Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 oktober 2019 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
2.3.4. Zoals is weergegeven in onderdeel 4.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, heeft de wetgever onderkend dat het door het bredere gebruik van de WOZ‑waarde mogelijk is geworden dat iemand belang heeft bij vaststelling van een hogere WOZ-waarde. Om tot een praktisch goed uitvoerbare uitwerking van dat uitgangspunt te komen, dient te worden aangenomen dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking bekend is gemaakt en die in bezwaar of in een procedure voor de belastingrechter een hogere dan de vastgestelde waarde bepleit, bij vaststelling van die hogere waarde een belang heeft. De in artikel 28, lid 1, slotzin van de Wet WOZ voor de verkrijging van een beschikking gestelde eis dat het belang is gelegen in gebruik van het waardegegeven op grond van een wettelijk voorschrift, geldt in dit verband niet.”
eigenaarvan een onroerende zaak een verhoging van de vastgestelde WOZ-waarde werd bepleit. Het uitgangspunt waar de Hoge Raad in het arrest van uitgaat, dat het mogelijk is dat iemand belang heeft bij vaststelling van een hogere WOZ-waarde moet tegen die achtergrond worden bezien. Dat geldt ook voor de door de Hoge Raad voorgestane praktisch goed uitvoerbare uitwerking van dat uitgangspunt. Die uitwerking houdt in dat moet worden aangenomen dat iemand met een op naam gestelde WOZ-beschikking die een hogere waarde bepleit, daarbij belang heeft in bezwaar of beroep. De rechtbank is van oordeel dat uit de context van het geval waarin het arrest van de Hoge Raad is gewezen moet worden afgeleid dat het door hem geformuleerde uitgangspunt en de uitwerking daarvan niet ook – zonder meer – geldt in zaken waarin de WOZ-beschikking is gestuurd aan de gebruiker van een onroerende zaak die als woning wordt gebruikt.