Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de inspecteur die het kwarttarief motorrijtuigenbelasting voor zijn kampeerauto toepaste vanaf 6 december 2020, de datum waarop het verzoek door de inspecteur werd ontvangen. Belanghebbende stelde dat hij het verzoek al eerder, op 6 maart 2020, had verzonden, maar kon dit niet aannemelijk maken met bewijs.
De rechtbank overwoog dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het bestuursorgaan aannemelijk mag twijfelen aan ontvangst van niet-aangetekende stukken en dat het aan belanghebbende is om ontvangst aannemelijk te maken. Dit is niet gelukt. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel, gebaseerd op vermeende telefonische toezeggingen, faalde wegens gebrek aan bewijs.
Verder oordeelde de rechtbank dat het feit dat de RDW al gegevens over de kampeerauto had, niet betekent dat de inspecteur het kwarttarief eerder had moeten toepassen, omdat de inspecteur een eigen toetsmoment heeft.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel werd eveneens verworpen omdat het nadeel van het te laat indienen van het verzoek voor rekening van belanghebbende komt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de beschikking van de inspecteur.