ECLI:NL:RBMNE:2025:7247

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/3446
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Wet WIAArt. 65 Wet WIAArt. 3:4 AwbArt. 7:658a BWArt. 7:660a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen

Eiseres is het niet eens met de beslissing van het Uwv dat zij onvoldoende heeft gedaan om haar werkneemster te re-integreren, waardoor zij het loon van de werkneemster 52 weken moet doorbetalen. De werkneemster viel op 4 oktober 2022 ziek uit en vroeg in september 2024 een WIA-uitkering aan. Het Uwv verlengde de loonbetalingsverplichting op grond van onvoldoende re-integratie-inspanningen.

De rechtbank beoordeelt dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat er geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt, omdat de werkneemster niet is gaan werken ondanks arbeidsmogelijkheden. De bedrijfsarts heeft onterecht een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week aangenomen, wat buiten zijn professionele marge valt. Dit onjuiste advies komt voor rekening en risico van eiseres.

Eiseres mocht niet vertrouwen op het advies van de bedrijfsarts, mede omdat zij signalen had dat de werkneemster niet re-integreerde en geen deskundigenoordeel van het Uwv heeft aangevraagd. Ook is vastgesteld dat re-integratiekansen zijn gemist, omdat passend werk niet is hervat en deeltijdwerk niet als passend wordt gezien.

Ten slotte oordeelt de rechtbank dat het Uwv geen belangenafweging hoefde te maken vanwege de dwingendrechtelijke aard van artikel 25 Wet Pro WIA. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3446

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: R. van den Brink)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een opgelegde loonsanctie. Eiseres is het niet eens met de beslissing van het Uwv dat zij onvoldoende heeft gedaan om haar werkneemster te re-integreren en dat zij daarom het loon van de werkneemster gedurende 52 weken moet doorbetalen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv de loonsanctie terecht heeft opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd. De bedrijfsarts heeft ten onrechte een urenbeperking aangenomen en daarmee de professionele marge overschreden. Dit komt voor rekening en risico van de werkgever. Het Uwv is terecht tot het oordeel gekomen dat re-integratiekansen zijn gemist. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De werkneemster van eiseres is op 4 oktober 2022 ziek uitgevallen van haar werk als [functie] voor 38 uur per week. De werkneemster heeft op
27 september 2024 een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
2.1.
Met het besluit van 20 november 2024 heeft het Uwv de loonbetalingsverplichting van eiseres ten aanzien van werkneemster verlengd met 52 weken tot 12 december 2025. Die verlenging – kortweg loonsanctie genoemd – is opgelegd op de grond dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest. Hieraan is ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat, aangezien de werkneemster niet werkt, terwijl zij wel arbeidsmogelijkheden heeft. Volgens het Uwv was het re-integratietraject naar arbeidsmogelijkheden buiten de organisatie niet adequaat, omdat dit re-integratietraject ten onrechte gebaseerd was op een maximale belastbaarheid van 4 uur per dag en 20 uur per week.
2.2.
Met het bestreden besluit van 25 april 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het Uwv de loonactie gehandhaafd. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd.
3.1.
De werkneemster heeft geen toestemming gegeven om dossierstukken die medische gegevens bevatten aan de werkgever te verstrekken. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken om te voorkomen dat die gegevens via deze uitspraak alsnog in de openbaarheid worden gebracht.
Toetsingskader
4. Voor werknemers die een aanvraag indienen voor een WIA-uitkering wordt voorafgaand aan de beoordeling van het recht op uitkering door het Uwv eerst de zogenoemde Poortwachterstoets uitgevoerd. [1]
4.1.
Artikel 25 van Pro de Wet WIA gaat over de re-integratieverplichtingen van de wetgever. In het negende lid van deze bepaling is, kort samengevat, bepaald dat het Uwv het tijdvak waarover de werkgever het loon van de werknemer moet doorbetalen gedurende ten hoogste 52 weken verlengt, als de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Artikel 65 van Pro de Wet WIA bepaalt dat het Uwv beoordeelt of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.
4.2.
De uitgangspunten voor de beoordeling door het Uwv van de re-integratie-inspanningen die van de werknemer en de werkgever worden verwacht zijn neergelegd in de ‘Beleidsregels beoordelingskader poortwachter’. Verder hanteert het Uwv als vaste gedragslijn een werkwijzer voor arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen van het Uwv, de Werkwijzer Poortwachter. Bij de beoordeling van de inspanningen staat het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt, maar het Uwv de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Er wordt ook geen loonsanctie opgelegd als het Uwv de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft.
Is sprake van een bevredigend re-integratieresultaat?
5. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels. Vast staat immers dat het in de periode die hier ter beoordeling staat niet is gekomen tot werkhervatting van de werkneemster. Dat brengt mee dat het Uwv gelet op de Beleidsregels kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen.
Heeft de bedrijfsarts de professionele marge overschreden?
6. Eiseres voert aan dat de bedrijfsarts beschikt over een professionele marge en dat eiseres daar, als werkgever, op mag vertrouwen. De rechtbank begrijpt eiseres zo, dat zij aanvoert dat de bedrijfsarts binnen die professionele marge is gebleven.
6.2.
Op basis van de inhoud van het re-integratieverslag beoordeelt het Uwv of de werkgever in redelijkheid heeft kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. De verzekeringsarts dient zich bij de toetsing van het re-integratieverslag achteraf een oordeel te vormen, waarbij de destijds aanwezige context in ogenschouw moet worden genomen. De bedrijfsarts dient daarbij een professionele marge te worden gegund. Gelet op het feit dat artikel 65 van Pro de Wet WIA spreekt over het ‘in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht’ en mede gelet op wat daarover in de Beleidsregels en de Werkwijzer Poortwachter is vermeld, dient de verzekeringsarts van het Uwv te toetsen of de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden in redelijkheid tot zijn sociaal medische handelwijze of zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen. Het enkele feit dat de verzekeringsarts - achteraf oordelend - in sociaal-medisch opzicht zelf anders zou hebben gehandeld of tot een afwijkende inschatting van de belastbaarheid komt, is in dit verband onvoldoende om te kunnen komen tot de conclusie dat de bedrijfsarts de hem toekomende professionele marge heeft overschreden en daarmee sprake is van een tekortkoming in het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts. [2] De verzekeringsarts kan dus niet volstaan met louter een ander standpunt.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat door het Uwv aannemelijk is gemaakt dat de bedrijfsarts in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het aannemen van een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week. De bedrijfsarts is dus niet binnen de hem toekomende professionele marge is gebleven. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende. De bedrijfsarts heeft slechts een beperkte uitleg gegeven waarom hij een urenbeperking heeft aangenomen. Bij telefonisch overleg met de verzekeringsarts op 31 oktober 2024 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat chronische pijnklachten gepaard kunnen gaan met energetische klachten en dat de werkneemster vond dat zij niets kon. De aanvullende toelichting die is opgenomen onderaan de e-mail van eiseres van 10 november 2024 bevat naar het oordeel van de rechtbank geen concrete, op het geval van werkneemster toegespitste motivering. Immers, de bedrijfsarts noemt ten aanzien van de werkneemster enkel dat het niet bestaan van een grote rustbehoefte dan mede het gevolg zal zijn van het feit dat zij niet werkt en voor het overige citeert hij overwegingen uit de Standaard duurbelastbaarheid, zonder deze toe te passen op de situatie van werkneemster. Daar staat tegenover dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv in de rapportage van 3 april 2025 heeft uitgelegd geen indicatie te zien voor een urenbeperking op energetische gronden. Daarbij betrekt de verzekeringsarts dat uit het dagverhaal geen recuperatiemomenten blijken en dat al in informatie van de neuroloog van april 2023 een normale spierkracht en een redelijk effect van pijnbehandeling wordt beschreven. De verzekeringsarts ziet daarom eigenlijk al per april 2023 geen indicatie voor een urenbeperking, maar in elk geval niet meer in augustus 2023 op het moment dat de bedrijfsarts het inzetbaarheidsprofiel met urenbeperking opstelt. De verzekeringsarts overweegt in de rapportage van 21 juli 2025 nog dat er op grond van de ‘Standaard duurbelastbaarheid in arbeid’ ook geen andere indicaties zijn om een urenbeperking aan te nemen. De rechtbank ziet geen reden om aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht eiseres vertrouwen op het advies van de bedrijfsarts?
7. Eiseres voert aan dat zij als werkgever mag vertrouwen op het advies van de bedrijfsarts. Eiseres wijst op de uitspraak van 14 mei 2025 van de rechtbank Oost-Brabant, [3] waarin een nuancering op de ‘voor rekening en risico’-benadering is toegepast. Eiseres stelt dat zij geen signalen had dat het advies van de bedrijfsarts onjuist was en wijst erop dat de werkneemster is gezien door twee bedrijfsartsen.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet mocht vertrouwen op het advies van de bedrijfsarts. Deze rechtbank heeft eerder geen reden gezien om af te wijken van de vaste lijn van de Centrale Raad van Beroep dat mogelijk onjuist handelen van de bedrijfsarts voor rekening en risico van de werkgever komt. [4] Ook in deze procedure ziet de rechtbank geen reden om deze vaste lijn los te laten. De Centrale Raad van Beroep heeft immers geen aanleiding gezien de ‘voor rekening en risico’-benadering bij loonsancties niet langer te volgen. [5] Deze benadering is gebaseerd op het in de wetsgeschiedenis verwoorde uitgangspunt dat de werkgever verantwoordelijk is en blijft voor de re-integratie en dat dit eveneens verantwoordelijkheid impliceert voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de door hem ingeschakelde deskundigen. [6] De rechtbank is daarom van oordeel dat volgens vaste rechtspraak het onjuiste advies van de bedrijfsarts voor rekening en risico komt van eiseres.
7.2.
In de uitspraak waar eiseres zich op beroept, houdt de rechtbank Oost-Brabant vast aan haar nuancering op de ‘voor rekening en risico’-benadering, ondanks dat die nuancering nadien door de Centrale Raad van Beroep van de hand is gewezen. [7] De rechtbank Oost-Brabant geeft een drietal samenhangende redenen waarom zij vasthoudt aan de nuancering. Wat daar ook van zij, de rechtbank overweegt dat de opening die door de rechtbank Oost-Brabant wordt geboden alleen geldt voor werkgevers die voldoen aan een ‘vergewisplicht’, waarbij voor de toepassing van artikel 65 van Pro de Wet WIA doorslaggevend zou zijn of een werkgever redenen had moeten hebben om te twijfelen aan het advies van zijn bedrijfsarts. Ook daaraan voldoet eiseres niet. De rechtbank wijst er in dat verband op dat eiseres signalen had dat werkneemster niet aan het re-integreren was. Dat zij opvolgend door twee bedrijfsartsen is gezien betekent niet dat er geen redenen zouden zijn om te twijfelen aan het advies. Bedrijfsarts [A] heeft immers blijkens de processtukken vóór de verandering van arbodienst geen inzetbaarheidsprofiel opgesteld en bedrijfsarts Langenhorst heeft de werkneemster slechts één keer en voor het laatst heeft gezien in augustus 2023. De rechtbank merkt tenslotte op dat eiseres ook geen deskundigenoordeel van het Uwv heeft aangevraagd ten aanzien van de belastbaarheid van werkneemster. Dit betekent dat eiseres ook niet aan de voorwaarden die de rechtbank Oost-Brabant stelt heeft voldaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er re-integratiekansen gemist?
8. Eiseres voert aan dat geen re-integratiekansen zijn gemist. Zij voert aan dat als de urenbeperking ten onrechte is aangenomen dat dan alsnog geen passend werk zou zijn gevonden. Zij wijst erop dat werkneemster haar uren moest opbouwen en dat deeltijd de norm is geworden.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht tot het oordeel is gekomen dat re-integratiekansen zijn gemist. Het doel van re-integratie is, kort gezegd, het hervatten van passend werk. In dat verband overweegt de rechtbank dat solliciteren op een deeltijdfunctie niet kan leiden tot een bevredigend re-integratieresultaat voor werkneemster. Passend werk voor werkneemster is immers geen deeltijdfunctie. Van de door eiseres genoemde urenopbouw is in het geheel geen sprake geweest, ook niet in een deeltijdfunctie. De rechtbank ziet dan ook geen relevantie in dit door eiseres opgeworpen punt. Hetzelfde geldt voor de stelling dat deeltijd de norm is geworden. Een deeltijdfunctie is in het geval van werkneemster niet het doel van re-integratie en het past niet binnen het wettelijk kader om deze, overigens ook niet nader onderbouwde, stelling mee te nemen in de beoordeling. De beroepsgrond slaagt niet.
Had het Uwv een belangenafweging moeten maken?
9. Eiseres voert aan dat het Uwv geen belangenafweging heeft gemaakt en dat dit op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb wel had gemoeten.
9.1.
De rechtbank overweegt dat artikel 25, negende lid, van de Wet WIA een dwingendrechtelijke bepaling is, waar geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. Het betoog van eiseres dat het Uwv een belangenafweging op grond van deze regeling had moeten maken slaagt dus niet.
9.2.
Voor zover eiseres met deze beroepsgrond bedoelt een beroep op exceptieve toetsing te doen, slaagt dit evenmin. Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is in het geval van een wet in formele zin in beginsel niet mogelijk, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die de wettelijke bepaling zozeer in strijd doet zijn met het evenredigheidsbeginsel dat de toepassing van die bepaling achterwege zou moeten blijven. Eiseres heeft ten aanzien van dergelijke bijzondere omstandigheden niets aangevoerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9.3.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat een loonsanctie een herstelmaatregel is. [8] De loonsanctie is erop gericht dat de werkgever zijn tekortkoming herstelt. Als de werkgever alsnog voldoet aan haar verplichtingen, kan zij een bekortingsverzoek doen. Een dergelijk verzoek heeft de werkgever echter tot op heden niet gedaan.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de loonsanctie terecht is opgelegd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van P. Molenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De grondslag voor deze toets is onder meer te vinden in de artikelen 7:658a en 7:660a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de artikelen 25 en 65 van de Wet WIA.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216 en de uitspraak van 9 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1068.
3.Rechtbank Oost-Brabant 14 mei 2025, ECLI:RBOBR:2025:2759
4.Zie de uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6040.
5.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216 en de uitspraak van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:789.
6.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:789
7.Zie de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 februari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:415 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216.
8.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1570.