Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3993

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24/7141
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Wet WOZArt. 4:19 AwbArtikel IV Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning dwangsom wegens niet tijdig beslissen in WOZ-zaak

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde van zijn woning en tevens een verzoek ingediend om een dwangsom toe te kennen wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de waarde gehandhaafd, maar heeft geen beslissing genomen over het dwangsomverzoek. In beroep stelt belanghebbende dat de dwangsom ten onrechte niet is toegekend en dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelt dat het niet beslissen op het dwangsomverzoek moet worden gezien als een impliciete afwijzing waartegen beroep mogelijk is. De heffingsambtenaar erkent dat een dwangsom van €1.442 had moeten worden toegekend. De rechtbank kent deze dwangsom toe en beoordeelt daarnaast het recht op proceskostenvergoeding. Voor de beroepsfase wordt een vergoeding van €23,35 toegekend, waarbij rekening is gehouden met een wegingsfactor van 0,25 en een extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1 op grond van artikel 30a van de Wet WOZ.

Een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat het geschil over de WOZ-waarde met de uitspraak op bezwaar is geëindigd en de redelijke termijn niet is overschreden. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tevens tot vergoeding van het griffierecht van €51. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd voor zover deze het dwangsomverzoek impliciet afwees.

Uitkomst: De rechtbank kent een dwangsom van €1.442 toe wegens niet tijdig beslissen en een proceskostenvergoeding van €23,35.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7141

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bronckhorst, de heffingsambtenaar.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 juni 2024.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak aan [locatie] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 720.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente Bronckhorst voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning gehandhaafd. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar geen beslissing genomen over het verzoek van belanghebbende om een dwangsom toe te kennen wegens niet tijdig beslissen.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: namens de heffingsambtenaar M. Boschman. De gemachtigde van belanghebbende is met voorafgaande kennisgeving aan de rechtbank niet op de zitting verschenen.

Feiten

1. Op 22 maart 2023 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de WOZ-beschikking.
2. De heffingsambtenaar heeft de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar verlengd. De termijn voor de heffingsambtenaar om uitspraak op bezwaar te doen verliep daarmee op 11 februari 2024.
3. Op 14 februari 2024 heeft belanghebbende een ingebrekestelling verzonden naar de heffingsambtenaar wegens het uitblijven van de uitspraak op het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft de ingebrekestelling ontvangen op 16 februari 2024.
4. Op 10 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

5. In beroep voert belanghebbende alleen aan dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen dwangsom heeft toegekend en dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding.
6. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat in de uitspraak op bezwaar niet is beslist op het dwangsomverzoek, moet worden gezien als een impliciete afwijzing van dat verzoek, waartegen belanghebbende in beroep kan opkomen tegelijk met het beroep tegen de uitspraak op bezwaar. [1]
7. De heffingsambtenaar heeft in beroep erkend dat een dwangsom van € 1.442 had moet worden toegekend, maar bestrijdt de hoogte van de gevraagde proceskostenvergoeding. De rechtbank beoordeelt alleen nog of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
8. Belanghebbende is van mening dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding voor het bezwaarschrift en het beroepschrift. Belanghebbende verzoekt de rechtbank om niet langer de lagere wegingsfactor te hanteren in WOZ-zaken en om de extra vermenigvuldigingsfactor uit artikel 30a van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) buiten toepassing te laten wegens strijd met het discriminatieverbod.
9. De heffingsambtenaar is van mening dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Bij de berekening van de hoogte van de proceskostenvergoeding moet dan wel rekening worden gehouden met een wegingsfactor van 0,25, omdat het beroep gaat over een zeer eenvoudige vraag over een nevenvordering. Het beroep betreft namelijk een evident geschil over een dwangsom. Daarnaast geldt volgens de heffingsambtenaar de extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1 van artikel 30a van de Wet WOZ, omdat de uitspraak op bezwaar in 2024 bekend is gemaakt en de WOZ-beschikking in stand blijft.
10. De rechtbank is van oordeel dat, in lijn met het richtsnoer van de hoven [2] , een wegingsfactor van 0,25 moet worden gehanteerd voor de zwaarte van de zaak. Het beroep ziet namelijk op een evident geschil over een dwangsom.
11. De rechtbank is verder van oordeel dat bij de berekening van de proceskostenvergoeding in de beroepsfase de extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1 van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ moet worden toegepast, gezien het feit dat de uitspraak op bezwaar na 1 januari 2024 is gedaan en de WOZ-beschikking in stand blijft. [3] De Hoge Raad heeft in het arrest van 17 januari 2025 [4] deze bepaling al getoetst aan artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en heeft geoordeeld dat deze bepaling geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling oplevert. Van strijd met het discriminatieverbod is dus geen sprake. Verder heeft gemachtigde van belanghebbende niet gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in het arrest van 17 januari 2025, zodat ook hierom artikel 30a van de Wet WOZ niet buiten toepassing moet blijven.
12. Voor de bezwaarfase kent de rechtbank geen proceskostenvergoeding toe, omdat de WOZ-beschikking in stand is gebleven en het bezwaar geen betrekking had op de dwangsom.
13. De rechtbank kent gezien het voorgaande en met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht aan belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toe van € 23,35 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 0,25 en de extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1).
Verzoek immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
14. Belanghebbende heeft op 4 juli 2024 verzocht om een schadevergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
15. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 22 maart 2023. Na de uitspraak op bezwaar is geen beroep ingesteld tegen de inhoud van de WOZ-beschikking, zodat het geschil daarover bij de uitspraak op bezwaar is geëindigd. Dit brengt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad mee dat de redelijke termijn niet is overschreden en geen recht bestaat op schadevergoeding. [5]

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, maar alleen voor zover deze een impliciete afwijzing betreft van het verzoek om de toekenning van een dwangsom. De rechtbank kent alsnog een dwangsom van € 1.442 toe.
17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten van € 23,35.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar alleen voor zover deze een impliciete afwijzing van het verzoek om de toekenning van een dwangsom bevat;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar een dwangsom van € 1.442 aan belanghebbende moet betalen;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in beroep tot een bedrag van € 23,35;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 20 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en zie ook Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797, en Hoge Raad 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:1.
2.Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, onder andere neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
3.Artikel IV van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507.
4.Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
5.Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.