Uitspraak
[Naam 1] (stagiair). Namens verweerder is verschenen [Naam 2] .
2.AANLEIDING ONDERZOEK
3.PERSONEN VAN DE VERDACHTEN
Dit verhoor is in het geheel door mij [naam] , verwijderd omdat er geen enkele link in staat richting [eiser] .” en verspringt de nummering zoals hiervoor is opgenomen. In het dossier is geen verzoek van verweerder tot beperkte kennisneming, zoals bedoeld is in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb aanwezig. De rechtbank heeft verweerder bij brieven van 30 augustus 2021 en 2 oktober 2023 in de gelegenheid gesteld een verzoek om beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 van Pro de Awb in te dienen. Verweerder heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Omdat verweerder op 26 mei 2021 heeft beslist op het door eiser ingediende bezwaar, heeft de behandeling van het bezwaar 10 maanden in beslag genomen, zodat van de overschrijding van de redelijke termijn 4 maanden zijn toe te rekenen aan verweerder, leidende tot een door verweerder te betalen vergoeding van immateriële schade van (4/20 x € 2.000 =) € 400, waartoe verweerder zal worden veroordeeld. Het restant van 16 maanden wordt toegerekend aan de beroepsfase. De Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) dient derhalve ( 16 /20 x € 2.000 =) € 1.600 te vergoeden.
- verklaart het beroep in de zaak HAA 21/3207 niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen in de zaken HAA 21/3205 en 21/3206 gegrond;
- vernietigt in zoverre de uitspraak op bezwaar van 26 mei 2021, uitgezonderd de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslagen 1 en 2 in de zaken HAA 21/3205 en 21/3206;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eiser van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 1.600;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181 aan eiser te vergoeden.
mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier.