ECLI:NL:RBNHO:2026:2328

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
11676408 CV EXPL 25-1238
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia bij effectenleaseovereenkomsten via onvergunde tussenpersoon

In deze zaak vordert eiser dat de rechtbank verklaart dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem door effectenleaseovereenkomsten te sluiten via een tussenpersoon zonder vergunning die persoonlijk advies gaf. Eiser stelt dat hij door deze advisering is misleid en daardoor schade heeft geleden, bestaande uit betaalde termijnen en een restschuld.

Dexia voert verweer en stelt onder meer dat er geen sprake is van vergunningplichtige advisering en dat eiser onvoldoende bewijs levert. De rechtbank overweegt dat de jurisprudentie van de Hoge Raad en gerechtshoven leidraad is en dat eiser voldoende concreet heeft gesteld dat de tussenpersoon persoonlijk en onvergund advies heeft gegeven, waarvan Dexia op de hoogte had moeten zijn.

De rechtbank oordeelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomsten aan te gaan terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon onvergund persoonlijk advies gaf. De schade komt geheel voor rekening van Dexia, maar omdat eiser niet de enige contractspartij is, wordt de vergoedingsplicht beperkt tot de helft van de schade.

Het incidentele verzoek van Dexia om inzage in het intakeformulier wordt afgewezen vanwege het vertrouwelijke karakter van de communicatie tussen eiser en zijn gemachtigde. Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten en tot betaling van de schadevergoeding aan eiser, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens eiser en moet de helft van de schade vergoeden met rente en proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11676408 CV EXPL 25-1238
vonnis van de kantonrechter van 5 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats],
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 16 april 2025;
  • de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
1.2.
De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren
1.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

2.2. De feiten

2.1.
In een vonnis van deze rechtbank en locatie van 12 juni 2024 is het volgende overwogen:

2.2. [eiser] c.s. heeft de volgende effectenleaseovereenkomsten met Dexia gesloten, te weten: :
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
21685400
27 april 2000
Capital Effect Maandbetaling
II.
21685401
27 april 2000
Capital Effect Maandbetaling
III.
56083238
31 mei 2000
Profit Effect Maandbetaling
(…)
3.3.
[betrokkene 1] heeft bij gemachtigde geantwoord en laten weten dat het in deze procedure gaat om [eiser], die destijds alles heeft geregeld. Zij staat daarbuiten. Zij is op 16 november 2001 van [eiser] gescheiden, is ernstig ziek en kan deze procedure er niet bij hebben.
(…)
[betrokkene 1]
5.4.
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [betrokkene 1] gesloten overeenkomsten met nummers 2685400, 21685401 en 56083238 aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan [betrokkene 1] verschuldigd is.”
2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
07-10-2004
- € 1.502,44
gecedeerd (€ 1.502,44)
II.
20-01-2004
-€ 2.434,73
deels middels verrekening, € 164,97 is betaald, voor de rest (€ 2.165,33) is de vordering gecedeerd
III.
11-06-2004
- € 4.009,86
€ 450,38 betaald, voor de rest (€ 2.381,26) is de vordering gecedeerd. Nog openstaand bedrag van € 1.178,22.
2.3.
Volgens opgave van Dexia is op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 6.517,89 aan maandtermijnen en een bedrag van € 615,35 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave is € 1.156,81 aan dividenden ontvangen en € 1.015,97 aan fiscaal voordeel genoten.
2.4.
De gemachtigde van [eiser], Leaseproces, heeft bij brief van 15 mei 2007 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

3.De vordering en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident

3.1.
[eiser] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] van al datgene dat [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 te vernietigen het beding/ de bedingen op basis waarvan Dexia resterende termijnen in rekening bracht op de eindafrekening van de overeenkomst(en) 21685400, 21685401 en 56083238 en Dexia te veroordelen om het bedrag van € 310,89, € 998,98 en € 2.855,46 als zijnde onverschuldigd betaald aan [eiser] te restitueren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf respectievelijk 7 oktober 2004, 20 januari 2004 en 11 juni 2004 tot de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie door uw rechtbank te bepalen bedrag en ingangsdatum van de wettelijke rente,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
3.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, met een incidenteel verzoek waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 [eiser] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eiser] en mevrouw [betrokkene 1] gesloten overeenkomst met nummers 21685400, 21685401 en 56083238 niets meer aan [eiser] verschuldigd is,
 [eiser] zal veroordelen in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
4. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en het verzoek in het incidentalgemeen4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser].
4.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
4.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[eiser] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
verjaring
4.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
4.5.
De overeenkomsten zijn met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Novendo (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
4.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
4.7.
[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“[eiser] werd door Novendo ongevraagd telefonisch benaderd. De medewerker van Novendo stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eiser] door te nemen met een financieel adviseur van Novendo, te weten de heer [betrokkene 2] (hierna verder te noemen: ‘de adviseur’). [eiser] heeft hiermee ingestemd. [eiser] heeft van het ingeplande huisbezoek een afspraakbevestiging ontvangen en deze overlegt hij alsproductie C.
Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser]. Er is gesproken over de gezinssamenstelling, het werk van [eiser] en zijn echtgenote, hun gezamenlijke inkomen en pensioenvoorzieningen. Met de adviseur is gesproken over de wens van [eiser] om zijn pensioen aan te vullen. De adviseur gaf aan dat dit mogelijk was en adviseerde [eiser] over een constructie van verschillende effectenlease-producten waarbij [eiser] zijn doelstelling kon bereiken om het pensioen aan te vullen. De adviseur adviseerde drie overeenkomsten met een maandelijkse betaling: een Capital Effect met een maandbedrag van NLG 100,-, een Capital Effect met een maandbedrag van NLG 150,-, en een Profit Effect met een maandbedrag van NLG 100,-. Het totaalbedrag van NLG 350,- stemde de adviseur volledig af op het inkomen en de gewenste hoogte van de pensioenvoorziening. Daarnaast zou [eiser] met meerdere overeenkomsten de vrijheid behouden om enkele vroegtijdig te stoppen, en de andere overeenkomsten door te laten lopen. Zo kon hij op een flexibele wijze vermogen voor zijn pensioen opbouwen.
De adviseur ondersteunde dit standpunt aan de hand van een boekje met rekenvoorbeelden. Hieruit bleek dat na vijf, tien of twintig jaar een groot bedrag aan vermogen opgebouwd zou zijn. Daarnaast benadrukte de adviseur dat het ging om goede, stabiele en rendabele fondsen. Bovendien zou [eiser] ook veel dividend ontvangen gedurende de looptijd.
De adviseur heeft [eiser] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met de inleg de rentelasten voor de andere lening (de effectenleaseovereenkomsten) werden betaald en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van het effectenleaseovereenkomsten.
[eiser] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en heeft het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de effectenleaseproducten is door de adviseur in orde gemaakt. Vervolgens heeft de adviseur de overeenkomsten per post naar [eiser] gestuurd, tezamen met een begeleidende brief (productie D). [eiser] heeft deze ondertekend en geretourneerd via de bijgevoegde retourenvelop.
Het opvolgen van het advies heeft voor [eiser] desastreus uitgepakt. In plaats van het voorgespiegelde vermogen dat zou worden opgebouwd, is [eiser] de betaalde inleg geheel kwijtgeraakt. Daarnaast heeft [eiser] een restschuld aan de overeenkomsten overgehouden. De restschuld heeft Dexia aan EDR Incasso gecedeerd. Deze heeft [eiser] aan EDR Incasso voldaan.”
4.8.
[eiser] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 27-04-2000 met contractnummer 21685400, voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP00981-Novendo B.V.”,
- een kopie van de overeenkomst van 27-04-2000 met contractnummer 21685401, voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP00981-Novendo B.V.”,
- een kopie van de overeenkomst van 31-05-2000 met contractnummer 56083238, voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP00981-Novendo B.V.”,
-een brief van 6 april 2000 gericht aan [eiser], voorzien van het logo van Novendo B.V., betreffende een afspraakbevestiging, waarin te lezen is:
‘(…)
Naar aanleiding van het telefonisch onderhoud dat u voerde met één van onze adviseurs, de heer [betrokkene 3], willen wij u middels dit schrijven de gemaakte afspraak met u bevestigen.
(…)
Afgesproken is dat dit persoonlijk onderhoud zal plaatsvinden op maandag 10 april 2000 om 16.00 uur. Op bovengenoemde datum en tijdstip zal de heer [betrokkene 2] u ontmoeten op het volgende adres: [adres], [postcode] [plaats].
(…)’,
- een kopie van een uittreksel van de KvK van 1 april 2022 met als beschrijving van de werkzaamheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst ‘
Het verlenen van financiële diensten, alles in de ruimste zin.’.
aanhoudingsverzoek
4.9.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
4.10.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
4.11.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
4.12.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] [5] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser], tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiser] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
4.13.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser]. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [eiser] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiser] voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia4.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia, met in achtneming van hetgeen hierna wordt overwogen.
4.15.
Dexia heeft nog aangevoerd dat [eiser] slechts aanspraak heeft op de helft van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt nu [betrokkene 1] medecontractant was en dit ook is vastgesteld door de kantonrechter in het hiervoor genoemde vonnis van 12 juni 2024. De kantonrechter begrijpt dat Dexia een beroep doet op de bindende kracht van dat vonnis.
4.16.
[eiser] heeft niet betwist dat het vonnis op zich bindende kracht heeft maar meent dat uit de hiervoor weergegeven overweging 3.3 juist blijkt dat [eiser] de enige contractspartij is.
4.17.
De kantonrechter kan [eiser] niet volgen nu uit het vonnis klip en klaar blijkt dat ervan is uitgegaan, gelet op het vastgestelde feit onder 2.2. en het hiervoor weergegeven deel van het dictum, dat [betrokkene 1] als medecontractant is aangemerkt en dat dus is beslist dat [eiser] niet de enige contractspartij is.
vorderingen van [eiser]4.17. De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, alsmede dat Dexia de helft van de geleden schade dient te vergoeden.
4.18.
De als gevolg hiervan door [eiser] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de aan Dexia betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Betalingen aan derden blijven dus buiten beschouwing. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
4.19.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden en de vordering met betrekking tot de resterende termijnen geen nadere bespreking.
het incidentele verzoek van Dexia
4.20.
Dexia verzoekt dat [eiser] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
4.21.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
4.22.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 87,00.
vorderingen Dexia
4.23.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
4.24.
Omdat [eiser] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 954,47.
4.25.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

5.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op € 87,00,
in conventie
5.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
5.4.
verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade, zijnde de helft van de totale schade, te vergoeden,
5.5.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.16.,
5.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
5.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.10.
wijst de vorderingen af,
5.11.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.