Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2995

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/4835
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Schattingsbesluit ArbeidsongeschiktheidswettenWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim in WIA-uitkeringszaak

Eiseres heeft een WIA-uitkering aangevraagd en bezwaar gemaakt tegen het arbeidsongeschiktheidspercentage dat het UWV had vastgesteld. Na een herbeoordeling door het UWV werd het percentage licht verhoogd, maar eiseres bleef het oneens en stelde beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het medisch dossier en aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig bestudeerd. De arts had beperkingen vastgesteld die aansluiten bij het ziektebeeld van eiseres, waaronder een urenbeperking van 20 uur per week op energetische gronden, zonder indicatie voor preventieve urenbeperking. Ook mentale en fysieke beperkingen waren adequaat meegenomen.

Eiseres stelde dat zij door frequente aanvallen van draaiduizeligheid een structureel verhoogd ziekteverzuim heeft, maar de rechtbank volgde de verzekeringsarts die op basis van medische gegevens concludeerde dat het verzuimrisico niet excessief is. De rechtbank wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af, omdat de medische beoordeling zorgvuldig en inzichtelijk was.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit van het UWV in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4835

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Ouwerkerk-Hoogendonk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Voorn).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V. uit [plaats] .

Inleiding

1. Eiseres heeft een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Met het besluit van 28 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiseres een uitkering toegekend per 4 juli 2024 (datum in geding), op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 40,02%. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.1.
Met het besluit van 16 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van eiseres gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage aangepast naar 40,85%. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld en daartoe beroepsgronden aangevoerd. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv hebben hieraan deelgenomen.
1.3.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Met partijen is afgesproken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de gelegenheid krijgt om een nader rapport in te brengen naar aanleiding van de door de rechtbank gestelde vragen. Het Uwv heeft op 3 december 2025 een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 december 2025 ingediend. Eiseres heeft op 17 december 2025 gereageerd op dit rapport.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en is een tweede zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de rechtbank

Geheimhouding
2. Eiseres heeft geen toestemming gegeven om de gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan ex-werkgever te verstrekken. In deze uitspraak zal dan ook zoveel mogelijk in algemene termen gesproken worden over de medische gegevens van eiseres om te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt.
Toetsingskader
3. De rechtbank stelt voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel:
 op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
 geen tegenstrijdigheden bevatten, en;
 voldoende begrijpelijk zijn.
De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiseres aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Hoe eiseres zich zelf voelt zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, is daarvoor niet genoeg.
De juistheid van de medische boordeling
4. Eiseres voert aan dat zij meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. Zij voert aan dat zij niet meer dan 20 uur per week kan werken en dat een meer omvangrijke urenbeperking moet worden aangenomen. Eiseres wijst erop dat zij na een inspanning langdurig moet herstellen, daarom moet er op energetische gronden een urenbeperking worden aangenomen. Daarnaast stelt zij dat uit de bevindingen van één van behandelaren blijkt dat er ook preventieve gronden zijn voor een urenbeperking, omdat het behandelplan een aantal afwijkende scores bevat. Daarnaast stelt eiseres dat zij geen onregelmatige arbeid kan uitvoeren en dat zij geen werk kan uitvoeren met een beeldscherm of toetsenbord. Ook stelt eiseres dat er aanvullende mentale beperkingen moeten worden aangenomen, waarbij zij wijst op informatie haar behandelaren. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat ze zodanig veel aanvallen van draaiduizeligheid heeft dat dit leidt tot een structureel verhoogd ziekteverzuim.
4.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en zal dat hierna toelichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 3 juli 2025, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, een aantal beperkingen aangenomen dat past bij de klachten en het ziektebeeld van eiseres. Ten aanzien van de duurbelasting stelt eiseres dat er zowel energetische en preventieve gronden zijn om een meer omvangrijke urenbeperking aan te nemen. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat de duurbelasting is aangenomen conform de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ op basis van energetische gronden. Bij eiseres is namelijk aannemelijk dat sprake is van een aandoening waarbij verminderde mogelijkheden zijn tot recuperatie. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische indicatie voor een urenbeperking op preventieve gronden. Bij eiseres is namelijk geen sprake van een stoornis die een aanzienlijk tekort aan energie aannemelijk maakt. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt, anders dan eiseres stelt, op grond van de door haar ingebrachte medische informatie ook niet dat de aard en de ernst van haar problematiek zo ernstig is dat er sprake is van een indicatie op preventieve gronden. Ook volgt eiseres geen therapie waardoor zij verminderd beschikbaar geacht is. De urenbeperking van 20 uur is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom passend. Ten aanzien van werktijden stelt hij dat eiseres al beperkt is voor werk in de nacht en dat er geen indicatie is om verdergaande beperkingen aan te nemen. Over het beeldschermwerk stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er in het CBBS-systeem geen apart item is waar het beeldschermwerk kan worden beperkt. Daarnaast stelt hij dat er bij eiseres al beperkingen zijn aangenomen om cognitieve en mentale (over)belasting te voorkomen, waardoor al rekening is gehouden met de klachten die eiseres ervaart bij het gebruik van een beeldscherm. Voor een beperking ten aanzien van het werken met een toetsenbord is geen aanleiding. Er zijn bij eiseres bovendien meer gerichte beperkingen aangenomen voor haar specifieke problematiek, namelijk voor fijnmotorische-, repetitieve hand- en vingerbewegingen, schrijfbewegingen, duwen/trekken en tillen/dragen. Deze beperkingen zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep toereikend.
4.2.
Ten aanzien van de mentale klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) beperkingen aangenomen voor sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud, veelvuldige storingen en onderbrekingen, veelvuldige deadlines en productiepieken, hoog handelingstempo, verhoogd persoonlijk risico, beroepsmatig vervoer en conflicten en leidinggevende aspecten. Voor het aannemen van verdergaande beperkingen is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding, gelet op de invulregels van het CBBS-systeem, de anamnese, de bij eiseres gestelde diagnose en omdat er geen andere stoornissen bij eiseres zijn geconstateerd bij eigen onderzoek of zijn beschreven door de behandelaar.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en navolgbaar heeft gemotiveerd hoe hij tot de medische beoordeling is gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met de aangenomen beperkingen in de FML van 10 juli 2024 voldoende rekening gehouden met de klachten van eiseres. Eiseres heeft in beroep ook geen medische informatie overgelegd, die aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. De beroepsgrond slaagt niet.
4.4.
Ten aanzien van het verzuimrisico, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit) bepaalt dat indien betrokkene zodanige kenmerken heeft, dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd hem in bepaalde arbeid te werk te stellen, die arbeid bij het selecteren van de passende functies buiten beschouwing blijft. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB [1] brengt een ziekteverzuim van rond 25% nog niet met zich mee dat van een werkgever tewerkstelling van een werknemer in redelijkheid niet kan worden verlangd. Bij een structureel verzuimrisico van ongeveer 30% heeft de CRvB geoordeeld dat dit zodanig excessief is dat van een werkgever tewerkstelling van een werknemer niet in redelijkheid kan worden verlangd. [2] Bij de vraag of sprake is van excessief ziekteverzuim komt naast omvang en frequentie van dat verzuim, ook betekenis toe aan andere factoren zoals voorspelbaarheid, persoonsgebonden aspecten, vervangingsmogelijkheden en de aard van de functies. [3]
4.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 3 december 2025 een aanvullende zienswijze ingebracht die ziet op de frequentie van de aanvallen van eiseres. In zijn rapport wijst hij erop dat eiseres in 2022 is onderzocht in het duizeligheidscentrum door specialisten. Uit hun informatie van 19 oktober 2022 blijkt dat eiseres ongeveer tien duizeligheidsaanvallen per jaar ervaart en dat de aanvallen tussen de drie uur en drie dagen duren en dat eiseres waarschijnlijk vestibulaire migraine heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens vastgesteld dat eiseres dezelfde frequentie van aanvallen heeft genoemd in een e-mail die eiseres naar de assistent van haar huisarts heeft gestuurd op 18 september 2024. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er op basis van die frequentie geen sprake van excessief risicoverzuim. De toename van aanvallen die eiseres stelt te hebben gehad rond de datum in geding is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep mede het gevolg geweest van bijwerkingen van medicatie. Dit baseert hij op gegevens van de huisarts, waarin staat dat eiseres in de periode van 20 juni tot 27 augustus 2024 duizelig was, maar dat zij na aanpassing van haar medicatie weer verbetering voelde. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat de toename van de aanvallen een tijdelijk karakter had en dat die aanvallen qua aard en ernst anders waren dan de eerdere aanvallen. Daarom worden zij ook niet meegewogen bij het bepalen van excessief risicoverzuim. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat eiseres ook aanvallen heeft die spanningsgerelateerd zijn. In het kader van de belastbaarheid is daar al rekening mee gehouden in de FML, daar zijn voor eiseres al beperkingen aangenomen voor stress en mentale belasting.
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met zijn aanvullende zienswijze van 3 december 2025 toereikend gemotiveerd dat uit de medische informatie niet blijkt van een zodanig te verwachten ziekteverzuim op de datum in geding dat tewerkstelling van eiseres in redelijkheid niet van een werkgever kan worden verlangd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 3 december 2025 uiteengezet dat er op basis van medisch objectiveerbare gegevens gesproken worden van een frequentie van tien aanvallen van per jaar waarbij die aanvallen drie uur tot drie dagen duren. Dit baseert hij op informatie van de specialisten, die eiseres in 2022 hebben onderzocht. Zij benoemen de frequentie van tien dagen en stellen dat dit op basis van de diagnose van mogelijke vestibulaire migraine gebeurt. Daarnaast baseert de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich op informatie van de huisarts, waarin eiseres in 2024 zelf ook de frequentie van tien keer per jaar noemt. De rechtbank stelt vast dat dit ook overeenkomt met de frequentie en duur die eiseres tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemeld. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat zij vaker aanvallen heeft, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom de toename van aanvallen rondom de datum in geding niet relevant is voor de hoogte van het ziekteverzuimrisico. Wanneer wordt uitgegaan van maximaal dertig verzuimdagen per jaar op basis van de vestibulaire migraine, is er geen sprake van een dusdanig ziekteverzuim dat tewerkstelling in redelijkheid niet van een werkgever kan worden verlangd. Dit leidt er toe dat eiseres niet in haar standpunt gevolgd kan worden. De beroepsgrond slaagt niet.
Medische deskundige
5. Eiseres verzoekt om een onafhankelijke deskundige te benoemen om tot een finale geschilbeslechting te komen.
5.1.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en ziet zij ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Hierdoor bestaat er geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige afwijst.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie o.a. de uitspraken van de CRvB van 30 mei 2002, ECLI:NL:CRVB:2000:AE8622 en van 25 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2597.
2.Zie o.a. de uitspraken van de CRvB van 29 augustus 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB2600 en van 10 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2013.
3.Zie de o.a. de uitspraken van de CRvB van 10 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:108 en van 12 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1953.