ECLI:NL:CRVB:2024:789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
In deze zaak staat centraal of het UWV terecht een loonsanctie heeft opgelegd aan de werkgever, appellante, omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen zou hebben verricht voor een zieke werknemer. De werknemer was sinds maart 2018 ziek na een bedrijfsongeval en had een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde vast dat de werkgever onvoldoende had gedaan om de werknemer te re-integreren en legde een loonsanctie op, waardoor de werkgever het loon moest doorbetalen tot april 2021.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat er geen medische onderbouwing was voor de aangenomen urenbeperking. Ook was de sociaal-medische begeleiding onvoldoende, omdat geen mediation of multidisciplinair traject was ingezet. Appellante stelde in hoger beroep dat zij voldoende re-integratie had verricht en dat de werknemer niet volledig wilde meewerken, maar de Raad volgde dit niet.
De Raad bevestigde de vaste rechtspraak dat de werkgever verantwoordelijk blijft voor de kwaliteit van de re-integratie-inspanningen en dat het UWV terecht een loonsanctie oplegt als er onvoldoende inspanningen zijn verricht zonder deugdelijke grond. De Raad vond het oordeel van de rechtbank over de urenbeperking en de begeleiding overtuigend en wees het hoger beroep af. De loonsanctie blijft daarmee in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de loonsanctie van het UWV blijft in stand.