ECLI:NL:RBMNE:2026:4395

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
UTR 24/2571
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Wet WOZWet waardering onroerende zakenArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €550.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar onderbouwt de waarde met een taxatiematrix waarin de woning wordt vergeleken met vier referentiewoningen in dezelfde omgeving. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede omdat de referentiewoningen vergelijkbaar zijn en de verschillen voldoende zijn meegenomen.

Eiser voert meerdere beroepsgronden aan, waaronder schending van het motiveringsbeginsel, onvoldoende rekening houden met de staat van onderhoud, en het niet zakelijk zijn van een referentiewoning. De rechtbank wijst deze gronden af, onder meer omdat de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd is, de onderhoudstoestand adequaat is verwerkt en er geen aanwijzingen zijn dat de referentiewoning niet zakelijk is verkocht.

Eiser heeft ook een eigen taxatierapport overgelegd, maar dit leidt niet tot twijfel aan de vastgestelde waarde. Daarnaast verzoekt eiser om inzage in transactiegegevens van grondstaffels, wat de rechtbank als voldoende inzichtelijk beoordeelt.

De rechtbank constateert dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase met 1 jaar en 3 maanden is overschreden. Daarom wordt een immateriële schadevergoeding toegekend van in totaal €1.500, waarvan €500 door de heffingsambtenaar en €1.000 door de Staat wordt betaald. Tevens wordt een proceskostenvergoeding toegekend van €233,50, verdeeld over de heffingsambtenaar en de Staat. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar eiser krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2571

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: A. Oosters)

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], de heffingsambtenaar
(gemachtigde: D.J. Koopmans).
Verder heeft als partij deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de woning aan [adres 1] in [plaats] (de woning).
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 28 februari 2023 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op € 550.000,-. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en geldt voor het belastingjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. De WOZ-waarde is daarvoor als heffingsmaatstaf gehanteerd. Ook is in dit aanslagbiljet aan eiser als eigenaar van de woning een aanslag rioolheffing gebruik en afvalstoffenheffing opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 29 januari 2024 (de bestreden uitspraak) het bezwaar ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een taxatiematrix.
1.3.
Het beroep is behandeld op de zitting van 26 februari 2026. Daarbij zijn verschenen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [taxateur] , taxateur.

Overwegingen

Feiten en geschil
2. Eiser is eigenaar van de woning, een hoekwoning uit 1978. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 138 m² en ligt op een perceel van 302 m². De woning beschikt over de volgende objectonderdelen:
  • een vrijstaande garage van 16 m²;
  • een berging/schuur van 9 m²;
  • een aanbouw van 14 m².
2.1.
Partijen verschillen van mening over de waarde van de woning per 1 januari 2022. Eiser bepleit een lagere waarde. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van de woning van € 550.000,-.
Het beoordelingskader
3. De waarde die op grond van de Wet WOZ moet worden vastgesteld is de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die zou zijn betaald door de meest biedende koper als de onroerende zaak op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding te koop zou zijn aangeboden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
3.1.
De waarde van een woning wordt vaak het beste benaderd door de verkoopprijs van de eigen woning als deze kort voor of na de waardepeildatum (een jaar daarvoor of daarna) is verkocht. Meestal is er geen recent eigen verkoopcijfer beschikbaar om de WOZ-waarde te bepalen. Dan wordt de waarde bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank de argumenten die eiser heeft aangevoerd en waarmee de waarde wordt betwist, meewegen.
3.2.
Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar in beroep een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met vier verkopen in [plaats] , te weten:
  • [adres 2] , verkocht op 2 augustus 2021 voor € 515.000,-;
  • [adres 3] , verkocht op 1 februari 2021 voor € 489.000,-;
  • [adres 4] , verkocht op 21 augustus 2022 voor € 523.500,-;
  • [adres 5] , verkocht op 18 mei 2021 voor € 495.000,-.
Volgens de heffingsambtenaar valt uit de verkoopprijzen van deze referentiewoningen af te leiden dat de WOZ-waarde van de woning van eiser niet te hoog is vastgesteld.
De beoordeling van de zaak
4. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop tijdens de zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Om tot dat oordeel te komen neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat zij in dezelfde omgeving liggen, niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht en wat bouwjaar, doelmatigheid en uitstraling betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar inzichtelijk gemaakt dat in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentieobjecten.
4.1.
Wat eiser in beroep aanvoert, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dat legt zij hierna uit.
Motivering
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar het motiveringsbeginsel heeft geschonden, nu de uitspraak op bezwaar bestaat uit standaard tekstblokken. Eiser wijst in dat kader op jurisprudentie waaruit volgt dat wanneer niet wordt voldaan aan de motiveringsplicht, dit voldoende reden is om de bestreden uitspraak te vernietigen en het beroep gegrond te verklaren. [1]
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat de bestreden uitspraak alleen standaard tekstblokken bevat. Zoals ook door de taxateur op de zitting is toegelicht is in de uitspraak op bezwaar concreet op de gronden van eiser ingegaan. Het standpunt van eiser dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende inzichtelijkheid geeft, is niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet dus geen reden om aan te nemen dat dat uitspraak op bezwaar onvoldoende gemotiveerd is. De beroepsgrond slaagt niet.
Inzage transactiegegevens grondstaffels
6. Eiser heeft verzocht om inzicht in de transactiegegevens die aan de gebruikte grondstaffels ten grondslag liggen en wijst in dat kader naar het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018. [2] Eiser stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar dat inzicht ten onrechte niet heeft gegeven.
6.1.
Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de grondstaffel de resultante is van alle in aanmerking komende transacties voor het jaar 2023. Bovendien is met het in beroep overgelegde staatje inzicht gegeven in het verloop van deze staffel. Daarmee is deze staffel naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk en controleerbaar. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Staat van onderhoud en voorzieningen
7. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de staat van onderhoud. Volgens eiser had deze als minder dan ‘gemiddeld’ moeten worden gekwalificeerd in de taxatiematrix. Eiser wijst in dat kader op de omstandigheid dat de woning over enkel glas beschikt en op de verouderde badkamer en keuken.
7.1.
De rechtbank kan de toelichting van de taxateur, zoals op de zitting gegeven, dat voldoende rekening is gehouden met de staat van onderhoud en de gedateerde voorzieningen goed volgen. Uit de matrix volgt dat de voorzieningen van de woning als ‘2 - eenvoudig’ zijn aangemerkt. De onderhoudstoestand is gekwalificeerd als ‘3- niet op peil, op korte termijn geen verbeteringen noodzakelijk’. Zoals de heffingsambtenaar heeft toegelicht heeft de woning de laagste m² prijs (€ 2.800,-) en ligt daarmee ruim onder de laagst geïndexeerde prijs per m2 van de referentiewoningen. Er is daarmee inzichtelijk en aannemelijk gemaakt dat met de onderlinge verschillen in onderhoud en voorzieningen voldoende rekening is gehouden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Geen zakelijke verkoop
8. Eiser heeft aangevoerd dat de door de heffingsambtenaar gebruikte referentiewoning
[adres 2]niet zakelijk is verkocht. Er is geen verkoopbrochure beschikbaar. De heffingsambtenaar heeft daar, ondanks verzoek van eiser, geen andere informatie over verschaft.
8.1.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting toegelicht dat deze referentiewoning op gewone wijze is beoordeeld, en dat de verkoopgegevens blijkbaar daarna zijn verwijderd. Er is geen aanleiding om te vermoeden dat dit pand niet op zakelijke wijze is verkocht. De rechtbank kan deze uitleg volgen. Als deze referentie buiten beschouwing wordt gelaten, zoals eiser heeft bepleit, blijven er nog drie referentiewoningen over waarmee de heffingsambtenaar heeft onderbouwd dat de WOZ waarde van de woning niet te hoog is. Daarom slaagt ook deze beroepsgrond niet.
Het taxatierapport van eiser
9. Eiser wijst op het door [A] opgemaakte WOZ-deskundigenrapport waarin wordt geconcludeerd tot een waarde van € 530.000,-. De woning is in dit rapport vergeleken met vijf woningen in dezelfde straat als onderhavige woning:
  • [adres 3] , verkocht op 1 februari 2021 voor € 489.000,-
  • [adres 5] , verkocht op 18 mei 2021 voor € 495.000,-
  • [adres 4] , verkocht op 21 augustus 2022 voor € 523.500,-
  • [adres 6] , verkocht op 16 september 2022 voor € 505.000,-
  • [adres 7] , verkocht op 26 april 2021 voor € 480.000,-
Eiser stelt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad [3] dat de heffingsambtenaar ook de door hem aangedragen woningen, die zijns inziens beter vergelijkbaar zijn, als referentiewoningen had moeten betrekken bij de onderbouwing van de waarde.
9.1.
De rechtbank merkt allereerst op dat uit het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2023 niet volgt dat de heffingsambtenaar door eiser aangedragen referentiewoningen moet gebruiken. Verweerder heeft gekozen voor één andere referentiewoning. Drie referentiewoningen komen wel overeen. Dat is in principe ook toegestaan, omdat partijen zelf mogen bepalen hoe zij hun waarde willen onderbouwen. Uit het aangehaalde arrest volgt slechts dat bij beantwoording van de vraag of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, niet alleen de bewijsmiddelen die de heffingsambtenaar daartoe aandraagt van belang zijn, maar ook de stukken en stellingen die belanghebbende ter betwisting daarvan aandraagt. [4] De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift en op de zitting voldoende toegelicht dat de referentiewoningen die in beide taxaties zijn gehanteerd aantonen dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar stelt daarnaast dat wanneer de referentieobjecten die in het rapport van eiser worden gebruikt op de juiste manier worden geindexeerd, ook deze aantonen dat de WOZ-waarde van de woning van eiser niet te hoog is vastgesteld omdat de prijs per vierkante meter van de woning van eiser ook dan nog de laagste is. Verder overweegt de rechtbank dat in het taxatierapport van eiser niet inzichtelijk is gemaakt hoe de waarde is vastgesteld aan de hand van de waardes van de referentieobjecten. Het door eiser aangedragen rapport zorgt er daarom niet voor dat de rechtbank twijfelt aan de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. [5] Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
10. De gemachtigde van eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
10.1.
Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift (15 maart 2023) en de dag van deze uitspraak zit, afgerond naar boven, 3 jaar en 3 maanden. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden met 1 jaar en 3 maanden en dat schadevergoeding moet worden toegekend.
10.2.
Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het derde lid geldt voor de schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn een wettelijk tarief van € 50,- per half jaar. Op grond van het overgangsrecht is die bepaling in deze zaak niet van toepassing, omdat de redelijke termijn voor 1 januari 2024 is aangevangen. Daarom geldt hier nog het oude wettelijke tarief van € 500,- per half jaar.
10.3.
De termijnoverschrijding is deels te wijten aan de heffingsambtenaar en deels aan de rechtbank, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat ieder in een met die verwijtbaarheid overeenkomend deel van de schade zal veroordelen. De bezwaarfase heeft, naar boven afgerond, 5 maanden te lang geduurd. De beroepsfase heeft, naar boven afgerond en met de beroepstermijn inbegrepen, 10 maanden te lang geduurd. Dit leidt ertoe dat de heffingsambtenaar (5/15) € 500,- aan schadevergoeding aan eiser moet betalen en de Staat € 1.000,-. De Nederlandse Staat is daarom in zoverre aangemerkt als partij in dit geding.
Proceskosten en griffierecht
11. Omdat de rechtbank de verzochte schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn toekent, is er ook aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. De rechtbank volgt daarin het uitgangspunt van de Hoge Raad [6] om 1 punt toe te kennen met wegingsfactor 0,25. Omdat het beroep ongegrond is, worden er geen andere punten toegekend. 1 punt heeft in beroep een waarde van € 934,-. In totaal wordt dus € 934,- x 0,25 = € 233,50 toegekend. De proceskosten ten aanzien van dit verzoek komen voor de helft voor rekening van de Staat. [7] Dit leidt tot de slotsom dat de heffingsambtenaar
€ 116,75 aan proceskosten moet vergoeden en de Staat € 116,75. Het griffierecht krijgt eiser niet terug, omdat de redelijke termijn na 31 mei 2024 is overschreden. [8]
11.1.
De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt.

Conclusie en gevolgen

12. Omdat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld, is het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk en krijgt daarom het griffierecht niet terug.
12.1.
Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Eiser krijgt daarom ook een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 500,-;
  • veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 1.000,-;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 21 juli 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:9452.
2.Zie het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316.
3.Zie het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332.
4.Zie het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571 en de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3113.
5.Zie ook de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 28 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1503.
6.Zie het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
7.Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
8.Zie het arrest van de Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.