ECLI:NL:RBGEL:2026:862

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
25_578 en 25-2144
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ParticipatiewetArt. 54 ParticipatiewetArt. 58 ParticipatiewetArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding

Eiseres maakte bezwaar tegen besluiten van Fijnder tot intrekking, beëindiging en terugvordering van haar bijstand op grond van de Participatiewet. Fijnder stelde dat eiseres en haar ex-partner vanaf 1 maart 2024 een gezamenlijke huishouding voerden en dat eiseres haar inlichtingenplicht had geschonden.

De rechtbank oordeelt dat Fijnder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de ex-partner zijn hoofdverblijf had bij eiseres. Het onderzoek van Fijnder was summier, de waarnemingen en verklaringen boden onvoldoende bewijs, en de verklaringen van eiseres en getuigen werden niet adequaat meegewogen. Ook was het besluit gebrekkig gemotiveerd en innerlijk tegenstrijdig.

Daarom zijn de beroepen gegrond en worden de bestreden besluiten vernietigd. Fijnder moet nieuwe besluiten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt Fijnder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding en beveelt nieuwe besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/578 en 25/2144

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiseres], uit [plaats 1], eiseres

(gemachtigde: mr. C.C.M. Peper),
en

het Dagelijks Bestuur van Fijnder, Fijnder

(gemachtigde: mr. A. Brons).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over intrekking, beëindiging en terugvordering van de bijstand van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is het niet eens met deze besluiten. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Fijnder heeft namelijk onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres en [persoon A] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd vanaf 1 maart 2024 en dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door dit niet te melden. Fijnder mocht op basis van de gegeven motivering niet komen tot intrekking en beëindiging van de bijstand van eiseres (zaak 25/578). Dit heeft tot gevolg dat er ook geen grondslag is voor de terugvordering van de bijstand (zaak 25/2144). Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

In de zaak 25/578
2. Met het primaire besluit 1 van 31 juli 2024 heeft Fijnder de bijstand van eiseres vanaf 1 juli 2024 geblokkeerd.
2.1.
Met het primaire besluit 2 van 9 augustus 2024 heeft Fijnder de bijstand ingetrokken per 3 december 2022 en “per direct” (de rechtbank begrijpt: 9 augustus 2024) beëindigd. Eiseres heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend op 20 augustus 2024.
2.2.
Met het primaire besluit 3 van 26 september 2024 heeft Fijnder het primaire besluit 2 herzien en (opnieuw) de bijstand ingetrokken per 3 december 2022 en “per direct” (de rechtbank begrijpt: 26 september 2024) beëindigd. Het besluit is voorzien van een aangevulde motivering. [1] Tegen dit besluit heeft eiseres apart bezwaar gemaakt, en wel op 10 oktober 2024.
2.3.
Met het bestreden besluit (bestreden besluit 1) van 15 januari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft Fijnder:
- het bezwaar tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard;
- het bezwaar tegen het primaire besluit 2 gedeeltelijk gegrond verklaard, dit besluit herzien in die zin dat de bijstand wordt ingetrokken met ingang van 1 maart 2024 en waarbij de beëindigingsdatum (de rechtbank begrijpt: 9 augustus 2024) in stand wordt gelaten;
- het bezwaar tegen het primaire besluit 3 gedeeltelijk gegrond verklaard, dit besluit herzien in die zin dat de bijstand wordt ingetrokken met ingang van 1 maart 2024 en de beëindigingsdatum (de rechtbank begrijpt: 26 september 2024) in stand wordt gelaten.
Verder is aan eiseres een proceskostenvergoeding toegekend, die echter wordt verrekenend met de nog openstaande vordering op eiseres.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. Fijnder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. M.P. Smit (namens de gemachtigde van eiseres) en de gemachtigde van Fijnder.
In de zaak 25/2144
3. Met het besluit van 24 oktober 2024 (primaire besluit 1 in deze procedure) heeft Fijnder de bijstand over de periode van 3 december 2022 tot en met 30 juni 2024 ter hoogte van € 24.047,56 teruggevorderd.
In het besluit staat vermeld dat de bedragen die worden teruggevorderd over de jaren 2022 en 2023 een brutobedragen betreffen (van respectievelijk € 700,74 en € 16.202,19). Het bedrag dat ziet op het jaar 2024 (€ 7.144,63) betreft een netto bedrag. Als eiseres dit gedeelte van de terugvordering niet heeft terugbetaald vóór 31 december 2024, dan wordt dit bedrag verhoogd met de loonheffing.
3.1.
Met het besluit van 11 februari 2025 (primaire besluit 2 in deze procedure) heeft Fijnder eiseres meegedeeld dat zij op 31 december 2024 het gedeelte van haar schuld over het jaar 2024 nog niet (volledig) heeft terugbetaald. Omdat zij het geld niet in hetzelfde kalenderjaar heeft terugbetaald als waarin zij het heeft ontvangen, moet zij dit bedrag nu bruto terugbetalen. Voor eiseres betekent dit dat zij over het gedeelte van haar schuld over het jaar 2024 nu een bruto bedrag van € 8.509,37 (in plaats van € 7.144,63 netto) moet terugbetalen.
3.2.
Met het besluit van 19 februari 2025 (primaire besluit 3 in deze procedure) heeft Fijnder het besluit van 24 oktober 2024 herzien en de bijstand over de periode van 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 ter hoogte van € 4.934,26 netto (€ 5.877,10 bruto) teruggevorderd.
3.3.
Tegen deze primaire besluiten heeft eiseres afzonderlijke bezwaarschriften ingediend op 11 november 2024 (tegen primair besluit 1), 11 februari 2025 (tegen primair besluit 2) en 13 maart 2025 (tegen primair besluit 3).
3.4.
Met het bestreden besluit (bestreden besluit 2) van 8 april 2025 heeft Fijnder de bezwaren tegen de primaire besluiten 1, 2 en 3 (in deze procedure) ongegrond verklaard.
3.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 2. Fijnder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.6.
Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep ARN 25/578 hebben partijen de rechtbank toestemming gegeven om dit beroep (ARN 25/2144) zonder zitting af te doen. [2] Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten
4. Eiseres en [persoon A] zijn vanaf 9 april 1998 woonachtig geweest op het adres [locatie 1] te [plaats 1]. Samen hebben zij zeven kinderen. Op 18 oktober 2022 zijn zij gescheiden. Na hun scheiding is eiseres woonachtig gebleven aan de [locatie 1] (hierna ‘de [locatie 1]’) samen met vier, later drie, van hun kinderen. [persoon A] heeft vanaf 22 september 2022 ingeschreven gestaan in de basisregistratie personen (brp) op het adres [locatie 2] te [plaats 2] en vanaf 18 september 2023 op het adres [locatie 3] te [plaats 1] (hierna ‘de [locatie 3]’).
4.1.
Vanaf 26 september 2022 ontvangt eiseres bijstand naar de norm voor een alleenstaande. [persoon A] ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en een arbeidsongeschiktheidspensioen.
4.2.
Fijnder is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan eiseres toegekende bijstand. Aanleiding hiervoor waren twee meldingen op 3 juni 2024 en 24 juni 2024 dat eiseres en [persoon A] zouden samenwonen.
4.3.
In het kader van dit onderzoek hebben sociaal rechercheurs van Fijnder onder meer dossieronderzoek verricht en openbare bronnen geraadpleegd. Van 3 juni 2024 tot en met 14 juli 2024 zijn waarnemingen verricht. Ook hebben de sociaal rechercheurs op 15 juli 2024 een gesprek gevoerd met eiseres en een huisbezoek afgelegd op de [locatie 1]. Op 17 juli 2024 heeft de eerste melder en op 26 juli 2024 de tweede melder een verklaring afgelegd. Van het onderzoek is op 30 juli 2024 een eindrapportage opgemaakt.
5. Fijnder is hierna overgegaan tot de besluitvorming als vermeld onder het kopje “Procesverloop”.
5.1.
Fijnder heeft aan de intrekking en beëindiging van het recht op bijstand ten grondslag gelegd dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden, door niet aan Fijnder te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voert met [persoon A]. Het is aannemelijk dat [persoon A] in ieder geval vanaf 1 maart 2024 zijn hoofdverblijf heeft gehad in dezelfde woning als eiseres. Aangezien eiseres en [persoon A] gehuwd zijn geweest en samen kinderen hebben, geldt op dat moment een onweerlegbaar rechtsvermoeden dat eiseres en [persoon A] een gezamenlijke huishouding voerden.
5.2.
Fijnder heeft aan de terugvordering van de bijstand ten grondslag gelegd dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat Fijnder daarom verplicht is om de bijstand terug te vorderen. Daarnaast is de brutering terecht opgelegd.
Intrekking en beëindiging van de bijstand (het beroep ARN 25/578)
6. Eiseres betwist – samengevat – dat [persoon A] zijn hoofdverblijf op het adres van eiseres had vanaf 1 maart 2024. Het onderzoek van het college is zeer summier geweest. Tijdens het gesprek met eiseres hielp [persoon A] haar met het opknappen van de schuur en de tuin en was zodoende iets vaker bij haar en de kinderen. Tijdens het gesprek met eiseres is ook niet specifiek doorgevraagd naar de periode vanaf maart 2024. [persoon A] heeft niet op het adres van eiseres overnacht en hij heeft ook geen sleutel van de woning. Hij kluste wat, douchte af en toe, at soms mee en vertrok weer. Aan de waarnemingen kan geen waarde worden gehecht. Uit de waarnemingen blijkt dat de auto van [persoon A] of ‘voor de deur’ of ‘nagenoeg altijd in de nabije omgeving’ van de woning van eiseres staat. De vraag rijst waar nu sprake van is. Hiernaast heeft [persoon A] een reden om zijn auto bij de woning van eiseres te parkeren. Hij heeft bij zijn woonadres geen goede plek, zodat hij zijn auto vaak elders, zo ook in de omgeving van het adres van eiseres, heeft geparkeerd. Ook heeft er geen huisbezoek plaatsgevonden op het woonadres van [persoon A]. Daarnaast is [persoon A] ook niet gevraagd een verklaring af te leggen. Ter onderbouwing van haar standpunt - dat er geen sprake van is dat [persoon A] bij haar zijn hoofdverblijfplaats heeft - verwijst eiseres onder meer naar de verklaringen van de heer Mulder en de heer [persoon B] die [persoon A] in zijn procedure heeft ingebracht. In die procedure procedeert [persoon A] tegen de medeterugvordering bij hem van de kosten van bijstand van eiseres omdat hij met haar een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. [3]
6.1.
De te beoordelen periode loopt van 1 maart 2024 tot 26 september 2024.
6.2.
Als uitgangspunt geldt dat het besluit tot intrekking van bijstand een belastend besluit is, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.
6.3.
Volgens artikel 3, derde lid, van de Pw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de Pw is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien a. de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt of b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
6.4.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het hoofdverblijf van een betrokkene daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. [4]
6.5.
Vaststaat dat eiseres en [persoon A] gehuwd zijn geweest en samen zeven kinderen hebben. Voor de beantwoording van de vraag of in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de Pw uitsluitend van belang of eiseres en [persoon A] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.
6.6.
Eiseres en [persoon A] stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen ingeschreven. Volgens vaste jurisprudentie staat dat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat de [locatie 1] als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De aard van de relatie van betrokkenen en hun subjectieve beleving blijven voor de toepassing van de Pw buiten beschouwing. [5]
6.6.1.
Dit laatste betekent dat bij de beoordeling op zichzelf niet relevant is of eiseres en [persoon A] de intentie hadden om samen te wonen. De omstandigheid dat [persoon A] druk doende is om een eigen woning te zoeken, sluit (ook) niet uit dat hij in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf kan hebben gehad bij eiseres.
6.7.
Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw is Fijnder verplicht de bijstand te herzien of in te trekken indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht wat heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
7. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag voor het standpunt van Fijnder dat [persoon A] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had aan de [locatie 1]. Daarbij is het volgende van belang.
8. Uit de rapportage [6] volgt dat Fijnder van mening is dat uit de navolgende omstandigheden blijkt dat [persoon A] zijn hoofdverblijf heeft bij eiseres:
  • uit de waarnemingen blijkt dat de auto van [persoon A] over een periode van 3 juni 2024 tot en met 14 juli 2024 bijna altijd (namelijk 52 van de 60 keer) in de nabijheid van het huis van eiseres geparkeerd staat. Eiseres verklaart dat [persoon A] zijn auto niet bij zijn postadres aan de [locatie 3] wil parkeren, omdat hij daar wel eens wordt ingeparkeerd door andere auto’s en hij ’s avonds naar een van zijn slaapadressen loopt. Er is vastgesteld dat er in de directe omgeving van de [locatie 3] meerdere plekken zijn om de auto te parkeren. Het is niet aannemelijk dat [persoon A] zijn auto dagelijks bij eiseres parkeert terwijl hij elders zou slapen;
  • eiseres heeft verklaringen afgelegd die er op duiden dat [persoon A] “zijn leven van alledag” op haar adres heeft. Zij verklaart dat persoonlijke spullen van [persoon A] in haar woning liggen. Het gaat om kleding, gereedschap en toiletartikelen. Ook zijn driewieler zou er wel eens staan. Tijdens het huisbezoek is gebleken dat een kast vol kleding op de slaapkamer van eiseres aanwezig is en er toiletartikelen van hem (in een toilettas) op de badkamer liggen. Eiseres heeft verklaard dat zij de boodschappen doet maar dat [persoon A] wel mee-eet als hij bij haar is. Dat is gemiddeld vier dagen in de week. Op de dagen dat hij op de kermis is, eet hij niet mee. Eiseres heeft ook verklaard dat zij het wasgoed van [persoon A] verzorgt en dat hij bij haar doucht omdat hij geen plek heeft om de was te doen en zich te wassen;
  • er zijn ondersteunende omstandigheden: [persoon A] heeft geen vaste woon- of verblijfplaats sinds 22 september 2022, hij betaalt de kosten van Caiway voor eiseres; hij betaalt geen alimentatie terwijl dit wel wordt gekort op de uitkering van eiseres; het huur- en het energiecontract staat nog op beider namen; [persoon A] helpt veel met klussen in het huis van eiseres, samen met de kinderen.
9. De meeste van de onder 8 genoemde feiten en omstandigheden zijn niet zo zeer in geschil, maar wel of eiseres daarvoor een goede verklaring heeft gegeven en of op basis van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang gezien, geconcludeerd kan worden dat [persoon A] zijn hoofdverblijf bij eiseres had.
10. Ter beoordeling staat het bestreden besluit 1. Van belang is om op te merken dat in dit besluit uitsluitend wordt verwezen naar de verklaringen van eiseres zelf, de waarnemingen en de stukken die [persoon A] in zijn eigen procedure heeft ingediend om aan te tonen dat hij zijn hoofdverblijf niet bij eiseres heeft en die eiseres in bezwaar heeft overgelegd. Dat zijn dus de stukken waarop Fijnder de bestreden besluitvorming baseert. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
De waarnemingen
10.1.
Fijnder hecht veel waarde aan de omstandigheid dat de auto van [persoon A] in de periode van 3 juni 2024 tot en met 14 juli 2024 bijna altijd voor het huis van eiseres geparkeerd stond. Kennelijk gaat Fijnder er vanuit dat [persoon A], telkens als zijn auto daar stond, in de woning aanwezig was. Dat staat echter niet vast, en dat is ook niet aannemelijk geworden. In dit verband is van belang dat [persoon A] bij deze waarnemingen slechts één keer bij de woning is gezien – namelijk op 29 juni 2025 [9] –, naast die keer dat hij is gezien tijdens het huisbezoek.
In de rapportage staat: “Het is m.i. niet aannemelijk dat meneer [persoon A] zijn auto dagelijks bij belanghebbende parkeert, terwijl hij elders zou slapen.” De rechtbank begrijpt daaruit dat Fijnder stelt dat [persoon A] zijn auto dagelijks gebruikt en telkens opnieuw vlakbij of vóór de woning van eiseres parkeert en (mogelijk ook) dat hij dagelijks vanaf haar woning vertrekt en daarheen terugkeert. Dat volgt echter niet uit de waarnemingen. Uit (de beschrijving van) de waarnemingen kan niet worden afgeleid dat de auto van [persoon A] dagelijks op een andere plaats staat in de nabijheid van die woning. Het is ook mogelijk dat de auto meerdere dagen op dezelfde plek staat geparkeerd. [10]
Van belang is ook dat eiseres een verklaring heeft gegeven voor het feit dat [persoon A] auto zo vaak bij haar woning stond. Zij heeft verklaard dat hij wel eens parkeerproblemen ondervond; hij was wel eens ingeparkeerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Fijnder aan die verklaring ten onrechte onvoldoende waarde gehecht. Het moge zo zijn dat er in de buurt van de [locatie 3] meerdere parkeerplaatsen zijn, maar dat maakt niet dat het daarmee onaannemelijk is dat [persoon A] in buurt van het huis van eiseres parkeert nu hij kennelijk eerder is ingeparkeerd geweest. Er is niet gebleken dat dat laatste niet waar is. En dat er meerdere parkeerplaatsen in de buurt zijn, wil niet zeggen dat er (bij momenten) geen hoge parkeerdruk kan zijn. Daarbij komt dat eiseres op zitting nog heeft aangegeven dat [persoon A] de auto ook graag bij haar parkeert zodat zij een oogje op de auto kan houden omdat hij veel weg is.
De stukken van [persoon A]
10.2.
Eiseres heeft in bezwaar en in beroep stukken in het geding gebracht die [persoon A] in zijn procedure heeft overgelegd. Het gaat onder meer om een aantal schriftelijke getuigenverklaringen. Noch in het advies, noch in het bestreden besluit staat vermeld wat Fijnder afleidt uit die getuigenverklaringen en waarom dat dan bijdraagt aan de conclusie dat [persoon A] bij eiseres zijn hoofdverblijf had. Dit standpunt is bovendien ook niet zonder meer te begrijpen. Drie van de vier getuigenverklaringen zien namelijk niet op de te beoordelen periode en de vierde verklaring, die van [persoon B], zou juist ook als ontlastend kunnen worden aangemerkt. De rechtbank komt daarop terug onder 12.4.
De verklaringen van eiseres
10.3.
Kennelijk gaat het dan om de volgende verklaringen: er liggen de persoonlijke spullen van [persoon A] in haar woning (kleding, gereedschap en toiletartikelen). Eiseres heeft verklaard dat zij de boodschappen doet maar dat [persoon A] wel mee-eet als hij bij haar is. Dat is gemiddeld drie tot vier dagen in de week. [11] Op de dagen dat hij op de kermis is, eet hij niet mee. Eiseres heeft ook verklaard dat zij het wasgoed van [persoon A] verzorgt en dat hij bij haar doucht, omdat hij geen plek heeft om de was te doen en zich te wassen.
Eiseres heeft tijdens de zitting wel aangegeven dat haar verklaringen genuanceerder waren en dat zij dit niet helemaal zo heeft gezegd. Gezien het feit dat eiseres dit voor het eerst op zitting stelt, ziet de rechtbank echter geen aanleiding om te twijfelen aan de manier waarop haar verklaringen in de rapportage zijn vastgelegd.
Eiseres heeft ook verklaard dat de buren wel zullen denken dat zij en [persoon A] samenwonen omdat hij veel in haar woning is.
11. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit 1 niet (mede) kan worden gebaseerd op de waarnemingen (10.1). Nu onduidelijk is wat Fijnder uit de stukken van [persoon A] afleidt (10.2), valt niet in te zien hoe of waarom deze stukken kunnen bijdragen aan de conclusie van Fijnder. In ieder geval kan die conclusie zo niet door de rechtbank worden getoetst. Dan blijven de verklaringen van eiseres over. Die zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om een zo vergaande conclusie te trekken als Fijnder heeft gedaan, terwijl bij Fijnder de bewijslast ligt. De omstandigheid dat [persoon A] drie of vier dagen per week bij eiseres is, zich in haar woning douchte, zij zijn was doet en hij klussen deed rondom de woning, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat hij daar zijn leven “van alle dag” of het “zwaartepunt van zijn maatschappelijk leven” [12] heeft of dat in haar woning het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven ligt. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat ook Fijnder er vanuit gaat dat [persoon A] geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en een zwervend bestaan leidt en dat uit de verklaring van [persoon B] (zie hierna 12.4) afgeleid kan worden dat [persoon A] ook heel veel tijd níet in de [locatie 1] verbleef.
12. Mochten de andere feiten en omstandigheden, zoals genoemd in de rapportage (en genoemd onder 8) en in de primaire besluiten, niettemin ook ten grondslag liggen aan het bestreden besluit 1, ook dan is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit 1 onvoldoende is gemotiveerd. Dat is zo omdat een aantal omstandigheden niet of onvoldoende (kenbaar) betrokken zijn bij de besluitvorming. Hiervoor is het volgende van belang.
12.1.
Het klopt dat het huurcontract en het contract voor de nutsvoorzieningen ten tijde van het onderzoek van Fijnder nog steeds op beider naam stonden. De huur en de kosten van de nutsvoorzieningen worden echter door eiseres zelf betaald. [13] Ook overigens is niet gebleken van financiële verstrengeling van (grote) betekenis. [persoon A] betaalt
€ 50 per maand voor het telefoonabonnement van hun twee minderjarige zoons. Er zijn geen noemenswaardige bijzonderheden aangetroffen op de bankafschriften van eiseres. [14] Fijnder heeft wel geconstateerd dat eiseres geen betalingen doet voor televisie en internet en dat [persoon A] geen alimentatie betaalt, terwijl dat bedrag wel in mindering wordt gebracht op de uitkering. Eiseres heeft daarvoor een verklaring gegeven. Zij heeft toegelicht dat zij en [persoon A] zijn overeengekomen om de alimentatie te verrekenen met het abonnement van Caiway (een televisieabonnement), omdat hij dit abonnement had afgesloten voor de kinderen en de bedragen bijna overeenkomen. [15] Deze verklaring komt de rechtbank niet onaannemelijk voor; Fijnder heeft niet aangegeven wat er van deze verklaring wordt gevonden.
12.2.
Fijnder heeft tijdens de zitting expliciet aangegeven dat het niet aannemelijk heeft kunnen maken dat [persoon A] (regelmatig) overnacht bij eiseres en evenmin dat hij de sleutel heeft van de woning. Dit ligt dan ook niet (mede) ten grondslag aan de besluitvorming.
12.3.
Relevant is ook dat het onderzoek van Fijnder heeft plaatsgevonden nadat er twee meldingen zijn gedaan. Deze meldingen zijn afkomstig van een meerderjarige zoon van partijen en een zus van eiseres. Eiseres is met hen beiden gebrouilleerd. Het lijkt er op dat de verklaringen die de melders hebben afgelegd van aanzienlijke betekenis zijn geweest bij de interpretatie door Fijnder van de tijdens het onderzoek constateerde feiten. Echter, er kan niet uitgesloten worden dat de verklaringen van de melders deels gekleurd (of ingegeven) zijn door de vertroebelde verstandhouding en dat aan een deel van hun verklaringen mogelijk minder (ondersteunende) waarde moet worden gehecht dan Fijnder heeft gedaan. Zo hebben beide melders verklaard dat [persoon A] sinds oktober 2022 of eind 2022 weer in de woning van eiseres overnacht en dat [persoon A] de sleutel heeft van de woning. Voor deze verklaringen is echter geen ondersteuning gevonden tijdens het onderzoek. Integendeel. Naar aanleiding van de stukken die in bezwaar zijn overgelegd door eiseres en [persoon A], heeft Fijnder aannemelijk geacht dat [persoon A] van 3 december 2022 tot en met eind oktober 2023 een stacaravan huurde op een camping in [plaats 3]. Fijnder heeft dus in bezwaar aannemelijk geacht dat hij in die periode (dus) geen hoofdverblijf had bij eiseres, terwijl de melders daar anders over hebben verklaard. Deze feiten zijn voor Fijnder ook aanleiding geweest om de periode in geding in bezwaar te beperken. Melder 1 heeft verder verklaard dat het niet mogelijk is dat zijn vader verblijft in een/de caravan op het terrein van de [locatie 3], omdat de zoon van de eigenaresse van het perceel daar volgens hem woont. Eiseres heeft echter aangevoerd dat op dat perceel twee caravans staan. Ook heeft zij een schriftelijke getuigenverklaring overgelegd van [persoon B], dat is de zoon van de eigenaresse van dat perceel, waarin dat wordt bevestigd. [persoon B] verklaart dat er twee caravans staan, één van hem en een andere die wordt gebruikt door [persoon A]. Fijnder heeft in zijn verweerschrift ten behoeve van de bezwarencommissie aangegeven dat het aantal caravans dat op het terrein staat niet relevant is, omdat, los van dit aantal, het voldoende aannemelijk is dat [persoon A] zijn hoofdverblijf bij eiseres heeft. Daargelaten of dat laatste juist is, is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaring van eiseres, die wordt ondersteund door de schriftelijke getuigenverklaring van [persoon B], volgt dat er aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van (ook) dit onderdeel van de verklaring van melder 1.
12.4.
Fijnder heeft, zoals hiervoor al overwogen onder 10.2, de in bezwaar overgelegde getuigenverklaringen [16] niet kenbaar bij de beoordeling betrokken omdat niet duidelijk is wat Fijnder daaruit afleidt. Tijdens de zitting is over deze verklaringen gezegd dat het gaat om subjectieve verklaringen, waaraan weinig waarde kan worden gehecht. De rechtbank kan dit standpunt niet volgen in het licht van de omstandigheid dat Fijnder wel waarde toekent aan de – eveneens subjectieve – verklaringen van de melders, die voor een deel niet zijn bevestigd of niet juist bleken te zijn (zie 12.3). Bovendien heeft Fijnder de getuigenverklaringen wel betrokken maar onduidelijk is hoe (zie 10.2). Er is ter zitting door Fijnder ook gesuggereerd dat de getuigenverklaringen door dezelfde persoon zijn geschreven, omdat het handschrift van de verklaringen op elkaar lijkt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter geenszins het geval; de handschriften zijn echt anders. Bovendien gaan de getuigenverklaringen gepaard met een kopie van het identiteitsbewijs van diegene die de verklaring heeft geschreven. Naar het oordeel van de rechtbank had Fijnder in ieder geval de verklaring van [persoon B] meer (kenbaar) bij de beoordeling moeten betrekken. De andere verklaringen [17] zijn niet (meer) zo relevant nu die vooral gaan over de periode vóór 1 maart 2024.
[persoon B], kermisexploitant, schrijft onder meer dat [persoon A] veel in de caravan verblijft, hetzij achter het huis aan de [locatie 3] (net als de caravan van [persoon B]), hetzij aan de [locatie 4] te [plaats 1] of in [plaats 4] bij een loods. [persoon A] gaat met [persoon B] mee met de kermis en als het ver is, neemt [persoon B] de caravan van [persoon A] mee zodat hij daarin kan blijven slapen. “In de periode van 1 maart t/m 31 oktober 2024 is [persoon A] heel veel onderweg geweest voor en met mij en verbleef ook regelmatig bij de loods in [plaats 4] om dingen te doen voor mij”. Uit deze verklaring blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [persoon A] in de periode in geding heel vaak niet aan de [locatie 1] verblijft en dit is dus relevant bij de beoordeling van de vraag of hij bij eiseres zijn hoofdverblijf heeft. Fijnder heeft dit echter niet (kenbaar) bij de beoordeling betrokken en niet aangegeven waarom deze verklaring (kennelijk) niet ontlastend werkt.
12.5.
[persoon A] kluste veel rondom het huis en in de tuin, samen met de kinderen. Eiseres heeft tijdens de zitting verklaard, dat hij dat deed om weer in contact te komen met zijn kinderen, met wie het contact was verbroken rondom de echtscheiding. Eiseres heeft [persoon A] betaald voor de werkzaamheden aan de tuin; op 28 mei 2024 heeft zij € 1.000 naar zijn bankrekening overgemaakt onder vermelding van “opknappen tuin”. Onduidelijk is wat deze laatste omstandigheid voor betekenis heeft gekregen in de besluitvorming (is het ‘ontlastend’ of ‘belastend’?).
12.6.
Vaststaat dat Fijnder ervoor heeft gekozen om geen waarnemingen te doen gericht op de caravan op het perceel aan de [locatie 3] die door [persoon A] wordt gebruikt, niet heeft getracht aldaar een huisbezoek te doen of om, voorafgaand aan
dezebesluitvorming, [persoon A] vragen te stellen. Fijnder was daartoe niet verplicht maar mogelijk zou dat wel hebben kunnen bijdragen aan een zorgvuldiger onderzoek en (daarmee) een betere besluitvorming.
13. Ook gezien hetgeen is overwogen onder 12.1 tot en met 12.5 heeft Fijnder onvoldoende gemotiveerd, dat op grond van de combinatie van de in het onderzoek gebleken feiten en omstandigheden, aannemelijk is geworden dat [persoon A] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf heeft (gehad) bij eiseres. Fijnder heeft niet aan zijn bewijslast voldaan. Er is daarom onvoldoende gemotiveerd dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden, omtrent het voeren van een gezamenlijke huishouding met [persoon A]. Er bestaat daarom (ook) geen grondslag voor de intrekking van de bijstand van eiseres per 1 maart 2024 en de beëindiging daarvan per 26 september 2024.
14. Verder stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit ook gebrekkig is gemotiveerd als het gaat om de datum met ingang waarvan de bijstand door Fijnder wordt beëindigd. Zowel in het primair besluit 2 als in het primair besluit 3 wordt de bijstand “per direct” beëindigd zonder de datum te specificeren. De rechtbank is er daarom vanuit gegaan dat Fijnder in deze besluiten heeft bedoeld de bijstand te beëindigen per datum van de besluiten. Dit betekent dat de bijstand in eerste instantie (in het primaire besluit 2) is beëindigd per 9 augustus 2024 en in tweede instantie, in primaire besluit 3, per 26 september 2024. Beide beëindigingsdata zijn in het bestreden besluit gehandhaafd. Dat kan echter niet. Er kunnen geen twee beëindigingsdata zijn, tenzij in de tussenliggende periode recht heeft bestaan op bijstand maar die situatie doet zich niet voor. Het bestreden besluit is op dat punt innerlijk tegenstrijdig.
15. Het bestreden besluit 1 is daarom onvoldoende gemotiveerd.
De terugvordering (het beroep 25/2144)
16. Eiseres is van mening dat de bijstand ten onrechte van haar wordt teruggevorderd, omdat zij betwist dat [persoon A] zijn hoofdverblijf bij haar had vanaf 1 maart 2024.
Bovendien moeten de bij een terugvorderingsbesluit betrokken belangen worden afgewogen. [18] Fijnder heeft deze belangenafweging ten onrechte niet gemaakt. Het besluit is ook niet zorgvuldig voorbereid. Er is niet onderzocht of er is gebleken van specifieke individuele omstandigheden die er toe nopen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Ten aanzien van het bedrag dat wordt teruggevorderd, voert zij aan dat de proceskostenvergoeding – die is toegekend in de beslissing op bezwaar van 15 januari 2025 – daar ten onrechte niet mee is verrekend.
Eiseres stelt dat haar bezwaar, dat was gericht tegen het primaire besluit van 19 februari 2025, gegrond verklaard had moeten worden, omdat Fijnder een gewijzigde primaire beslissing heeft genomen. En er had een proceskostenvergoeding moeten plaatsvinden.
17. Het bestreden besluit 2 is gebaseerd op artikel 58, eerste lid, van de Pw. Daarin staat dat indien de schending van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand, het bijstandsverlenende orgaan verplicht is het daarmee gemoeide bedrag terug te vorderen.
18. Naar het oordeel van de rechtbank kan het bestreden besluit 2 niet in stand blijven. De reden hiervoor is dat uit hetgeen hierboven is overwogen in de zaak ARN 25/578 volgt dat Fijnder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden. Hiermee komt de grondslag aan de terugvordering te ontvallen.
Fijnder heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom het bezwaarschrift van eiseres, dat gericht was tegen het bruteringsbesluit, ongegrond is. Het primaire besluit 1 is in het primaire besluit 3 expliciet herzien. In het primair besluit 3 is ook de hoogte van het teruggevorderde bedrag, zowel het netto als het bruto bedrag, aangepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Fijnder daarmee impliciet ook het primair besluit 2 herzien. Het bedrag dat gebruteerd moest worden was immers niet meer juist en daarom heeft eiseres terecht bezwaar gemaakt tegen het primair besluit 2. Dat bezwaarschrift is ingediend vóórdat Fijnder het primair besluit 3 heeft genomen. Hieruit volgt dat Fijnder het bezwaar tegen het primair besluit 2 in het bestreden besluit gegrond had moeten verklaren en een proceskostenvergoeding moeten toekennen aan eiseres. Dat heeft Fijnder ten onrechte niet gedaan.
Daarom is het bestreden besluit 2 is gebrekkig gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

19. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten 1 en 2 in strijd zijn met artikel 7:12 van Pro de Awb. De rechtbank vernietigt deze besluiten daarom. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Dit omdat de gebreken dermate essentieel zijn dat deze niet te passeren zijn.
20. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat Fijnder (een) nieuw(e) besluit(en) moet nemen op de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten van 31 juli 2024, 9 augustus 2024, 26 september 2024 in de procedure 25/578 en tegen die van 24 oktober 2024, 11 februari 2025 en 19 februari 2025 in de procedure 25/2144 met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft Fijnder hiervoor acht weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
20.1.
De rechtbank geeft Fijnder in overweging om bij het nemen van een nieuwe beslissing op de bezwaarschriften met betrekking tot de intrekking en de beëindiging van de bijstand (de zaak 25/578) het bezwaarschrift van eiseres dat is gericht tegen het primair besluit 1 niet ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang. Dat primair besluit bestaat immers niet meer; dat is vervangen door primair besluit 3.
21. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet Fijnder het griffierecht van € 106 (2x € 53) aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Fijnder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt in de zaak ARN 25/578 € 1.868 (2x € 934), omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De vergoeding in de zaak ARN 25/2144 bedraagt € 934 voor de indiening van het beroepschrift. De totale proceskosten komen hiermee op een bedrag van € 2.802.

Beslissing

De rechtbank verklaart:
  • de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten van 15 januari 2025 en van 8 april 2025;
  • draagt Fijnder op binnen acht weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten van 31 juli 2024, 9 augustus 2024, 26 september 2024, 24 oktober 2024, 11 februari 2025 en 19 februari 2025 met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat Fijnder het griffierecht van € 106 aan eiseres moet vergoeden en
  • veroordeelt Fijnder tot betaling van € 2.802 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het gaat hier om een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:57, eerste en derde lid, van Awb maakt dit mogelijk.
3.Zaaknummer ARN 25/2410.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 30 november 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:3038), van 7 december 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:3110) en van 30 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1672).
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:8).
6.Rapportage werkproces 212894.
7.Hij is de schuur aan het schilderen, hij heeft de voor- en achtertuin opgeknapt en een landschildpaddenverblijf gemaakt.
8.Melder 1 is een meerderjarige zoon van eiseres en [persoon A].
9.Op die dag is om 14.09 uur waargenomen dat een kale man en jonge jongen van ongeveer veertien jaar in de Opel stappen en vertrekken.
10.Het lijkt er op dat tussen 5 juni 2024 15:23 uur en 11 juni 2024 07:07 uur, tussen 29 juni 2024 20:10 uur en 3 juli 2024 17:01 uur en tussen 4 juli 2024 20:04 uur en 11 juli 2024 23:31 uur de auto niet verplaatst is geweest.
11.Pagina 8 van de rapportage werkproces 212894: “De dagen dat hij bij ons is eet hij mee, u moet denken aan gemiddeld 4 keer in de week”, en op pagina 9: “Vanaf maart 2024 is hij vaker bij ons, u moet denken aan gemiddeld 3 a 4 dagen in de week”. Dit staat ook in het verslag dat van het gesprek met eiseres is gemaakt.
12.Zoals is gezegd ter zitting door Fijnder.
13.Dit volgt uit de overgelegde bankafschriften van eiseres, zie onder meer de pagina’s 58-96 van het dossier van Fijnder en uit het verslag van het gesprek dat Fijnder op 15 juli 2024 met eiseres heeft gevoerd.
14.Pagina 5 en 6 van de rapportage werkproces 212894.
15.In het verslag van het gesprek dat Fijnder op 15 juli 2024 heeft gevoerd met eiseres staat: “U vraagt mij wie mijn rekening voor internet en televisie betaald (…) Hij betaalt de kosten van Caiway, wij hebben fiaplay om Formule 1 en darten te kijken. Het energiecontract staat ook nog op naam van hem, de betaling wordt wel van mijn rekening afgeschreven. (…) de alimentatie betaalt hij op mijn verzoek niet ter verrekening van een deel van de Caiway kosten (…)”. In het bezwaarschrift van 10 oktober 2024 wordt aangegeven dat [persoon A] dit abonnement voor de kinderen heeft afgesloten.
16.Dat zijn, naast de verklaring van [persoon B], de verklaring van [persoon C] van 15 november 2024, de verklaring van [persoon D] van 15 november 2024, de verklaring van [persoon E] van 14 november 2024 en de (ongedateerde) verklaring van [persoon F].
17.Dat is de verklaring van [persoon C] van 15 november 2024, de verklaring van [persoon D] van 15 november 2024 en de verklaring van [persoon E] van 14 november 2024.
18.Uitspraak van de CRvB van 4 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2006:AY3547.