Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning vastgesteld op €478.000 en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond zonder belanghebbende te horen, ondanks diens verzoek om een hoorgesprek.
De rechtbank oordeelt dat het hoorrecht is geschonden en vernietigt de uitspraak op bezwaar. De zaak wordt terugverwezen naar de heffingsambtenaar voor een nieuwe beslissing waarbij belanghebbende wordt gehoord. Daarnaast wijst de rechtbank een proceskostenvergoeding van €46,70 toe voor de beroepsfase.
Belanghebbende vorderde ook een dwangsom en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar deze vorderingen worden afgewezen omdat de wet geen grondslag biedt voor een dwangsom en de termijn nog niet was overschreden. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van €51 moet vergoeden.
De rechtbank bevestigt dat de extra vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a Wet WOZ van toepassing is en niet in strijd is met het discriminatieverbod. De bezwaarfase wordt heropend, waardoor een kostenvergoeding daarvoor nog niet wordt toegekend. De uitspraak bevat tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep.