Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3990

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24/5598
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet WOZArt. 30a Wet WOZArtikel 1 Twaalfde Protocol EVRMBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak bezwaar wegens schending hoorrecht in WOZ-zaak en terugwijzing

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning vastgesteld op €478.000 en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond zonder belanghebbende te horen, ondanks diens verzoek om een hoorgesprek.

De rechtbank oordeelt dat het hoorrecht is geschonden en vernietigt de uitspraak op bezwaar. De zaak wordt terugverwezen naar de heffingsambtenaar voor een nieuwe beslissing waarbij belanghebbende wordt gehoord. Daarnaast wijst de rechtbank een proceskostenvergoeding van €46,70 toe voor de beroepsfase.

Belanghebbende vorderde ook een dwangsom en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar deze vorderingen worden afgewezen omdat de wet geen grondslag biedt voor een dwangsom en de termijn nog niet was overschreden. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van €51 moet vergoeden.

De rechtbank bevestigt dat de extra vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a Wet WOZ van toepassing is en niet in strijd is met het discriminatieverbod. De bezwaarfase wordt heropend, waardoor een kostenvergoeding daarvoor nog niet wordt toegekend. De uitspraak bevat tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd wegens schending van het hoorrecht en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling waarbij belanghebbende wordt gehoord.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5598

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de heffingsambtenaar van Meerinzicht, de heffingsambtenaar.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 27 februari 2024.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak aan de [locatie] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 478.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente Harderwijk voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en daarbij de waarde van de woning gehandhaafd.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Belanghebbende heeft op het verweerschrift gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de heffingsambtenaar dr. [persoon A] en taxateur [persoon B]. De gemachtigde van belanghebbende is met voorafgaande kennisgeving aan de rechtbank niet op de zitting verschenen.

Feiten

1. Belanghebbende en [persoon C] zijn eigenaar en gebruiker van de woning. Het betreft een vrijstaande woning uit 1904 met een woonoppervlakte van 173 m² en een berging van 6 m². De woning is gelegen op een perceel van 325 m².
2. Op 21 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar een WOZ-beschikking op naam van [persoon C] gesteld en daartegen is geen bezwaar ingediend. De heffingsambtenaar heeft op verzoek van belanghebbende op 4 oktober 2023 een medebelanghebbendebeschikking verstrekt. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt op 5 oktober 2023.
3. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift verzocht telefonisch te worden gehoord indien de heffingsambtenaar voornemens is het bezwaar niet (geheel) gegrond te verklaren.
4. De heffingsambtenaar heeft op het bezwaar van belanghebbende beslist zonder belanghebbende te horen.

Beoordeling door de rechtbank

Hoorrecht
5. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar het hoorrecht heeft geschonden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende, waarin ook andere geschilpunten zijn opgenomen.
6. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar erkend dat tegen een eenmaal afgegeven medebelanghebbendebeschikking bezwaar en beroep openstaan, ongeacht de vraag of deze beschikking terecht is afgegeven. Ook heeft de heffingsambtenaar verklaard dat belanghebbende had moeten worden gehoord, omdat de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond heeft verklaard en belanghebbende om een hoorgesprek heeft verzocht. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat om die reden terugwijzing naar de bezwaarfase dient plaats te vinden. Ten slotte heeft de heffingsambtenaar toegezegd dat de door belanghebbende verzochte informatie alsnog zal worden verstrekt.
7. Gelet op het voorgaande vernietigt de rechtbank de uitspraak op bezwaar en wijst zij de zaak terug naar de bezwaarfase. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.
Dwangsom
8. Belanghebbende is van mening dat hij recht heeft op een dwangsom van € 1.442. Hiertoe voert belanghebbende aan dat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar niet zorgvuldig heeft genomen en artikel 40 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) heeft geschonden, evenals meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiveringsbeginsel en het fair-playbeginsel. Volgens belanghebbende kan de heffingsambtenaar niet aan de verbeurte van een dwangsom ontkomen door snel en onzorgvuldig uitspraak op bezwaar te doen.
9. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom. De stellingen die belanghebbende heeft aangedragen vormen geen grondslag voor de toekenning van een dwangsom, omdat de wet hierin niet voorziet.
Proceskostenvergoeding
10. Belanghebbende is van mening dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding voor onder meer het bezwaarschrift en het beroepschrift. Belanghebbende verzoekt de rechtbank om niet langer de lagere wegingsfactor te hanteren in WOZ-zaken en om de extra vermenigvuldigingsfactor uit artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing te laten wegens strijd met het discriminatieverbod.
11. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Bij de berekening van de hoogte van de proceskostenvergoeding moet dan wel rekening worden gehouden met de extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1 van artikel 30a van de Wet WOZ, omdat de uitspraak op bezwaar in 2024 is gedaan en de WOZ-beschikking niet wordt vernietigd of gewijzigd.
12. De rechtbank is van oordeel dat, in lijn met het richtsnoer van de hoven [1] , een wegingsfactor van 0,5 moet worden gehanteerd voor de zwaarte van de zaak. Het geschil in beroep betreft namelijk uitsluitend het antwoord op de vraag of de hoorplicht is geschonden en de zaak wordt op die grond voor een nieuwe behandeling in bezwaar teruggewezen naar het bestuursorgaan.
13. De rechtbank is verder van oordeel dat bij de berekening van de proceskostenvergoeding in de beroepsfase de extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1 van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ moet worden toegepast, gezien het feit dat de uitspraak op bezwaar in deze zaak na 1 januari 2024 is gedaan en de WOZ-beschikking niet wordt vernietigd of gewijzigd. [2] De Hoge Raad heeft in het arrest van 17 januari 2025 [3] deze bepaling al getoetst aan artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en heeft geoordeeld dat deze bepaling geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling oplevert. Van strijd met het discriminatieverbod is dus geen sprake. Verder heeft gemachtigde van belanghebbende niet gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in het arrest van 17 januari 2025, zodat ook hierom artikel 30a van de Wet WOZ niet buiten toepassing moet blijven.
14. De rechtbank kent voor de bezwaarfase geen kostenvergoeding toe, omdat deze fase wordt heropend en vooralsnog niet duidelijk is of het bezwaar gegrond zal worden verklaard. De heffingsambtenaar zal in de nieuwe uitspraak op bezwaar opnieuw een beslissing moeten nemen over de kostenvergoeding in de bezwaarfase. [4]
15. De rechtbank kent gezien het voorgaande en met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht aan belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toe van € 46,70 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 0,5 en de extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1).
Uitbetaling proceskostenvergoeding
16. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om de kostenvergoeding rechtstreeks aan zijn gemachtigde te betalen. De belastingrechter is echter niet bevoegd om te oordelen over de vraag of de proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan van belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd om over een dergelijke vraag te oordelen. [5]
Verzoek immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
17. Belanghebbende heeft op 9 april 2024 verzocht om een schadevergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 5 oktober 2023.
18. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn op de datum van het wijzen van het ‘bagatelarrest’ van de Hoge Raad [6] (14 juni 2024) nog niet was overschreden. Dit betekent dat deze zaak valt onder de nieuwe regels van dit arrest, hoewel het verzoek wel voor 14 juni 2024 is gedaan.
19. Omdat de rechtbank de zaak terugwijst en de heffingsambtenaar opnieuw uitspraak op bezwaar moet doen, eindigt de termijn voor de berechting in eerste aanleg echter niet met deze uitspraak van de rechtbank. [7] Die termijn loopt door tot het moment waarop in de hoofdzaak is beslist. Om die reden kan de rechtbank op dit moment geen oordeel geven over het verzoek om schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is gegrond, omdat de heffingsambtenaar het hoorrecht heeft geschonden. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en wijst de zaak voor een inhoudelijke behandeling terug naar de heffingsambtenaar.
21. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten van € 46,70.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • wijst de zaak terug naar de heffingsambtenaar om belanghebbende te horen en vervolgens opnieuw uitspraak op bezwaar te doen;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 46,70;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 20 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, onder andere neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
2.Artikel IV van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507.
3.Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9550, en rechtbank Gelderland 10 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11659.
5.Vergelijk Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4.
6.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
7.Vergelijk Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1153, r.o. 3.2.