Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
1 augustus 2018 tot en met 19 december 2019geldt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Over deze periode is een extreem laag waterverbruik gemeten, wat de veronderstelling rechtvaardigt dat eiseres niet haar hoofdverblijf had op de [adres 2] te [woonplaats] . Ook is een extreem laag gas- en stroomverbruik gemeten. Eiseres heeft niet aannemelijk kunnen maken dat zij wel haar hoofdverblijf had op het genoemde uitkeringsadres.
vanaf 20 december 2019geldt dat eiseres verweerder niet onverwijld en uit zichzelf heeft ingelicht over haar woonsituatie. Daarbij neemt verweerder voor deze periode een gezamenlijke huishouding aan tussen eiseres en [A] . Uit allerlei gegevens en omstandigheden blijkt dat zij het hoofdverblijf op hetzelfde adres hebben (het [adres 3] te [woonplaats] ) en dat sprake is van wederzijdse zorg.
per 14 mei 2020, om te voorzien in de kosten van levensonderhoud. In deze situatie is het aan eiseres om aan te tonen dat sprake is van gewijzigde omstandigheden en dat zij per deze datum wel voldoet aan de voorwaarden voor bijstand. Eiseres is er echter niet in geslaagd aan te tonen dat zij geen gezamenlijke huishouding (meer) voert met [A] .
“Tevens sprak ik getuige [D] woonachtig op het [adres 3] .”Kennelijk was eiseres op het moment van het incident aanwezig op het [adres 3] en heeft zij zich aan de agent voorgesteld als bewoonster. Daarnaast zijn er diverse gedetailleerde verklaringen van buurtbewoners [4] die hebben verklaard dat eiseres in de periode in geding niet of nauwelijks op de [adres 2] aanwezig was. Het is niet gebleken dat deze verklaringen allemaal onjuist zouden zijn. De eigen verklaring van eiseres dat zij veel buitenshuis was vanwege pesterijen maakt niet dat uitgegaan kan worden van verblijf op de [adres 2] . In dit verband heeft verweerder terecht naar rechtspraak van de Raad verwezen waaruit volgt, dat de reden dat betrokkene niet op het uitkeringsadres is niet van betekenis is voor de vraag of hij/ zij daar het hoofdverblijf heeft. [5] De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat verweerder terecht aan de intrekking, over de periode 1 augustus 2018 tot en met 19 december 2019, ten grondslag heeft gelegd dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.