Uitspraak
18 1649 PW, 18/1650 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
,van
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Een intern onderzoek naar het extreem lage waterverbruik leidde tot het besluit van het college om de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en de kosten terug te vorderen. Tevens werd een boete opgelegd wegens het schenden van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond en vernietigde deels het boetebesluit. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet op het uitkeringsadres woonde, dat hij psychische klachten had en dat terugvordering onredelijk was.
De Raad oordeelde dat het extreem lage waterverbruik (maximaal 7 m³ per jaar) een sterke aanwijzing is dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Appellant slaagde er niet in dit te weerleggen. Ook de lage elektriciteitsconsumptie ondersteunde dit oordeel. Dringende redenen om af te zien van terugvordering of boete werden niet aannemelijk gemaakt. De Raad bevestigde daarom de bestreden uitspraken.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en oplegging van boete wegens niet-woonachtig zijn op het uitkeringsadres worden bevestigd.