ECLI:NL:RBNHO:2025:14335

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
AWB - 24 _ 2212
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting en toepassing kampeerautotarief

In deze zaak heeft eiser bezwaar gemaakt tegen twee naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting, die volgens hem ten onrechte naar het normale tarief waren opgelegd, terwijl het kampeerautotarief van toepassing had moeten zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat eiser, op basis van onjuiste informatie van controleambtenaren, in de veronderstelling verkeerde dat geen apart verzoek nodig was voor het kampeerautotarief. Hierdoor werd het tarief niet tijdig toegepast. De rechtbank heeft het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel gegrond verklaard. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en oordeelt dat de naheffingsaanslagen moeten worden herzien, met toepassing van het kampeerautotarief over de betreffende perioden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Noord-Holland op 8 december 2025. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de naheffingsaanslagen, die door de inspecteur van de Belastingdienst zijn opgelegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bezwaartermijn pas gaat lopen indien een naheffingsaanslag op de juiste wijze bekendgemaakt is. De rechtbank heeft geoordeeld dat eiser de naheffingsaanslag niet heeft ontvangen, waardoor de bezwaartermijn pas is gaan lopen op het moment dat eiser bekend werd met de naheffingsaanslag. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslagen verminderd met toepassing van het kampeerautotarief. Tevens zijn de boetebeschikkingen vernietigd en is verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 24/2212 en HAA 24/2213

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

HAA 24/2212 (naheffingsaanslag 1)

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 14 augustus 2023 over het tijdvak 16 mei 2023 tot en met 21 juni 2023 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 57, alsmede bij beschikking een boete van € 55.
Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 8 maart 2024 het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Verweerder heeft het bezwaar bij gelijktijdige beschikking ambtshalve beoordeeld en afgewezen.

HAA 24/2213 (naheffingsaanslag 2)

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 7 september 2023 over het tijdvak 22 juni 2023 tot en met 21 september 2023 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 700, alsmede bij beschikking een boete van € 55.
Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 8 maart 2024 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.
Beide zaken
Eiser heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2025 te Haarlem.
Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] alsmede de gemachtigde
.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Met dagtekening 25 april 2023 heeft eiser een aangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) ingediend. Eiser heeft daarbij bij het soort motorrijtuig aangevinkt dat het gaat om een bijzondere personenauto (o.a. kampeerauto).
2. Eiser staat vanaf 16 mei 2023 geregistreerd in het kentekenregister als houder van het motorrijtuig van het merk [merk] , met vanaf 31 mei 2023 het kenteken [kenteken] (hierna: het motorrijtuig). De datum van de eerste toelating is 28 december 2007.
3. Op 16 mei 2023 heeft een beoordeling plaatsgevonden of het motorrijtuig voldoet aan de inrichtingseisen kampeerauto. De beoordeling is uitgevoerd door [naam 4] , die tevens het rapport heeft opgesteld. In dit rapport is onder meer het volgende weergegeven:

Rapport onderzoek inrichtingseisen kleine kampeerauto met hefdak
Beoordeling inrichtingseisen kampeerauto op grond van het Uitvoeringsbesluit MB 1994, artikel 5aa.
(…)
Hij voldoet aan alle eisen. Er is ook een vuilwater tank aanwezig.
(…)”
4. Bij beschikking van 15 april 2024 verleent verweerder aan eiser het bijzonder tarief van artikel 23a, eerste lid van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) ((het kampeerautotarief) met ingang van 22 september 2023.

Geschil5. In geschil is of het bezwaar tegen naheffingsaanslag 1 onterecht niet-ontvankelijk is verklaard. Indien dit het geval is, is in geschil of de naheffingsaanslag en de boete naar de juiste tarieven zijn opgelegd. Ten aanzien van naheffingsaanslag 2 is ook in geschil of verweerder de naheffingsaanslag en de boete naar de juiste tarieven heeft berekend. Meer in het bijzonder is daarbij van belang of verweerder de toepassing van het kampeerautotarief terecht (pas) heeft verleend met ingang van 22 september 2023.

6. Eiser stelt primair dat hij naheffingsaanslag 1 niet heeft ontvangen en subsidiair beroept hij zich op een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser stelt dat het kampeerautotarief met ingangsdatum 16 mei 2023 moet worden toegepast, omdat hij die dag een verzoek om toepassing van dat tarief heeft gedaan. Volgens eiser is door verweerder vertrouwen gewekt dat hij het verzoek heeft ingediend doordat verweerder op 16 mei 2023 is gaan controleren bij het motorrijtuig. Eiser verwijst hiervoor verder naar een getuigenverklaring en een brief van de RDW. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en verzoekt om een proceskostenvergoeding en een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
7. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij naheffingsaanslag 1 juist bekend heeft gemaakt en verwijst hiervoor naar een door hem overgelegd “Rapport Datum Verzending”, hierdoor is de uitspraak op bezwaar tegen naheffingsaanslag 1 volgens hem terecht niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is voor het eerst een verzoek om toepassing van het kampeerautotarief door eiser gedaan op 19 september 2023. Nu het kampeerautotarief niet eerder kan worden toegepast dan wanneer er een (schriftelijk) verzoek is ingediend, zijn de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen opgelegd.
Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid bezwaar naheffingsaanslag 1
8. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de AWR in samenhang met artikel 6:8 van de Awb vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. De naheffingsaanslag is gedagtekend op 14 augustus 2023.
9. De rechtbank stelt voorop dat de bezwaartermijn pas gaat lopen indien een naheffingsaanslag op de juiste wijze bekend gemaakt is. De rechtbank moet daarom beoordelen of de naheffingsaanslag wel ontvangen is door eiser. Indien deze niet is ontvangen door eiser, vangt de bezwaartermijn namelijk pas aan wanneer eiser de naheffingsaanslag wel heeft ontvangen. Bij deze beoordeling is het eerst aan verweerder om aannemelijk te maken dat de naheffingsaanslag is verzonden. Slaagt verweerder daarin, dan rechtvaardigt dat het vermoeden dat de naheffingsaanslag is ontvangen of aangeboden op dat adres. Het is dan vervolgens aan eiser om dat vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. Hiertoe is vereist dat hij aannemelijk maakt dat de naheffingsaanslag niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Slaagt eiser daarin, dan zal de ontvangst of aanbieding aannemelijk geoordeeld worden indien verweerder daarvan nader bewijs levert. Indien niet aannemelijk wordt dat de naheffingsaanslag op het adres van eiser is ontvangen of aangeboden, en evenmin dat de naheffingsaanslag hem anderszins heeft bereikt, dan ligt het op de weg van de verweerder om aannemelijk te maken dat zulks het geval is van aan eiser toe te rekenen omstandigheden (Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, r.o. 3.2.2. en 3.2.3.).
10. Eiser stelt in zijn beroepschrift dat verweerder de verzending van de naheffingsaanslag niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft daarna een Rapport Datum Verzending overgelegd waaruit volgt dat de naheffingsaanslag vóór de datum van dagtekening, namelijk op 7 augustus 2023, is verzonden aan het adres van eiser. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat de naheffingsaanslag is verzonden. In het licht van het hiervoor gegeven beoordelingskader, dient eiser dan aannemelijk te maken dat hij de naheffingsaanslag niet heeft ontvangen.
11. De rechtbank is van oordeel dat eiser met zijn toelichting ter zitting de ontvangst van de naheffingsaanslag geloofwaardig heeft ontkend. De rechtbank acht voor dit oordeel van belang dat eiser nauwlettend zijn post in de gaten hield in verband met het opzetten van zijn onderneming. In dat kader wachtte hij op het proces omtrent de keuring van de camper, die hij nodig had voor zijn onderneming. Eiser heeft ter zitting verder toegelicht dat hij de tweede naheffingsaanslag, gedagtekend op 7 september 2023, wel binnen kreeg. Toen hij deze tweede naheffingsaanslag kreeg heeft hij direct contact gezocht met [naam 4] en met de BelastingTelefoon Auto. Verweerder heeft zelf ook in het verweerschrift vermeld dat eiser op 12 september 2023 contact heeft gezocht. Op dat moment kwam eiser erachter dat er ook al eerder een naheffingsaanslag was opgelegd. De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk en gaat er daarom vanuit dat eiser op 12 september 2023 bekend is geworden met naheffingsaanslag 1, waardoor op dat moment de bezwaartermijn is gaan lopen. De bezwaartermijn eindigde dan zes weken later, namelijk op 24 oktober 2023. Het bezwaar van eiser tegen deze naheffingsaanslag, dat bij verweerder op 17 oktober 2023 is binnengekomen, is daarmee tijdig. Het bezwaar is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en de rechtbank zal het beroep van eiser tegen naheffingsaanslag 1 dan ook gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar vernietigen.
12. Op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, moet de zaak dan worden teruggewezen naar verweerder teneinde een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede gronden bestaan, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat de belanghebbende niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet (vgl. Hoge Raad 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7330).
13. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de belangen van eiser niet worden geschaad als terugwijzing achterwege blijft. De rechtbank gaat daarom over tot de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Wettelijk kader
14. De toepassing van het kampeerautotarief vindt alleen plaats op verzoek van de belastingplichtige (artikel 5aa, vierde en vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit MRB). Ingevolge lid 3 wordt het verzoek gedaan bij de inspecteur. Volgens lid 6 worden bij dit verzoek bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat wordt voldaan in de in het eerste lid gestelde voorwaarden, alsmede een opgave van het kenteken van de personenauto. Het tijdvak vangt aan met ingang van de dag van dagtekening van de eerste tenaamstelling en telkenmale drie maanden later (artikel 11, eerste lid, van de Wet MRB). In punt 12 van het Kaderbesluit Motorrijtuigenbelasting (Besluit van 23 november 2015, BLKB2015/1381M, Staatscourant 2 december 2015, nr. 42953, onder meer raadpleegbaar via www.overheid.nl) is met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goedgekeurd dat het kampeerautotarief wordt toegekend met terugwerkende kracht tot het begin van het tijdvak waarin het verzoek is binnengekomen.
Naheffingsaanslag 1: inhoudelijke beoordeling
15. Eiser betoogt dat verweerder vertrouwen heeft opgewekt dat eiser geen verzoek meer hoefde in te dienen, nu verweerder vertrouwen heeft gewekt dat hij op 16 mei 2023 het motorrijtuig is gaan controleren in het kader van het voldoen aan de eisen van het kampeerautotarief. Daarbij zou hij ook de indruk hebben gewekt dat het kampeerautotarief vanaf dat moment zou worden toegepast. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser ook een getuigenverklaring overgelegd. Daarin staat ook dat de controleambtenaren de indruk hebben gewekt dat het kampeerautotarief zou worden toegepast en dat eiser hiervoor verder geen afzonderlijke stappen meer behoefde te ondernemen.
16. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist is dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de heffingsambtenaar in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen (Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069). Verweerder heeft het volgende gesteld in het verweerschrift:
“De controleambtenaren stellen enkel toegezegd te hebben de controlegegevens door te sturen naar Apeldoorn. Deze toezegging is per abuis gedaan, daar de controleambtenaren niet op de hoogte waren van het feit dat de controle plaatsvond in het kader van de aangifte BPM (…).”
Verweerder stelt daarmee dat de controleambtenaren ten onrechte hebben verklaard dat zij de gegevens zouden doorsturen naar Apeldoorn. Daarbij heeft verweerder toegelicht dat de betreffende ambtenaren niet wisten of zij een controle uitvoerden in het kader van de Bpm-aangifte of in het kader van een verzoek om toepassing van een kampeerautotarief. Deze controles worden namelijk op precies dezelfde manier uitgevoerd. Verweerder schrijft in het verweerschrift dat de controleambtenaren alleen feiten mogen verzamelen op het gebied van de inrichtingseisen, waarbij geen toezeggingen worden gedaan. Vaststaat tussen partijen dat de controleambtenaren onterecht gezegd hebben de controlegegevens naar Apeldoorn te sturen. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat specifiek in Apeldoorn de verzoeken worden behandeld over de toepassing van het kampeerautotarief. Ter zitting heeft verweerder ook verklaard dat de beoordeling van de Bpm-aangiften niet in Apeldoorn plaatsvindt.
17. De rechtbank acht het in dit geval en onder deze omstandigheden dan ook geloofwaardig dat eiser hierdoor heeft gemeend geen verzoek als bedoeld in artikel 5aa, vierde lid van het Uitvoeringsbesluit MRB te hoeven doen. Nu aannemelijk is dat eiser zonder de handelwijze en toelichting van de controleambtenaren een verzoek om toepassing van het kampeerautotarief zou hebben gedaan en vaststaat dat dit verzoek gehonoreerd zou worden omdat de kampeerauto voldeed aan alle eiser voor toepassing van dit kampeerautotarief, is het aan de voorlichting van de controleambtenaren te wijten dat eiser in de periode van 16 mei 2023 tot en met 22 september 2023 niet in aanmerking is gekomen voor toepassing van het kampeerautotarief. Daarbij wil de rechtbank nog opmerken dat ook het controlerapport dat door eiser is overgelegd, zoals weergegeven in rechtsoverweging 3, de indruk kan wekken dat er is gecontroleerd in het kader van het verzoek voor toepassing van het kampeerautotarief. Hierin staat namelijk expliciet vermeld dat de inrichtingseisen worden beoordeeld op grond van ‘het Uitvoeringsbesluit MB 1994, artikel 5aa’, waardoor niet ondenkbaar is dat de indruk wordt gewekt dat er is gecontroleerd in het kader van de motorrijtuigenbelasting.
18. Verweerder heeft gesteld dat eiser al vaker om een kampeerautotarief heeft verzocht, waardoor verweerder van mening is dat eiser bekend moet zijn met de procedure. De rechtbank leidt hieruit daarentegen juist een causaal verband af met het nalaten van een schriftelijk verzoek door eiser; júist omdat de controleambtenaren hem verkeerd hadden ingelicht heeft hij gemeend dat hij geen verzoek meer hoefde in te dienen. Eiser zou namelijk normaal gesproken wel een verzoek hebben ingediend, daar hij bij uitstek ook bekend is met deze procedure. Ook verweerders verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2022:5477) kan hem niet baten. Eiser heeft namelijk niet het vertrouwen ontleend aan het feit dat de RDW het motorrijtuig als kampeerauto heeft geregistreerd, maar aan de verkeerde voorlichting van de controleambtenaren. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd en vastgesteld met toepassing van het kampeerautotarief over de periode van 16 mei 2023 tot en met 21 juni 2023.
Naheffingsaanslag 2: inhoudelijke beoordeling
19. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat eiser, indien hij door de controleambtenaren juist en volledig was geïnformeerd, tijdig een verzoek om toepassing van het kampeerautotarief zou hebben ingediend, moet worden aangenomen dat het kampeerautotarief eveneens van toepassing zou zijn geweest op het tijdvak waarop naheffingsaanslag 2 betrekking heeft (22 juni 2023 tot en met 21 september 2023). Vaststaat dat het motorrijtuig in dit gehele tijdvak voldeed aan de inrichtingseisen voor de toepassing van het kampeerautotarief. Dat het verzoek niet is ingediend vóór aanvang van dit tijdvak, is uitsluitend het gevolg van de onjuiste indruk die door de controleambtenaren is gewekt dat eiser geen afzonderlijke aanvraag meer hoefde te doen. De naheffingsaanslag dient daarom opnieuw te worden berekend met toepassing van het kampeerautotarief over het tijdvak van 22 juni 2023 tot en met 21 september 2023.
De boetebeschikkingen
20. Nu de naheffingsaanslagen naar een onjuist tarief zijn opgelegd, komt ook de grondslag voor de boetebeschikkingen te vervallen. Dit heeft tot gevolg dat de boetebeschikkingen dienen te worden vernietigd.
21. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de beroepen gegrond moeten worden verklaard.
Immateriële schade
22
.Eiser heeft bij beroepschrift van 22 april 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk bedraagt twee jaar (zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). Het bezwaarschrift is ontvangen op 17 oktober 2023. De redelijke termijn is dus op 17 oktober 2025 overschreden. Dat betekent dat de redelijke termijn op de datum van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853) nog niet was overschreden. Bij een geschil over een financieel belang van minder dan € 1.000, waarbij de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, kan door de belastingrechter daarom worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (r.o. 3.4.3 en r.o. 5.3 van voornoemd arrest). Nu het financieel belang in de onderhavige zaken minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met minder dan twaalf maande is overschreden, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Proceskosten
23. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • bepaalt dat naheffingsaanslag 1 wordt verminderd met dien verstande dat met ingang van 16 mei 2023 het kampeerautotarief van toepassing is;
  • bepaalt dat naheffingsaanslag 2 wordt verminderd met dien verstande dat met ingang van 16 mei 2023 het kampeerautotarief van toepassing is;
  • vernietigt de boetebeschikkingen;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814, en
  • draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 51 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.M. van Wijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
8 december 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).