de ingevulde vragenlijsten. De rechtbank overweegt in dit verband dat zij tot uitgangspunt neemt dat door onderzoekers van universiteiten bij de uitoefening van hun functie verzamelde onderzoeksgegevens in beginsel zijn aan te merken als onderzoeksgegevens die louter tot stand zijn gekomen met een wetenschappelijk oogmerk zoals bedoeld in artikel 1.25 van de WHW. Dat de aanleiding voor het WODC-rapport, ten behoeve waarvan de empirische onderzoeksgegevens zijn verzameld, is gelegen in een door de Tweede Kamer aangenomen motie is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan de empirische onderzoeksgegevens het louter wetenschappelijke karakter te ontnemen. Daartoe is van belang dat met het WODC-onderzoek is beoogd wetenschappelijk onderzoek te verrichten en dat de empirische onderzoeksgegevens met het oog hierop door de onderzoekers zijn verzameld.
10.3.3.
Het betoog van eiseres dat het college de Woo reeds van toepassing heeft geacht op de empirische onderzoeksgegevens en dat om die reden daarop niet kan worden teruggekomen volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt dat met het oordeel dat sprake is van onderzoeksgegevens zoals bedoeld in artikel 1.25 van de WHW vaststaat dat, zoals volgt uit artikel 8.8 van de Woo, onder meer de in de artikelen 5.1, eerste, tweede en derde lid, en 5.2 opgenomen weigeringsgronden op de empirische onderzoeksgegevens niet van toepassing zijn. Om die reden komt de rechtbank niet toe aan de bespreking of het college de openbaarmaking van de empirische onderzoeksgegevens heeft kunnen weigeren op grond van de in de Woo opgenomen weigeringsgronden.
10.4.
De weigering van de openbaarmaking van voornoemde documenten met onderzoeksgegevens die tot stand zijn gekomen met louter een wetenschappelijk doel laat de rechtbank gelet op het voorgaande in de hiernavolgende bespreking van de toepassing van de weigeringsgronden buiten beschouwing.
Heeft het college het openbaar maken van informatie kunnen weigeren ter eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer?
11. In het bestreden besluit heeft het college het openbaar maken van informatie uit de documenten of delen daarvan geweigerd omdat het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. [14] De weigering op deze grond heeft betrekking op de documenten of delen daarvan met informatie in de onderdelen A) voorbereiding van het onderzoek, B) onderzoeksgegevens, C) verslagen van de begeleidingscommissie, D) overige correspondentie en E) WODC-stukken. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Is voldoende duidelijk op welke informatie deze weigeringsgrond is toegepast?
11.1.
Eiseres wijst erop dat meerdere documenten in onderdeel B) een vlak bevatten met de tekst “5.1.2.e, 5.1.2.i”. Daarmee is volgens haar onduidelijk op basis van welke uitzonderingsgrond welke passages uit de documenten zijn geweigerd. Ook heeft het college hiermee volgens eiseres, in strijd met vaste rechtspraak, onvoldoende duidelijk gemaakt welke uitzonderingsgrond wordt toegepast op welk zelfstandig onderdeel van deze documenten. [15]
11.1.1.
De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiseres niet slaagt. Daartoe is van belang dat uit de door het college geplaatste vlakken met de tekst “5.1.2.e, 5.1.2.i” in de documenten in onderdeel B) onderzoeksgegevens, voldoende blijkt dat de daaronder opgenomen informatie zowel is geweigerd ten behoeve van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als van het belang van het goed functioneren van het bestuursorgaan. Of het college de openbaarmaking van deze informatie heeft kunnen weigeren op deze gronden beoordeelt de rechtbank – voor zover eiseres tegen deze weigering gronden heeft gericht – hieronder.
De weigering van informatie over onderzoekers
11.2.
Met het bestreden besluit heeft het college de openbaarmaking van informatie geweigerd in de documenten in de onderdelen B) en E) die herleidbaar is naar medewerkers van de Universiteit, de begeleidingscommissie en het WODC. De gelakte informatie betreft volgens het college namen, adresgegevens, telefoonnummers, e-mailadressen en functieaanduidingen. Het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van deze medewerkers verzet zich volgens het college tegen de openbaarmaking van deze informatie. [16] De persoonsgevens van de hoofdonderzoeker zijn, aldus het college, wél openbaar gemaakt vanwege zijn rol als eindverantwoordelijke. Op de zitting heeft het college benadrukt dat het openbaar maken van deze informatie het gevolg is van een eigen overweging van de hoofdonderzoeker en dat deze informatie ook geweigerd had kunnen worden op deze grond.
11.2.1.
Ten aanzien van de weigering van de namen van onderzoekers in de onderdelen B) en E) voert eiseres aan dat de namen van onderzoekers openbaar gemaakt zijn met de publicatie van het WODC-rapport en dat zij daarmee naar de aard van hun functie in de openbaarheid zijn getreden. Volgens eiseres valt om die reden niet in te zien dat de openbaarmaking van de namen van deze onderzoekers door het college geweigerd kan worden.
11.2.2.
De rechtbank overweegt dat artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo bepaalt dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. In de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel heeft de wetgever overwogen dat uitgangspunt is dat deze uitzondering in beginsel geen betrekking heeft op beroepsmatig handelen van personen, maar dat een uitzondering wordt gemaakt voor namen en contactgegevens van personen die zich niet uit hoofde van hun functie in de openbaarheid presenteren. De vraag in hoeverre beroepshalve functioneren onder het belang van privacy valt hangt hierbij volgens de wetgever mede af van de mate waarin de desbetreffende functie gericht was op het externe functioneren van een orgaan en op welk niveau binnen de organisatie de betrokkene werkzaam is. [17] Ten aanzien van de onderzoekers die hebben gewerkt aan het WODC-rapport is de rechtbank van oordeel dat zij niet uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden en dat om die reden het door de wetgever benoemde uitgangspunt geen toepassing vindt. Daartoe is van belang dat de onderzoekers niet voor of namens het college naar buiten treden. Dat hun namen bekend zijn gemaakt met de publicatie van het WODC-rapport is voor die conclusie niet voldoende, omdat daaruit niet blijkt dat de functie van de onderzoekers daarmee is gericht op het externe functioneren van het college. Dit betoog van eiseres slaagt niet.
11.3.
Ter zitting heeft eiseres onder verwijzing naar een uitspraak gesteld dat het college ten onrechte niet van alle e-mailadressen de domeinnaam heeft openbaar gemaakt. [18] Dat deze domeinnamen niet altijd direct zichtbaar zijn is volgens eiseres niet van belang, nu deze wel onder het college berusten en de gekozen wijze van gegevensverwerking, zoals het niet weergeven van bepaalde domeinnamen in de e-mail inbox, niet kan afdoen aan de rechten onder de Woo.
11.4.
De rechtbank is van oordeel dat dit betoog van eiseres slaagt. Bij bestudering van de ongelakte stukken is gebleken dat het college in de documenten in de onderdelen B) en E) verzendende en ontvangende e-mailadressen heeft weggelakt waar alleen een naam staat weergegeven. Het college heeft daarmee de domeinnamen van deze e-mailadressen ten onrechte buiten diens beoordeling gelaten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. [19]
De weigering van informatie over respondenten
11.5.
Met het bestreden besluit heeft het college, voor zover hier van belang, in onderdeel B) openbaarmaking geweigerd van alle informatie die door respondenten met de onderzoekers is gedeeld alsmede al hun persoons-, contact- en adresgegevens, omdat het belang daarvan volgens het college niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van degenen op wie de informatie ziet. Het gaat volgens het college vaak om gedetailleerde verklaringen over de ervaringen van respondenten of derden met seksueel misbruik en de afhandeling daarvan binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen (de gemeenschap). De gedetailleerdheid van de verklaringen, het zeer unieke en persoonlijke karakter daarvan, de bijzondere feitelijkheden, het gebruik van voor Jehovah’s Getuigen kenmerkende bewoordingen en de omstandigheid dat de gemeenschap relatief klein is maken volgens het college dat de personen op wie deze verklaringen zien zonder onevenredige inspanning te herleiden zijn aan de hand van de verklaringen. Deze herleidbaarheid kan volgens het college niet worden weggenomen door het anonimiseren van de verklaringen. Ter onderbouwing hiervan stelt het college dat met toestemming van respondenten citaten uit verklaringen, met uitzondering van specifieke details, zijn opgenomen in het WODC-rapport en dat hierna alsnog een respondent door leden van de gemeenschap is aangesproken op deelname aan het onderzoek en het met onderzoekers delen van informatie. [20] Met het opnemen van verklaringen in het WODC-rapport zijn volgens het college al op wetenschappelijk verantwoorde wijze een aantal verklaringen openbaar gemaakt. Bij deze afweging heeft het college betrokken dat het openbaar maken van deze informatie grote negatieve impact heeft op de personen over wie de informatie gaat of de personen die de verklaringen hebben afgelegd. Uit het WODC-onderzoek is volgens het college gebleken dat personen die zich uitspreken over seksueel misbruik binnen de gemeenschap worden gesanctioneerd of worden uitgesloten van de gemeenschap. [21] Hoewel niet in alle gevallen sprake zal zijn van deze gevolgen, lopen respondenten hierop wel het risico. De gevolgen hiervan zijn volgens het college substantieel omdat het contact met vrienden of familie die zich in de gemeenschap bevinden daardoor wordt bemoeilijkt of dit onmogelijk wordt gemaakt. [22] Verder benadrukt het college dat van belang is dat aan de respondenten bij aanvang van de vragenlijst vertrouwelijkheid is toegezegd. Zij mogen volgens het college er dan ook op vertrouwen dat hun verklaring en hun anonimiteit gewaarborgd blijven. Deze voorwaarde van vertrouwelijkheid is volgens het college ook gesteld door eiseres in verband met de te verlenen medewerking aan het onderzoek en voor het in de gemeenschap onder de aandacht brengen van de vragenlijst. Het college wijst ter onderbouwing mede op een uitspraak. [23] Evenals aan de orde in deze uitspraak zijn volgens het college uiterst persoonlijke onderzoeksdata opgeslagen waarin verslag wordt gedaan van verklaringen van respondenten die hun bijdrage hebben gegeven onder toezegging van vertrouwelijkheid. Openbaarmaking van deze informatie heeft daarmee volgens het college een negatieve invloed op het verwerkingsproces van degenen op wie de informatie ziet.
11.5.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college de informatie van respondenten in onderdeel B) niet heeft kunnen weigeren ter bescherming van het belang van de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer. Volgens eiseres is door het college onvoldoende gemotiveerd om welke reden de verklaringen niet in niet-herleidbare vorm openbaar gemaakt kunnen worden. Volgens haar is daarbij van belang dat van herleidbaarheid zonder onevenredige inspanning geen sprake is, omdat de gemeenschap internationaal een omvang kent van 8.800.000 personen, waaronder 30.000 personen in Nederland. Volgens eiseres is deze gemeenschap onderverdeeld in 118.000 gemeenten over 240 landen. Uit document B9 blijkt volgens eiseres in dit opzicht dat de respondenten ook afkomstig zijn van buiten Nederland, omdat uit deze e-mail blijkt dat de respondent woonachtig is in een gebied met de tijdzone Pacific Daylight Time. Eiseres benadrukt verder dat zij zich niet herkent in, en afstand neemt van, het standpunt van het college dat personen die zich over seksueel misbruik uitspreken binnen de gemeenschap worden gesanctioneerd en uitgesloten. Het college heeft dit volgens eiseres onvoldoende gemotiveerd door te verwijzen naar een paragraaf uit het WODC-rapport, nu deze paragraaf betrekking heeft op een volgens eiseres inhoudelijk niet onderbouwd interview met de Stichting. De Stichting kan volgens eiseres niet spreken namens alle respondenten. De verwijzing van het college naar de uitspraak van de Afdeling gaat verder volgens eiseres niet op. Daartoe is volgens eiseres van belang dat de mate van herleidbaarheid aan de hand van debriefingsverklaringen binnen een groep van 400 Nederlandse VN-militairen en een relevant tijdsbestek van enkele weken, zoals aan de orde in die uitspraak, van een grotere orde is dan de herleidbaarheid binnen de mogelijke groep respondenten met een omvang van 30.000 tot 8.6000.000 getuigen en een relevant tijdsbestek van 1950 tot 2019. Onvoldoende gemotiveerd is volgens eiseres dat de gebeurtenissen waarover respondenten hebben verklaard dermate samenhangen met hun (formele) positie binnen de gemeenschap dat daarmee die verklaring is te herleiden tot hun persoon.
11.5.2.
De Stichting heeft aangevoerd dat zij zich kan vinden in de weigering van het openbaar maken van informatie die betrekking heeft op respondenten. De Stichting licht toe dat zij zich inzet voor slachtoffers van seksueel misbruik binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen. Zij voert aan dat slachtoffers zich (hebben) begeven in een gemeente van 50 tot hooguit 100 personen die nauw met elkaar in contact staan. Binnen deze context is herleidbaarheid aan de hand van geanonimiseerde verklaringen volgens de Stichting een reëel risico. Ook stelt de Stichting dat het risico bestaat als gevolg van het openbaar maken van naar respondenten herleidbare informatie secundaire victimisatie kan plaatsvinden. De Stichting benadrukt dat het geven van verklaringen veel heeft gevergd van respondenten en dat zij met het geven van verklaringen onder toezegging van vertrouwelijkheid uiterst persoonlijke informatie hebben gedeeld met onderzoekers. Het schaden van dit vertrouwen leidt er volgens de Stichting toe dat slachtoffers zich in de toekomst niet meer durven uit te spreken en dat het doen van onderzoek hiermee wordt bemoeilijkt.
11.5.3.
De rechtbank heeft bij bestudering van de stukken vastgesteld dat het college eveneens delen van e-mailconversaties heeft geweigerd met een algemene aard waarin geen eigen ervaringen van respondenten of derden worden beschreven. Dit betreft de volgende (passages in) documenten:
B10 p. 1 het vlak met “5.1.2.e.,5.1.2.i” onder “Beste onderzoekers,”
p. 2 het vlak met “5.1.2.e.,5.1.2.i” onder “Urgentie: Hoog”
p. 5 het vlak met “5.1.2.e.,5.1.2.i” onderaan de pagina
p. 6 het vlak met “5.1.2.e.,5.1.2.i” bovenaan de pagina
B14 p. 1 het vlak met “5.1.2.e.,5.1.2.i” onderaan de pagina
B27 p. 27 het vlak met “5.1.2.e.,5.1.2.i” onder “Beste onderzoekers”
Vanwege de algemene aard van deze passages valt naar het oordeel van de rechtbank, met
uitzondering van de daarin opgenomen persoonsgegevens, niet in te zien dat
openbaarmaking daarvan raakt aan het belang van de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college deze passages, met uitzondering van de daarin opgenomen persoonsgegevens, niet heeft kunnen weigeren op grond van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het betoog van eiseres slaagt in zoverre. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het college bovengenoemde passages wél heeft kunnen weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo. De toepassing van deze weigeringsgrond bespreekt de rechtbank vanaf overweging 12.
11.6.
De rechtbank is, met uitzondering van het hiervoor overwogene, van oordeel dat het college de openbaarmaking van informatie die is gedeeld door het sturen van een e-mail naar het e-mailadres van het “Contactpunt Jehova’s Getuigen” heeft kunnen weigeren ter bescherming van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van degenen op wie deze informatie betrekking heeft. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat het geheel van omstandigheden maakt dat deze informatie, ten minste binnen een bepaalde context, gemakkelijk herleidbaar is naar de personen op wie deze informatie ziet. Daarbij is van belang dat het gaat om gedetailleerde informatie over (de wijze van omgaan met) ervaringen van seksueel misbruik binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen. Deze informatie is naar haar aard zeer persoonlijk, gevoelig en voor naasten gemakkelijk te herkennen. Het college heeft er op mogen wijzen dat de aard van de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen, waarbij alle leden deel uitmaken van een specifieke gemeente (Koninksrijkszaal) met ongeveer 100 leden, de mate van herleidbaarheid van de personen op wie de verklaringen zien vergroot. Daarbij is van belang dat de verklaringen zien op situaties die zich binnen de hechte context van een Koninksrijkszaal hebben voorgedaan en dat daarmee binnen die context eerder herkenning plaatsvindt. Dat, zoals eiseres stelt, ook een ervaring is gedeeld met het contactpunt vanaf een e-mailadres waarvan de gebruiker zich in een andere tijdszone bevindt, is onvoldoende om anders te oordelen over de mate van herleidbaarheid. Het college heeft verder mogen overwegen dat de ervaringen zijn gedeeld met onderzoekers via een speciaal daartoe ingericht contactpunt en daarmee binnen een context waarbij betrokkenen redelijkerwijs vertrouwelijkheid ten aanzien van de gedeelde informatie mochten veronderstellen. Met het college is de rechtbank van oordeel dat het openbaar maken van informatie over ervaringen (met de omgang) met seksueel misbruik die binnen een gerechtvaardigde context van vertrouwelijkheid is gedeeld ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek diep ingrijpt op de persoonlijke levenssfeer van degenen op wie deze informatie ziet. Het college heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank dan ook mogen concluderen dat het belang van het openbaar maken van deze informatie minder zwaar weegt dan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dit betoog van eiseres slaagt niet.
Heeft het college het openbaar maken van informatie kunnen weigeren ten behoeve van het goed functioneren van het bestuursorgaan?
12. In het bestreden besluit heeft het college het openbaar maken van informatie uit de documenten geweigerd omdat het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. [24] De weigering op deze grond heeft betrekking op de documenten of delen daarvan, met informatie betreffende de voorbereiding van het onderzoek A), de onderzoeksgegevens B), de verslagen van de begeleidingscommissie C), de overige correspondentie D) en de WODC-stukken E). Of het college de openbaarmaking van deze informatie heeft kunnen weigeren op deze gronden beoordeelt de rechtbank – voor zover eiseres tegen deze weigering gronden heeft gericht – hieronder.
Onderzoeksgegevens
12.1.
Het college stelt in het bestreden besluit, onder verwijzing naar de motivering van de weigering ter eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, dat de geweigerde informatie gedetailleerde verklaringen bevat over ervaringen van respondenten of derden met seksueel misbruik binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen. Openbaarmaking van deze informatie doet volgens het college af aan de aan de respondenten toegezegde vertrouwelijkheid en leidt er volgens het college toe dat het vinden van respondenten voor toekomstige onderzoeken moelijker wordt en dat respondenten terughoudender zullen worden met het delen van ervaringen. Het college wijst hiertoe mede op een uitspraak van de Afdeling. [25] Het doen van kwalitatief onderzoek naar een gevoelig onderwerp als seksueel misbruik wordt daarmee volgens het college vrijwel onmogelijk voor onderzoeksinstellingen, zoals het college, die mede een bestuursorgaan zijn. Uit de wetsgeschiedenis van de Woo kan volgens het college in dit opzicht worden afgeleid dat het belang van het goed functioneren van het bestuursorgaan zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid als sprake is van informatie uit onderzoeken van overheidsinstanties waarbij de verwachting is dat openbaarmaking van die informatie tot gevolg heeft dat derden in de toekomst terughoudender zullen zijn bij het verlenen van medewerking. [26] Verder druist het openbaar maken van deze informatie volgens het college in tegen integriteitsnormen van de beroepsgroep van de onderzoekers zoals deze zijn vastgelegd door de American Psychological Association. Gelet hierop weegt het belang van het goed functioneren van het bestuursorgaan volgens het college zwaarder dan het belang van openbaarheid.
12.1.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college de openbaarmaking van informatie in onderdeel B) niet heeft kunnen weigeren ten behoeve van zijn goed functioneren. Eiseres stelt ten eerste dat deze weigeringsgrond niet van toepassing kan zijn op informatie over het uitvoeren van onderzoek door de Universiteit Utrecht, omdat niet goed valt in te zien dat dit valt onder de in de wetsgeschiedenis genoemde voorbeelden over het goed functioneren. Volgens eiseres blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de informatie vereist dient te zijn voor de uitoefening van de wettelijke taak van het bestuursorgaan. [27] Eiseres stelt onder verwijzing naar rechtspraak dat hierbij gedacht kan worden aan verklaringen aan toezichthouders of controlerende organen en daarvan is volgens haar bij het college geen sprake. [28] Ook verder heeft het college volgens eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het openbaar maken van verklaringen in niet herleidbare vorm niet mogelijk is of dat dit toekomstige respondenten hindert. Daarbij is volgens eiseres van belang dat in hoofdstuk 4 van het WODC-rapport al verklaringen in niet tot personen herleidbare vorm zijn openbaar gemaakt en dat hieruit volgens haar al blijkt dat toekomstige respondenten niet worden gehinderd door openbaarmaking van verklaringen. Ook stelt eiseres dat het college de weigeringsgrond te ruim heeft toegepast en niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen feitelijkheden zijn die openbaar gemaakt kunnen worden zonder dat een redelijke respondent daartegen bezwaar kan hebben. De verwijzing naar de integriteitsnormen van de American Psychological Association is tot slot volgens eiseres niet relevant.
12.1.2.
De rechtbank overweegt dat door het college is toegelicht dat de onderzoekers een elektronisch contactpunt hebben ingesteld waarmee (ex-)leden van de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen in de gelegenheid zijn gesteld ervaringen met seksueel misbruik en de afhandeling daarvan binnen de gemeenschap te delen door middel van het invullen van een vragenlijst. Via het e-mailadres van het contactpunt waren de onderzoekers, in aanvulling hierop, bereikbaar voor vragen en konden andere zaken met hen worden gedeeld. De rechtbank overweegt verder dat het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek raakt aan de kern van het werkzaamheden van onderzoekinstellingen zoals de Universiteit Utrecht en daarmee van het college. Aannemelijk is dat respondenten door openbaarmaking van informatie die binnen een context van vertrouwelijkheid is gedeeld ten behoeve van onderzoek meer terughoudendheid zullen betrachten bij het delen van informatie ten behoeve van toekomstig wetenschappelijk onderzoek en dat het college daarmee wordt geraakt in diens goed functioneren. Het verkrijgen van onderzoeksgegevens is immers van wezenlijk belang bij het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Dat in het WODC-rapport geanonimiseerde verklaringen zijn opgenomen kan hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen. Het college heeft toegelicht dat de opname van deze verklaringen met de desbetreffende respondenten is afgestemd. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in het betoog dat het goed functioneren van het bestuursorgaan in het geval van het college niet van toepassing kan zijn. In de wetsgeschiedenis staan voorbeelden genoemd waarbij het goed functioneren in het geding kan worden geacht, echter blijkt niet dat daarmee is beoogd een limitatieve beschrijving te geven van de omstandigheden waaronder het goed functioneren in het geding is. De vraag of het belang van het goed functioneren van het bestuursorgaan in het geding is, vereist naar het oordeel van de rechtbank een op het specifieke bestuursorgaan toegesneden en een van de context afhankelijke beoordeling. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de openbaarmaking van informatie die is gedeeld met het e-mailadres van het Contactpunt Jehova’s Getuigen heeft kunnen weigeren omdat het belang van het goed functioneren van het bestuursorgaan zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid.
12.1.3.
Het betoog slaagt niet.
C)
Verslagen begeleidingscommissie
12.2.
In het bestreden besluit heeft het college de openbaarmaking van informatie in de verslagen van de begeleidingscommissie geweigerd. Het college stelt dat in de verslagen door experts op specifieke onderzoeksgebieden vertrouwelijk wordt gesproken ten behoeve van het opstellen van het WODC-rapport. Om in de toekomst gebruik te kunnen blijven maken van begeleidingscommissies wordt openbaarmaking van deze verslagen integraal geweigerd. Het achterhalen van de inbreng van individuele leden kan volgens het college betekenen dat betrokken personen en organisaties niet langer deel uit willen maken van een begeleidingscommissie. Het belang van het goed functioneren van het bestuursorgaan weegt daarom volgens het college zwaarder dan het belang van openbaarmaking.
12.2.1.
Eiseres wijst op haar onderbouwing ten aanzien van de informatie in onderdeel B) en vult daarop aan dat het college ten onrechte geen blijk heeft gegeven van de vereiste belangenafweging. Volgens eiseres is ten onrechte geen rekening gehouden met het gegeven dat onderzoekers bekend zijn met collegiale toetsing door middel van peer review. Dit principe gaat volgens eiseres al gepaard met een bepaalde mate van openbaarheid. Daardoor vormt openbaarmaking geen belemmering voor toekomstige bereidheid tot medewerking, aldus eiseres.
12.2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college de openbaarmaking van de verslagen van de begeleidingscommissie heeft kunnen weigeren omdat het belang van openbaarheid minder zwaar weegt dan het belang van het goed functioneren van het bestuursorgaan. Daartoe heeft het college mogen hechten aan het belang van het kunnen samenstellen van begeleidingscommissies in het kader van onderzoek voor het WODC en heeft het college aannemelijk mogen achten dat het samenstellen van die commissies wordt bemoeilijkt indien inbreng van individuele leden wordt geopenbaard.
12.2.3.
Het betoog slaagt niet.
D)
Overige correspondentie
12.3.
In het bestreden besluit heeft het college voor de motivering van de weigering ten behoeve van het belang van het goed functioneren van het college in onderdeel D) gewezen op de motivering ten aanzien van het onderdeel B).
12.3.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college in onderdeel D) de openbaarmaking van informatie niet heeft kunnen weigeren ten behoeve van het belang van het goed functioneren en zij wijst daartoe mede op de gronden die zij heeft aangevoerd ten aanzien van de weigering in de onderdelen B) en C). Van belang is volgens eiseres dat de weigeringsgrond te ruim is toegepast omdat inzage in omvangrijke stukken tekst is geweigerd met een korte motivering. Ten onrechte is volgens eiseres niet gemotiveerd waarom daarin geen feitelijkheden voorkomen die openbaar gemaakt kunnen worden.
12.3.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college heeft kunnen concluderen dat het belang van het goed functioneren van het bestuursorgaan zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid voor de documenten in onderdeel D). Zij wijst daartoe op de motivering onder 12.1.2. en 12.2.2.
12.3.3.
Het betoog slaagt niet.
E)
WODC-stukken
12.4.
In het bestreden besluit heeft het college overwogen dat een deel van de documenten ziet op de correspondentie tussen ambtenaren van het WODC, de onderzoekers onderling en de begeleidingscommissie. In de documenten wordt volgens het college door experts op specifieke onderzoeksgebieden vertrouwelijk gesproken ten behoeve van het opstellen van het onderzoeksrapport. Ook worden personen en organisaties benoemd die hebben aangegeven bereid te zijn om een bijdrage aan het onderzoek te leveren. Om in de toekomst gebruik te kunnen blijven maken van begeleidingscommissies, wordt openbaarmaking van de verslagen van de begeleidingscommissie volgens het college integraal geweigerd. Ook wordt deze informatie volgens het college niet openbaar gemaakt omdat daarmee het risico bestaat dat de leden van de begeleidingscommissie alsook de medewerkers van het WODC zich niet meer vrijelijk over de (totstandkoming) van het onderzoek kunnen uitlaten. Dit vormt volgens het college een directe aantasting van het onderzoek aan de Universiteit Utrecht. Het goed functioneren van het college weegt daarmee volgens het college zwaarder dan het belang van openbaarheid.
12.4.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college in onderdeel E) de openbaarmaking van informatie niet heeft kunnen weigeren ten behoeve van het belang van het goed functioneren en zij wijst daartoe mede op de gronden die zij heeft aangevoerd ten aanzien van de weigering in onderdelen B) en C). Van belang is volgens eiseres dat de weigeringsgrond te ruim is toegepast omdat inzage in omvangrijke stukken tekst is geweigerd met een korte motivering. Ten onrechte is volgens eiseres niet gemotiveerd waarom daarin geen feitelijkheden voorkomen die openbaar gemaakt kunnen worden. Dit wordt volgens eiseres onder meer geïllustreerd door document E20.
12.4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college de weigering van informatie ten behoeve van het goed functioneren van het college in onderdeel E) onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Daartoe overweegt de rechtbank dat de motivering van het college over dit onderdeel ten dele ziet op de verslagen van de begeleidingscommissies die niet zijn opgenomen in de documenten in onderdeel E). Daarmee is de door het college gegeven motivering ten dele niet relevant ter zake van de informatie die in onderdeel E) is geweigerd op deze grond. Ook verder is de door het college gegeven motivering algemeen van aard en onvoldoende toegesneden op de specifieke documenten. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met het motiveringsbeginsel. [29] Dit betoog van eiseres slaagt.
Heeft het college het openbaar maken van informatie kunnen weigeren omdat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen?
13. In het bestreden besluit heeft het college het openbaar maken van informatie uit documenten geweigerd omdat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen die zijn bedoeld voor intern beraad. [30] Het college licht toe dat de weigering ziet op documenten of delen daarvan die zijn opgesteld voor de voorbereiding van het onderzoek zoals e-mails tussen onderzoekers, notities en conceptteksten in de onderdelen A) en B). De documenten in onderdeel B) betreffen volgens het college mede conceptteksten van het WODC-rapport. Voor zover de conceptteksten afwijken van het WODC-rapport is volgens het college sprake van persoonlijke beleidsopvattingen. Over de weigering van informatie in onderdeel D) licht het college toe dat een groot deel bestaat uit correspondentie tussen onderzoekers waarin overleg wordt gevoerd over het onderzoek en de totstandkoming van het WODC-rapport. Over de weigering van informatie in onderdeel E) licht het college toe dat een deel van de stukken bestaat uit correspondentie tussen de onderzoekers en het WODC over de offerte, de totstandkoming van de begeleidingscommissie en het WODC-rapport. De documenten in de onderdelen D) en E) bevatten daarmee, aldus het college, persoonlijke beleidsopvattingen die bestaan uit meningen, waardeoordelen, visies, ervaringen, en standpunten ten behoeve van intern beraad over de offerte, het onderzoek en het WODC-rapport. Volgens het college is van belang dat onderzoekers ter voorbereiding op het onderzoek vrij met elkaar van gedachten kunnen wisselen om daarmee tot een wetenschappelijk verantwoorde onderzoeksopzet te komen en is daarvoor nodig dat zij vertrouwelijk kunnen afstemmen en overleggen over wetenschappelijke en methodologische standpunten, informatie en visies. Volgens het college dient voorkomen te worden dat zij in de toekomst terughoudender zullen zijn met het delen van opvattingen. Voor zover sprake is van feitelijkheden zijn deze volgens het college zodanig verweven met persoonlijke beleidsopvattingen dat deze niet openbaar gemaakt kunnen worden. Geanonimiseerde openbaarmaking is volgens het college niet mogelijk omdat de persoonlijke beleidsopvattingen zijn gedeeld in een kleine groep van onderzoekers en behandelend WODC-ambtenaren met een duidelijke rolverdeling door de aard van hun functie. Hierdoor kunnen zij aan de hand van de geuite persoonlijke beleidsopvatting worden herleid. [31]
13.1.
Eiseres stelt zich ten eerste op het standpunt dat het college documenten of delen daarvan in de onderdelen A), B), D) en E) ten onrechte heeft geweigerd omdat volgens haar geen sprake is van intern beraad voor zover het WODC is betrokken in stukken. Eiseres stelt daartoe onder verwijzing naar uitspraken dat het college en het WODC geen parallelle belangen hebben. [32] De documenten of passages die zien op overleg met het WODC hebben volgens eiseres geen intern karakter omdat het WODC, anders dan de Universiteit, een eigen politiek belang heeft bij het onderzoek. Ook wijst eiseres erop dat het WODC en de onderzoekers privaatrechtelijke contractspartijen zijn en is daarmee sprake van advisering of onderzoek met een commercieel of eigen wetenschappelijk belang.
13.1.1.
Het WODC heeft zich onder verwijzing naar de Regeling wetenschappelijke onafhankelijkheid WODC op het standpunt gesteld dat het WODC inhoudelijk onafhankelijk opereert en dat in zijn opdracht wetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd. Het WODC heeft toegelicht dat door een bewindspersoon of een van de Kamers der Staten-Generaal een verzoek kan worden gedaan voor onderzoek, maar dat daarop door het WODC een antwoord gegeven dient te worden. Ook heeft het WODC toegelicht dat het vaststellen van het werkprogramma geschiedt door en onder eindverantwoordelijkheid van zijn directeur.
13.1.2.
De rechtbank overweegt dat artikel 5.2, eerste lid, van de Woo bepaalt dat in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie wordt verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
13.1.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college, voor zover de geweigerde passages in de onderdelen A), B), D) en E) zien op communicatie die is gedeeld met of afkomstig is van het WODC, op goede gronden heeft geconcludeerd dat sprake is van documenten ten behoeve van intern beraad. Deze documenten zijn opgesteld met het oog op gebruik binnen de overheid. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat het WODC een eigen belang heeft dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat het uitvoeren van een gedegen wetenschappelijk onderzoek vooropstond bij zowel de Universiteit als het WODC. Dat in dat verband een contractuele relatie bestond tussen het WODC, als opdrachtgever, en de Universiteit Utrecht, als opdrachtnemer, is onvoldoende om aan te nemen dat de inbreng van het WODC mede is ingegeven door een eigen belang bij de uitkomst van het beraad. Dit betoog van eiseres slaagt niet.
13.2.
Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het college met de weigering onvoldoende blijk heeft gegeven van een beoordeling per zelfstandig onderdeel. Volgens eiseres is van belang dat feitelijkheden zoals prognoses, gevolgen van (beleidsalternatieven) en onderdelen met een overwegend objectief karakter geen persoonlijke beleidsopvattingen zijn en dat de reikwijdte van het begrip persoonlijke beleidsopvattingen onder de Woo daarmee een beperktere reikwijdte kent dan zoals eerder onder de Wob. [33] In het bijzonder wijst eiseres hierbij op de integrale weigering van de documenten A1 en A2. Zij stelt dat onaannemelijk is dat deze documenten geheel bestaan uit persoonlijke beleidsopvattingen; het college heeft volgens haar ten onrechte niet gemotiveerd dat de feitelijkheden zodanig zijn verweven met de persoonlijke beleidsopvattingen dat de integrale weigering is gerechtvaardigd. Verder stelt eiseres dat uit de zichtbare delen van document E16 blijkt dat de geweigerde delen zien op opmerkingen over de factuur. In tegenstelling tot wat in het bestreden besluit staat vermeld, zijn dit volgens eiseres geen meningen, visies, ervaringen, overwegingen en standpunten over het onderzoeksrapport. Deze inconsistentie geeft volgens eiseres reden om te twijfelen aan de toepassing van de weigeringsgrond over persoonlijke beleidsopvattingen.
13.3.
De rechtbank stelt, na bestudering van de stukken, vast dat het college in de documenten A4, B4, en B5 mede de openbaarmaking van passages met een overwegend objectief karakter heeft geweigerd. Over document B4 overweegt de rechtbank dat door eiseres is aangevoerd dat delen van de conceptteksten die het definitieve rapport niet hebben gehaald door het college niet categorisch en enkel op grond van hun aard mogen worden geweigerd. Bij bestudering van de stukken is de rechtbank gebleken dat de conceptteksten in de documenten B3 en B4 integraal openbaar zijn gemaakt. Het college heeft wel de openbaarmaking van bij de concepttekst in document B4 geplaatste opmerkingen geweigerd. Een aantal van deze opmerkingen heeft, naar het oordeel van de rechtbank, een overwegend objectief karakter omdat het louter opmerkingen met een redactionele en beschrijvende aard betreft. Naar het oordeel van de rechtbank zijn gelet hierop de volgende passages niet aan te merken als persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad zoals bedoeld in artikel 5.2, eerste lid van de Woo:
A4 p. 1 opmerking 1
p. 2 opmerkingen 1, 2, 3, 4, 5 en 6
p. 3 opmerking 2
p. 4 opmerking 1
p. 5 opmerking 1
p. 6 opmerking 1
B2 p. 3 het vlak met “5.2.1” onder “tsv’s mee te bekijken”
B4 p. 1 opmerking 1
p. 13 opmerking 1
13.3.1.
Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het motiveringsbeginsel. [34] Het betoog van eiseres slaagt in zoverre.
13.4.
De rechtbank is voor het overige van oordeel dat het college openbaarmaking van de passages heeft kunnen weigeren omdat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad. Het betoog slaagt in zoverre niet.
Heeft het college het openbaar maken van informatie kunnen weigeren omdat sprake is van concurrentiegevoelige informatie?
14. In het bestreden besluit heeft het college het openbaar maken van informatie geweigerd omdat het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens. [35] De weigering op deze grond heeft betrekking op informatie in de onderdelen D) en E). Ten aanzien van de weigering van informatie in onderdeel D) heeft het college overwogen dat sprake is van informatie die inzicht geeft in het datamanagement van de Universiteit. Ten aanzien van de weigering van informatie in onderdeel E) heeft het college overwogen dat de informatie inzicht geeft in de tarieven van de onderzoekers, de kosten van het onderzoek van de Universiteit alsook de budgetten van het WODC. Deze informatie in de onderdelen D) en E) is volgens het college concurrentiegevoelig en openbaarmaking daarvan schaadt volgens hem de concurrentie positie van de Universiteit.
14.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de weigering van het openbaar maken van deze informatie onvoldoende is gemotiveerd door het college. Volgens eiseres is door het college ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt wie concurrenten zijn van de Universiteit en is eveneens niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre de Universiteit opereert op een markt. Dat het datamanagement van de Universiteit concurrentiegevoelig is en wat de gevolgen van openbaarmaking zijn, heeft het college volgens eiseres niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft verder ook gesteld dat het college geen blijk heeft gegeven van een afweging waarin is betrokken dat de documenten ten tijde van het bestreden besluit ouder zijn dan vijf jaar.
14.2.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo bepaalt dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens die niet vallen onder 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo. In de wetsgeschiedenis heeft de wetgever over deze weigeringsgrond overwogen dat het belang van de bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens eerder zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid bij informatie die betrekking heeft op het fabricageproces of de strategie van een onderneming. Maar dat deze uitzonderingsgrond ook van toepassing kan zijn op actuele offertes, aanbestedingen en andere concurrentiegevoelige gegevens. Informatie betreffende handelingen van ondernemingen die op externe gevolgen gericht zijn, zullen volgens de wetgever minder snel als concurrentiegevoelig kunnen worden aangemerkt. [36]
14.3.
Ten aanzien van informatie over het datamanagement is de rechtbank van oordeel dat het college het belang van de bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens zwaarder heeft kunnen laten weten dan het algemene belang van openbaarheid. De rechtbank overweegt in dit verband dat het college heeft toegelicht dat de Universiteit, om in aanmerking te komen voor het gunnen van het onderzoek, aan de hand van beoordelingscriteria onderzoeksvoorstellen moet indienen die zien op inhoud, onderzoeksmethoden, bescherming van persoonsgegevens, de organisatie en planning van het onderzoek, de samenstelling van het onderzoeksteam en de begroting. Deze gunningsprocedure maakt volgens het college dat sprake is van een concurrerende markt waarop de Universiteit en andere onderzoeksinstellingen opereren. Omdat het beschermen van persoonsgegevens een onderdeel van dit beoordelingsproces vormt heeft het college, naar het oordeel van de rechtbank, kunnen concluderen dat informatie over het datamanagement bij het verrichten van het onderzoek concurrentiegevoelige informatie betreft. Dit betoog van eiseres slaagt niet.
14.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college de weigering ter bescherming van het belang van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegevens onvoldoende heeft gemotiveerd voor zover deze weigeringsgrond is toegepast op informatie over tarieven en kosten van onderzoek in offertes alsook budgetten van het WODC. Het college heeft onvoldoende toegelicht dat meer dan vijf jaar nadat deze informatie tot stand is gekomen nog steeds sprake is van concurrentiegevoelige informatie. Het college heeft er in zijn motivering geen blijk van gegeven dat dit tijdsverloop is betrokken in de gemaakte afweging. [37] De rechtbank betrekt hier verder bij ook dat in de documenten E3, E5, E10 en E17 door het college ook informatie is geopenbaard over (de verhoging van) het budget en de door de Universiteit gefactureerde bedragen. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met het motiveringsbeginsel. [38] Dit betoog van eiseres slaagt.
Documenten ouder dan vijf jaar
15. Eiseres heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het college ten onrechte niet in diens belangenafwegingen heeft betrokken dat meerdere documenten ten tijde van het bestreden besluit ouder waren dan vijf jaar. Dit tijdsverloop speelt volgens eiseres een relevante rol en zij wijst hiertoe mede op artikel 5.3 van de Woo.
15.1.
De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit het tijdsverloop van meer dan vijf jaar sinds de totstandkoming van meerdere documenten niet kenbaar heeft betrokken in de belangenafwegingen die het heeft gemaakt ten behoeve van het weigeren van informatie. Met eiseres is de rechtbank daarom van oordeel dat de weigering van het openbaar maken van informatie die ouder is dan vijf jaar in zoverre onvoldoende is gemotiveerd door het college.
15.2.
De rechtbank is, met uitzondering van het onder 14.3. overwogene, van oordeel dat het college dit gebrek heeft hersteld met zijn aanvullende motivering in het verweerschrift. Daarin heeft het college toegelicht dat de oudste gegevens nog geen zes jaar oud waren op het moment dat het bestreden besluit werd genomen. De geweigerde informatie in de onderdelen A), B), C), D) en E) is volgens het college niet door verloop van tijd minder gevoelig geworden. Zo wijst het college erop dat persoonsgegevens van onderzoekers, respondenten en andere betrokkenen nog steeds naar hen zijn te herleiden. Ook wijst het college erop dat het onderwerp van het WODC-rapport uiterst gevoelig en persoonlijk is en ook maatschappelijk veel aandacht heeft gekregen.
Is sprake van strijd met artikel 8 van Pro het EVRM?
16. Eiseres stelt dat de weigering om de informatie te verstrekken in strijd is met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) en zij wijst ter onderbouwing op een uitspraak. [39] Het parlementaire onderzoek en de totstandkoming van het WODC-rapport hebben volgens eiseres rechtstreeks betrekking op haar gemeenschap, zowel op individueel niveau als op groepsniveau. Het WODC-rapport heeft volgens eiseres negatieve gevolgen gehad voor de reputatie van Jehovah’s Getuigen, ouderlingen, ouders en schoolgaande kinderen en zijn op grond van het WODC-rapport overheidsmaatregelen voorbereid die van invloed zijn op het leven van Jehovah’s Getuigen. De discussie hierover is volgens eiseres door de minister van Justitie en Veiligheid publiekelijk gevoerd in diverse media, zonder dat zij beschikt over de informatie om zich te kunnen verweren. Daarbij komt volgens eiseres dat uit onderzoek is gebleken dat binnen de Jehovah’s Getuigen zorgen bestaan dat de publicatie van het WODC-rapport leidt tot meer stereotypering en discriminatie van Jehovah’s Getuigen. [40]
16.1.
De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. Voorop staat dat artikel 8 van Pro het EVRM niet vereist dat alle verzochte gegevens openbaar worden gemaakt. Deze bepaling biedt de mogelijkheid om aan het openbaar maken van documenten beperkingen te verbinden. De Woo voorziet, evenals de Wob eerder, in dergelijke beperkingen. [41] De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet heeft geconcretiseerd in hoeverre het recht op eerbiediging van het privé en familieleven in het geding is en op welke wijze gedeeltelijke weigering om documenten openbaar te maken eiseres in dit recht raakt. De verwijzing naar het arrest van het ERHM slaagt niet, omdat in dat geval sprake was van geweigerde toegang tot gegevens van een specifiek individu en niet, zoals in het geval van eiseres, van een groep. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van strijd met artikel 10 van Pro het EVRM?
17. Eiseres stelt verder mede onder verwijzing naar het
Magyar-arrest dat de weigering om de informatie te verstrekken over het onderzoek in strijd is met artikel 10 van Pro het EVRM. [42] Eiseres stelt dat zij een met een publieke waakhond vergelijkbare rol vervult.
Het ontvangen van de gevraagde informatie is volgens eiseres vereist voor het invullen van haar recht om haar leden en het algemene publiek vrijelijk te kunnen infomeren over het onderzoek, het optreden van het WODC en het ministerie. Eiseres wijst erop dat zij ter invulling van deze rol op 2 september 2020 een open brief heeft gestuurd aan landelijke dagbladen. Volgens haar is verder sprake van bijzondere omstandigheden waardoor, ondanks mogelijke toepassing van de weigeringsgronden uit de Woo, die weigering in strijd is met artikel 10 van Pro het EVRM. [43] Daartoe is van belang dat de Jehovah’s Getuigen als groep en individueel in verband worden gebracht met strafbare feiten en daarover een maatschappelijk debat wordt gevoerd en overheidsbemoeienis naar aanleiding van het WODC-rapport dreigt. Dit terwijl het WODC-rapport volgens eiseres geen feitelijke basis biedt voor de conclusies die leiden tot deze overheidsbemoeienis. Zo bevat het WODC-rapport volgens eiseres cijfers die erop wijzen dat de aangiftebereidheid onder Jehovah’s Getuigen groter is dan gemiddeld in Nederland. Eiseres wijst erop dat in dit verband ook een civiele procedure is gevoerd.
17.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat artikel 10 van Pro het EVRM niet vereist dat alle informatie verstrekt wordt of openbaar gemaakt wordt. In het algemeen mag ervanuit worden gegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de Woo, zoals eerder grotendeels ook opgenomen in de Wob, heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. Dit staat er niet aan in de weg dat mogelijk in een concrete situatie niet aan dit uitgangspunt vastgehouden kan worden. Het ligt dan op de weg van de verzoeker om zeer bijzondere omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die zouden meebrengen dat de verzoeker, ondanks toepassing van de Woo, in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd. [44]
17.2.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat sprake is van de hiervoor bedoelde zeer bijzondere omstandigheden. Eiseres vervult, als religieuze organisatie, niet een functie als publieke waakrond. Evenmin is haar werk het voeren van gerechtelijke procedures. Hoewel eiseres wel als werk heeft om haar leden te vertegenwoordigen, heeft zij niet aangetoond dat zij dat werk niet kan doen met het deel van de gevraagde informatie dat wel openbaar is gemaakt. Het voorgaande betekent dat eiseres in het licht van artikel 10, tweede lid, van het EVRM niet op onrechtmatige wijze is belemmerd in haar aan het eerste lid van dat artikel ontleende recht om inlichtingen van de overheid te ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overschrijding van de redelijke termijn
18. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn voor afdoening van het geschil.
18.1.
De redelijke termijn is overschreden als de duur van de procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar en anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
18.2.
Het college heeft het bezwaarschrift van eiseres ontvangen op 10 maart 2021. De redelijke termijn is, gerekend van dat moment tot het moment van uitspraak in deze procedure dus met 38 maanden overschreden. Deze overschrijding kan aan de rechtbank worden toegerekend.
18.3.
Hierbij geldt een forfaitaire vergoeding van € 500,- per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 3.500,- te betalen door de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is gegrond gelet op hetgeen is overwogen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de openbaarmaking te nemen.
19.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van twaalf weken.
19.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) alsook een zienswijze bij de geheimhoudingskamer (0,5 punt). Verder heeft de gemachtigde aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt). Ook krijgt eiseres een vergoeding van haar reiskosten ter hoogte van € 9,90. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.344,90.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 3 september 2021 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 10 september 2024 gegrond;
  • vernietigt dat besluit;
  • draagt het college op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op het bezwaar met in achtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 360,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 2.344,90- aan proceskosten aan eiseres;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 3.500,- aan immateriële schadevergoeding aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. J.L. Boxum en mr. L. Mulder, leden, in aanwezigheid van mr. D.A. Bekking, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
2.Zie artikel 10.1 van de Woo.
3.Zie artikel 4.1, eerste lid, van de Woo.
4.Zie artikel 2.5 van de Woo.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:133.
6.Zie de uitspraken van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367, en 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:480.
7.Zoals bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
8.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:709.
9.Zoals bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
10.Zie
11.Zie de uitspraken van de Afdeling van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321 en ECLI:NL:RVS:2018:322 en de uitspraak van 8 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:20.
12.Zie
13.Zie
14.Zie artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.
15.Zie de uitspraak van de rechtbank Zeeland West-Brabant van 2 januari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:11 en de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 april 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:3687.
16.Zie artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.
17.Zie
18.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1737.
19.Zoals bedoeld in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.
20.Zie de paragrafen 4.4.2 en 4.3.2.5. van het WODC-rapport.
21.Zie paragraaf 5.4.4. van het WODC-rapport.
22.Zie de paragrafen 4.4.2. en 4.3.2.5 van het WODC-rapport.
23.Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1317.
24.Zie artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo.
25.Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1317.
28.Zie onder meer de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3427, en van de rechtbank Overijssel van 5 februari 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:602.
29.Zoals bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
30.Zie artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
31.Zie artikel 5.2, tweede lid, van de Woo.
32.Zie de uitspraken van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2610, en 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3497.
33.Zie de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 maart 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:1647.
34.Zie artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
35.Zie artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo.
37.Zie artikel 5.3 van de Woo.
38.Zoals bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
39.Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) van 24 september 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0924JUD003939398.
40.Eiseres verwijst naar een Expert Opinion van H. Folk, M. Introvigne en J. Gordon Melton.
41.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5710.
42.Zie het arrest van het ERHM van 8 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD001803011.
43.Zie de uitspraken van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:541, van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2988 en van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883.
44.Zie de uitspraken van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883 en van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:541.