Uitspraak
1.Kern van de zaak
2.De procedure
- de dagvaarding van 5 maart 2025;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
- de incidentele conclusie inzake vordering tot inzage ex artikel 194 jo Pro 195 Rv, tevens houdende een conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
- de conclusie van antwoord in het incident tevens houdende een conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
3.3. De feiten
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eisers] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
- kopieën van de overeenkomsten van 6 april 2001 met contractnummers 22180743 en 51789267, voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP00814-[bedrijf] V.O.F.- een kopie van een uittreksel van de KvK van [bedrijf] met als beschrijving van de werkzaamheden ‘
Bemiddeling en advisering op het gebied van hypotheken, verzekeringen, financieringen, beleggingen en andere financiële diensten en Bemiddeling bij de aan- en verkoop van onroerend goed’.
- dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
- dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
- dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
- dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
€ 144,00