Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
Inleiding
Overwegingen
- een vrijstaande garage van 16 m²;
- een berging/schuur van 9 m²;
- een aanbouw van 14 m².
- [adres 2] , verkocht op 2 augustus 2021 voor € 515.000,-;
- [adres 3] , verkocht op 1 februari 2021 voor € 489.000,-;
- [adres 4] , verkocht op 21 augustus 2022 voor € 523.500,-;
- [adres 5] , verkocht op 18 mei 2021 voor € 495.000,-.
[adres 2]niet zakelijk is verkocht. Er is geen verkoopbrochure beschikbaar. De heffingsambtenaar heeft daar, ondanks verzoek van eiser, geen andere informatie over verschaft.
- [adres 3] , verkocht op 1 februari 2021 voor € 489.000,-
- [adres 5] , verkocht op 18 mei 2021 voor € 495.000,-
- [adres 4] , verkocht op 21 augustus 2022 voor € 523.500,-
- [adres 6] , verkocht op 16 september 2022 voor € 505.000,-
- [adres 7] , verkocht op 26 april 2021 voor € 480.000,-
€ 116,75 aan proceskosten moet vergoeden en de Staat € 116,75. Het griffierecht krijgt eiser niet terug, omdat de redelijke termijn na 31 mei 2024 is overschreden. [8]
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 500,-;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 1.000,-;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser.
mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.