Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Inleiding
18 april 2025 heeft eiser een uitkering aangevraagd op grond van de Werkloosheidswet (WW).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser heeft een arbeidsovereenkomst gesloten met het bedrijf van zijn partner en na beëindiging een WW-uitkering aangevraagd. Het UWV weigerde de uitkering omdat geen gezagsverhouding bestond, een vereiste voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst.
Eiser stelde dat er wel degelijk sprake was van gezag, onderbouwd met een arbeidsovereenkomst, verklaringen en de dagelijkse praktijk waarin zijn partner opdrachten gaf en toezicht hield. De rechtbank beoordeelde dit aan de hand van de Haviltex-maatstaf en relevante jurisprudentie, waarbij ook de familieband werd meegewogen.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende objectief bewijs leverde dat hij daadwerkelijk onder het gezag van zijn partner stond. De verklaringen waren algemeen en niet concreet, en de feitelijke situatie toonde aan dat eiser grotendeels zelfstandig en leidinggevend was. De loonstroken en vaststellingsovereenkomst bevestigden alleen dat er loon werd betaald, niet dat er een gezagsverhouding was.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft de weigering van de WW-uitkering per 14 april 2025 in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat geen gezagsverhouding bestond en bevestigt de weigering van de WW-uitkering.