Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2021 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
Procesverloop
Vaststaande feiten
Het geschil
Algemene overwegingen over op de zaak betrekking hebbende stukken
De rechtbank ziet toe op de naleving van artikel 8:42 van Pro de Awb, maar uit de rechtspraak volgt dat zij niet is gehouden om ambtshalve onderzoek te doen naar het mogelijke bestaan van stukken die de heffingsambtenaar ten onrechte niet heeft overgelegd. [1] Dat geldt ook voor de controle op de naleving van artikel 7:4 van Pro de Awb en artikel 40 van Pro de Wet WOZ. Het is dus aan de belanghebbende om in beroep bij de rechtbank een beroepsgrond aan te voeren over de schending van deze procedurele bepalingen.
1. Informatieachterstand in bezwaarfase, hersteld in bezwaarfase
2. Informatieachterstand in bezwaarfase, hersteld in beroepsfase
3. Informatieachterstand in beroepsfase, hersteld in beroepsfase
Overwegingen over het beroep van eiser
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- stelt de waarde van het object vast op € 250.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019 en bepaalt dat verweerder de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig vermindert;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.726,26;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden.