ECLI:NL:RBNNE:2014:6195
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.W. Keuning
- G.B.A. Brummer
- M. Chin-Oldenziel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingaanslagen na emigratie melkveehouderij en toepassing herinvesteringsreserve
Eiseres en haar echtgenoot dreven tot 18 april 2005 een melkveehouderij in Nederland en zijn daarna geëmigreerd naar Duitsland waar zij hun bedrijf voortzetten. Bij emigratie werd een deel van de herinvesteringsreserve (HIR) afgeboekt op investeringen in Duitsland, terwijl een deel niet was afgeboekt. Verweerder legde aanslagen op waarbij de vrijval van de HIR werd meegenomen als belastbaar inkomen.
Eiseres betwistte de toepassing van artikel 3.60 en 3.61 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en stelde dat deze artikelen in strijd zijn met het vrije verkeer van vestiging. Verweerder handhaafde de aanslagen en verwees naar het arrest National Grid Indus van het Hof van Justitie.
De rechtbank oordeelde dat de HIR als vermogensbestanddeel moet worden beschouwd en dat afrekening bij emigratie op grond van artikel 3.60 Wet IB 2001 terecht is. De rechtbank volgde het arrest National Grid Indus en bevestigde dat heffing over latente meerwaarden bij emigratie is toegestaan, maar dat de invordering van belasting niet in deze procedure kan worden beoordeeld.
De beroepen tegen de aanslagen en de heffingsrente zijn ongegrond verklaard. De rechtbank wees op het ontbreken van zelfstandige gronden tegen de heffingsrente en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie ziekenfondswet 2005 worden ongegrond verklaard.