ECLI:NL:RBNHO:2019:5869
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Navorderingsaanslag inkomstenbelasting na staking onderneming en vrijval herinvesteringsreserve
Eiser exploiteerde tot 2008 een hotelbedrijf en verkocht het bedrijfspand waarbij een herinvesteringsreserve (HIR) werd gevormd. In 2009 kocht eiser een nieuw pand dat grotendeels werd verhuurd en niet meer voor ondernemingsactiviteiten werd gebruikt.
Verweerder legde een navorderingsaanslag op waarin de vrijval van de HIR werd verwerkt. Eiser stelde dat er sprake was van ambtelijk verzuim, schending van het vertrouwensbeginsel, en dat de HIR ten onrechte was vrijgevallen omdat hij nog steeds ondernemer was of de HIR kon worden doorgeschoven.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van ambtelijk verzuim omdat het nieuwe feit van staking pas tijdens het boekenonderzoek in 2014 aan het licht kwam. Het vertrouwensbeginsel faalde omdat eiser zelf het ondernemerschap als uitgangspunt had genomen bij het Bureau Monumentenpanden. De rechtbank concludeerde dat eiser zijn onderneming in 2009 had gestaakt, waardoor de HIR terecht vrijviel. Ook de boekwaarde-eis was niet voldaan, wat eveneens tot vrijval leidt.
De meer subsidiaire stellingen van eiser werden verworpen, waaronder het doorrollen van de HIR bij resultaat uit overige werkzaamheden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De navorderingsaanslag met vrijval van de herinvesteringsreserve is terecht opgelegd omdat eiser zijn onderneming in 2009 heeft gestaakt.