Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juni 2020 in de zaak tussen
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Geschil20. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar de juiste hoogte is opgelegd.
.In het bijzonder is het in strijd met de bedoeling van de richtlijn dat voor niet-economische activiteiten geen aftrek wordt genoten van omzetbelasting drukkende op de in verband daarmee gemaakte kosten. De aftrekregeling is niet bedoeld voor eiseres, omdat haar wezenlijke activiteiten geen economische activiteiten zijn. De omzetbelasting in de kosten in verband met de roerende en onroerende goederen die gebruikt worden voor die activiteiten dienen, naar de bedoeling van de BTW-richtlijn, niet in aftrek te worden toegelaten. Daarbij komt dat het aftrekrecht en de daarmee samenhangende financieringsvoordelen en mogelijke absolute voordelen, een voordeel op leveren dat andere vergelijkbare onderwijsinstellingen niet genieten. Dit is slechts anders indien zij een vergelijkbare kunstmatige structuur opzetten, hetgeen tot een verstoring van de reële markt zou leiden. De structuur ontbeert ten slotte economische realiteit anders dan het beogen van belastingvoordeel, hetgeen in strijd is met de bedoeling van de vrijstelling.