Belanghebbende, een fiscale eenheid waaronder een vastgoedholding, leverde in 2008 de onverdeelde helft van twee percelen grond met nog resten van bebouwing aan een projectontwikkelaar. De Inspecteur legde naheffingsaanslag omzetbelasting op omdat deze levering volgens hem niet vrijgesteld was. Het hof oordeelde dat het terrein een bouwterrein was en de vrijstelling niet van toepassing was, mede op basis van arresten van het Hof van Justitie van de EU.
De Hoge Raad overweegt dat de levering in 2008 volgens de toen geldende Nederlandse jurisprudentie vrijgesteld was, maar dat latere EU-arresten dit in strijd met het Unierecht brengen. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist echter symmetrisch handelen en beschermt belastingplichtigen die op basis van de toen geldende jurisprudentie handelden, mits zij geen recht op aftrek van omzetbelasting hebben uitgeoefend.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest omdat het hof onvoldoende rekening hield met het rechtszekerheidsbeginsel en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris in de kosten van het cassatieproces.