In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een tussenwoning in [plaats] centraal. De heffingsambtenaar stelde de waarde voor het belastingjaar 2024 vast op €723.000,- met waardepeildatum 1 januari 2023. Eiser maakte bezwaar tegen deze vaststelling, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de WOZ-waarde aan de hand van een door de heffingsambtenaar overgelegde taxatiematrix, waarin de woning werd vergeleken met drie vergelijkbare woningen in de omgeving. De rechtbank oordeelde dat de taxatiematrix voldoende inzicht gaf in de waardebepaling en dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De stellingen van eiser werden als onvoldoende onderbouwd en onsamenhangend beoordeeld en grotendeels buiten beschouwing gelaten.
Daarnaast verzocht eiser om immateriële schadevergoeding wegens een vermeende overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure. De rechtbank stelde vast dat de termijn niet langer dan twee jaar had geduurd en wees het verzoek af. Ook een betoog over overschrijding van de opbrengstlimiet werd als te laat en in strijd met de goede procesorde beoordeeld en buiten beschouwing gelaten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter M.W.A. Schimmel op 11 december 2025.