Eiser ontving bijstand die met ingang van 1 januari 2013 werd ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht over zijn woonadres. Verweerder vorderde € 21.445,46 terug en legde een boete op van € 8.100,--, later verlaagd naar € 1.160,--. Eiser voerde aan dat hij wel recht had op bijstand en dat de boete te hoog en onvoldoende gedifferentieerd was.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde, mede gelet op het extreem lage waterverbruik en geringe afvalstorting. Verweerder was daarom terecht overgegaan tot intrekking en terugvordering van de bijstand. De boete was terecht opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht, maar de rechtbank vond dat de systematiek van een maximale boete van € 8.100,-- bij een benadelingsbedrag tussen € 16.200,-- en € 50.000,-- voldoende differentiatiemogelijkheden bood.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond, maar vernietigde het boetebesluit voor zover verweerder geen vergoeding had toegekend voor de kosten in bezwaar en stelde de boete vast op € 1.160,--. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.