ECLI:NL:RBGEL:2026:335

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
ARN 24/5020
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvragen voor persoonsgebonden budget op grond van de Jeugdwet

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, wordt het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen voor persoonsgebonden budgetten (pgb) op grond van de Jeugdwet (Jw) beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat de aanvragen ongegrond zijn, omdat eisers de medewerkingsplicht hebben geschonden zoals vastgelegd in artikel 8.1.2, derde lid, van de Jw. De rechtbank stelt vast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg de aanvragen heeft afgewezen op basis van onvoldoende medewerking van eisers aan het onderzoek van het Jeugdteam. Dit onderzoek was noodzakelijk om te bepalen of er een noodzaak voor jeugdhulp bestond en in welke vorm deze hulp verleend zou moeten worden. De rechtbank concludeert dat het college terecht heeft gesteld dat zonder de gevraagde medewerking, het niet mogelijk was om de noodzaak van jeugdhulp vast te stellen. De rechtbank wijst erop dat de medewerkingsplicht niet absoluut is, maar dat in dit geval de weigering van eisers om mee te werken aan het onderzoek het college heeft belet om een weloverwogen beslissing te nemen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aanvragen voor pgb.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/5020

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], als wettelijk vertegenwoordiger van

[naam kind 1]
en
[naam kind 2], allen uit [plaats], eisers
(gemachtigde: mr. K. Wevers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg, het college
(gemachtigden: mr. J.L. Scheper en mr. D. van Tilborg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de aanvragen van eisers voor het toekennen van voorzieningen op grond van de Jeugdwet (Jw) aan [naam kind 2] en [naam kind 1] in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).
1.1.
Het college heeft de aanvraag voor het toekennen van het pgb met het besluit van 21 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 juli 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van deze aanvraag gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Op 8 januari 2025 heeft de rechtbank [naam kind 1] gesproken tijdens een kindgesprek.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college deelgenomen.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld met elkaar in gesprek te gaan.
1.6.
Partijen hebben de rechtbank middels verschillende brieven geïnformeerd over de ontwikkelingen in hun correspondentie.
1.7.
Op 4 december 2025 heeft de rechtbank het beroep, gevoegd met de het beroep van eisers met zaaknummer 24/5031, op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, bijgestaan door [persoon A] (voormalig cliëntondersteuner van MEE), de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college deelgenomen. De rechtbank heeft de zaken daarna gesplitst en zal in beide zaken afzonderlijk uitspraak doen.

Totstandkoming van het besluit

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. [eiseres] (hierna: [eiseres]) is moeder van drie kinderen: [naam kind 2] en [naam kind 1] en hun inmiddels meerderjarige broer. [naam kind 2] is geboren op [geboortedatum 1] 2006 en [naam kind 1] op [geboortedatum 2] 2010. Zij zijn alle drie bekend met een aantal medische klachten en beperkingen. Namens hen heeft [eiseres] op 2 november 2018 het college gevraagd een voorziening voor jeugdhulp, te verlenen door [eiseres], voor 43,35 uur per week in de vorm van een pgb toe te kennen. Bij besluit van 14 februari 2019, gehandhaafd bij besluit van 28 mei 2019, heeft het college de aanvraag van eisers afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat er onvoldoende informatie is verkregen van de kinderen en hun moeder om de in te zetten hulp en de beoogde resultaten te kunnen vaststellen. Het Jeugdteam heeft van [eiseres] geen gelegenheid gekregen om met de kinderen in gesprek te gaan, terwijl dit wel noodzakelijk was om de benodigde hulp vast te kunnen stellen.
Bij besluit van 20 juli 2022 naar aanleiding van een tussenuitspraak van deze rechtbank van 21 oktober 2021 [1] , heeft het college aan de kinderen een voorziening op het gebied van jeugdhulp toegekend voor maximaal 38 uur en 55 minuten per week, over de periode van 2 november 2018 tot 1 augustus 2023 in de vorm van een pgb. [2]
2.1.
Met zijn uitspraak van 2 december 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het hoger beroep van het college tegen de tussenuitspraak van 21 oktober 2021 en de einduitspraak van 4 januari 2023 [3] van deze rechtbank gegrond verklaard. [4] Daarbij heeft de Raad overwogen:
“5.4. In het kader van het onderzoek wilde het Jeugdteam (namens het college)
betrokkenen zien en met hen in gesprek gaan. Niet in geschil is dat de moeder van
betrokkenen het Jeugdteam geen gelegenheid heeft gegeven om met betrokkenen in
gesprek te gaan. Het college heeft naar voren gebracht dat een gesprek tussen het
Jeugdteam en betrokkenen nodig was om te kijken of en welke jeugdhulp noodzakelijk
was. Het Jeugdteam wilde de behoefte en het ontwikkelingsperspectief van betrokkenen in
kaart brengen en verder was het nodig om te bezien hoe de informele zorg geleverd door
de moeder aan zou sluiten bij de zorg door professionals die al was toegekend. De door de
moeder van betrokkenen in bezwaar overgelegde (medische) stukken waren niet voldoende
om dit vast te stellen. Van de onjuistheid van dit standpunt is de Raad mede gelet op de
onderzoeksplicht van het college als bedoeld onder 5.2 niet kunnen blijken. Het college
mocht zich mitsdien op het standpunt stellen dat een gesprek met betrokkenen
redelijkerwijs kon bijdragen aan een juiste vaststelling van de jeugdhulp en daarmee aan
een juiste uitvoering van de wet. Het college heeft het dan ook noodzakelijk kunnen achten
met betrokkenen te spreken. Nu van de zijde van de moeder voorts geen concrete en
geobjectiveerde redenen naar voren zijn gebracht waarom – bijvoorbeeld om redenen van
medische aard – (toch) niet met betrokkenen gesproken zou kunnen worden, is niet
voldaan aan de in artikel 8.1.2, derde lid, van de Jw bedoelde verplichting. De Raad volgt
het college dan ook in het standpunt dat betrokkenen geen medewerking hebben verleend
in de zin van artikel 8.1.2, derde lid, van de Jw.
5.5.
Het niet verlenen van de gevraagde medewerking is zoals hiervoor overwogen op
zichzelf echter geen afwijzingsgrond. Voor zover, ondanks de weigering tot medewerking,
door het college toch kan worden vastgesteld of jeugdhulp nodig is, en zo ja welke
jeugdhulp en in welke omvang, dient dienovereenkomstig te worden besloten. Naar het
oordeel van de Raad leidt in deze situatie het ontbreken van de gevraagde medewerking er
echter toe dat het college geheel niet kon vaststellen wat de noodzaak tot verlening van
jeugdhulp is. Het college heeft de aanvraag voor jeugdhulp dan ook mogen afwijzen. Gelet
op het voorgaande komt de Raad niet toe aan een beoordeling van de andere gronden van
de hoger beroepen.”
De Raad heeft de tussenuitspraak, de einduitspraak en het besluit van 20 juli 2022 vernietigd en het beroep tegen het besluit van 28 mei 2019 ongegrond verklaard.
2.2.
Bij brieven van 16 mei 2023 heeft [eiseres], namens [naam kind 2] en [naam kind 1] bij het college aanvragen ingediend voor het verlengen van het pgb op grond van de Jw voor de periode na 31 juli 2023. Voor [naam kind 1] is verzocht om het toekennen van een pgb met een omvang van veertien uur en 40 minuten per week voor het voortzetten van de zorg die [eiseres] aan haar levert. Voor [naam kind 2] is verzocht om het toekennen van een pgb met een omvang van 23 uur en 20 minuten per week voor het voortzetten van de zorg die [eiseres] aan hem levert.
2.3.
Naar aanleiding van deze aanvragen heeft het college, bij mailbericht van 10 juli 2023, uiteengezet dat het voornemens is om het onderzoek als volgt vorm te geven. Allereerst zal er een (keukentafel)gesprek plaatsvinden tussen (vertegenwoordigers van) het Jeugdteam enerzijds en eisers anderzijds. Door het college wordt aangegeven dat bij het beoordelen van de aanvragen niet alleen kan worden uitgegaan van de rapporten van JPH Consult en de Autisme Academie. [eiseres] wordt daarom verzocht om voor 1 augustus 2023 haar beschikbaarheid en de beschikbaarheid van haar kinderen voor het keukentafelgesprek in de week van 14 of 21 augustus 2023 aan het college door te geven.
2.4.
Vervolgens vindt naar aanleiding van de aanvragen veelvuldig correspondentie, zowel schriftelijk als mondeling, plaats tussen (de vertegenwoordiger van) [eiseres] en de vertegenwoordigers van het college. Het college heeft in die periode de termijn voor het beslissen op de aanvragen tweemaal opgeschort.
2.5.
Bij e-mailbericht van 6 november 2023 is door het Jeugdteam van de gemeente Doesburg aan [eiseres] meegedeeld dat op basis van de ontvangen informatie geen zorgvuldige afweging gemaakt kan worden die recht doet aan de praktijk en die van het college verwacht wordt op grond van de Jw en de rechtspraak. Er is uitgebreidere informatie nodig over het dagelijks functioneren van [naam kind 2] en [naam kind 1] om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen. Aan [eiseres] wordt toestemming gevraagd om alsnog contact op te nemen met het [naam school] (de school van [naam kind 2] en [naam kind 1]) om hun mentoren te spreken. Ook wordt gevraagd om toestemming om in contact te komen met [naam kind 2] en [naam kind 1]. Aangegeven wordt dat de medewerking van [eiseres] nodig is om een zorgvuldig besluit te nemen. Zonder aanvullende informatie kan het college echter geen zorgvuldig besluit nemen. In dat geval kan het college helaas niets anders dan de aanvragen afwijzen. [eiseres] wordt verzocht om uiterlijk
13 november 2023 op beide vragen om toestemming te reageren.
2.6.
Met haar brief van 13 november 2023 heeft [eiseres] op het mailbericht van 6 november 2023 gereageerd. Daarin geeft zij de voorgeschiedenis van de aanvraagprocedure en de procedure rondom de eerdere Jw-aanvragen weer. Ook geeft [eiseres] daarin aan welke bedenkingen zij heeft bij de wensen en verzoeken van het Jeugdteam om in gesprek te gaan met [naam kind 2] en [naam kind 1] en met hun mentoren van school.
2.7.
Vervolgens heeft het Jeugdteam een (ongedateerde) rapportage opgesteld van het onderzoek dat zij heeft verricht. Daarin komt zij – samengevat – tot de volgende conclusies:
“Op dit moment is de zorg zo dichtbij mogelijk en zo flexibel mogelijk georganiseerd door
moeder en achten wij het voldoende veilig voor de kinderen. Deze inschatting maken we
aangezien er geen zorgelijke signalen bij ons terecht zijn gekomen door Veilig Thuis of de
betrokken instanties van wie we een reactie hebben mogen ontvangen. Moeder geeft aan tevreden te zijn over de geleverde zorg en wil deze blijven continueren, daarnaast geeft moeder aan dat de kinderen dit willen. Dit hebben we niet kunnen verifiëren bij de kinderen maar aangezien zij ook het toestemmingsformulier hebben ondertekend gaan we ervanuit dat moeder hun belangen hierin behartigd. Tijdens dit onderzoek is naar voren gekomen dat moeder duidelijk zorgen heeft rondom de ontwikkeling van haar kinderen en dat moeder van mening is dat hiervoor extra zorg nodig is die zij het beste zelf kan bieden. Hoewel we ons kunnen voorstellen dat de situatie die moeder schetst veel vraagt, kunnen wij niet verifiëren of de kinderen inderdaad de mate van zorg nodig hebben zoals wordt geschetst in de aanvraag. Op basis van de gestelde diagnose en de informatie die wij van betrokken hulpverleners hebben ontvangen, kunnen wij deze mate van ondersteuning niet onderbouwen. Er is onvoldoende zicht op het huidig functioneren van de kinderen, de ontwikkeling die zij al dan niet hebben gemaakt sinds het onderzoek van JPH en prognose van wat extra inzet zou opleveren om PGB toe te kennen. We willen echter benadrukken dat we wellicht tot een andere conclusie zouden komen als wij over meer informatie zouden beschikken. Wanneer moeder open staat voor medewerking aan een zorgvuldig en integraal onderzoek door het Jeugdteam, is zij van harte welkom om contact op te nemen ten aanzien van een PGB aanvraag. Ook met vragen over voorliggende voorzieningen of advies over passende ondersteuning kan zij bij het jeugdteam terecht.”
2.8.
Op basis van de bevindingen van het Jeugdteam is het college overgegaan tot de besluitvorming zoals weergegeven onder de Inleiding.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvragen van eisers voor het toekennen van voorzieningen in de jeugdhulp aan [naam kind 2] en [naam kind 1] in de vorm van een pgb op grond van de Jw. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het standpunt van het college
5. Het college heeft aan de afwijzing van de aanvragen – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eisers weigeren mee te werken aan het door het Jeugdteam verlangde onderzoek. Daarmee hebben zij de medewerkingsverplichting van artikel 8.1.2, derde lid, van de Jw geschonden. De reactie van 13 november 2023 van [eiseres] kan het college niet anders aanmerken dan als een weigering om mee te werken aan het onderzoek. [eiseres] zegt niet met zoveel woorden dat zij haar medewerking weigert, maar de geformuleerde bezwaren komen daar feitelijk wel op neer. Het college meent dat deze weigering niet terecht is. Van eisers mag in redelijkheid worden gevraagd om mee te werken aan een gesprek met de kinderen en het leggen van contact met (de mentoren van) school. Dat zijn op zichzelf geen ingrijpende onderzoekshandelingen. Er zijn geen objectiveerbare (medische) gegevens om de stelling van [eiseres], dat het voeren van een gesprek met [naam kind 2] en [naam kind 1] als te ingrijpend of te belastend moet worden aangemerkt, te onderbouwen. Bovendien beschikken de gespecialiseerde medewerkers van het Jeugdteam over de noodzakelijke (gespreks)technieken om de gesprekken in een veilige setting te laten plaatsvinden. Hoewel bovenstaande redenen reeds maken dat het college gerechtigd is om de medewerking van eisers aan een gesprek te verlangen, heeft het Jeugdteam in eerste instantie geprobeerd om zo veel mogelijk aan de wensen van [eiseres] tegemoet te komen. Dit is gedaan door in eerste instantie het onderzoek uit te voeren zonder een gesprek met de kinderen. Dat onderzoek heeft in essentie bestaan uit het opvragen van informatie bij de behandeld sector (de jeugdprofessionals die aan [naam kind 2] en [naam kind 1] jeugdhulp verlenen) en uit bureauonderzoek (het bestuderen van beschikbare rapportages, waaronder het rapport van JPH). In de loop van het onderzoek is echter gebleken dat het uitvoeren van een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is zonder in ieder geval ook de kinderen te spreken en contact te hebben met (de mentoren van) de school. Meer specifiek heeft het Jeugdteam geconstateerd dat het niet mogelijk is om op basis van het reeds uitgevoerde onderzoek een toereikend antwoord te formuleren op de vragen 2 tot en met 4 uit het in de rechtspraak ontwikkelde stappenplan om vast te stellen in hoeverre de jeugdigen op de aangevraagde jeugdhulp zijn aangewezen. Bovendien kon op basis van het summiere onderzoek de vraag niet worden beantwoord in hoeverre het aangevraagde pgb veilig, cliëntgericht en doeltreffend is. Uit het voorgaande blijkt volgens het college dat het noodzakelijk is om nadere informatie te verkrijgen om alle vragen uit het stappenplan te kunnen beantwoorden en om te kunnen beoordelen in hoeverre er wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Het Jeugdteam heeft daarbij in eerste instantie gekozen voor een weinig ingrijpend onderzoek, bestaande uit een gesprek met de mentoren van school en een gesprek met [eiseres] en de kinderen. [eiseres] heeft daaraan geen medewerking verleend. Uit de rechtspraak blijkt dat in een situatie waarin een aanvraag (mede) betrekking heeft op de ondersteuning van de jeugdige door een ouder in de thuissituatie, een onderzoek naar de thuissituatie door middel van observaties ook nog binnen de grenzen van het redelijke blijft. [5] In dit geval wordt in eerste instantie volstaan met een veel lichter onderzoek: een gesprek met (de mentoren van) school en een gesprek met de kinderen. Het onderzoek van JPH is eind 2021 uitgevoerd. Dat onderzoek was derhalve ten tijde van het nemen van het nu aan de orde zijnde besluit van 21 november 2023 al bijna twee jaar oud. Het gaat in dit geval om kinderen met een complexe (medische) problematiek. De kinderen ontvangen naast zeer aanzienlijke ondersteuning door hun moeder, ook verschillende vormen van professionele jeugdhulp. De kinderen zitten bovendien nog midden in hun ontwikkeling. Onder dergelijke omstandigheden kan het Jeugdteam zich bij het onderzoek niet (louter) baseren op een onderzoek van (bijna) twee jaar oud. Dat klemt te meer omdat in het rapport van JPH per kind diverse doelen zijn geformuleerd en uit de evaluatie van [eiseres] blijkt dat deze doelen niet zijn bereikt en kennelijk ook niet op korte termijn alsnog kunnen worden bereikt. Dat roept onder andere de vraag op welke (veranderde) feiten en omstandigheden kennelijk maken dat de in het rapport nog als realistisch bestempelde doelen kennelijk toch buiten bereik zijn komen te liggen. Het rapport van JPH adresseert bovendien niet (althans niet in afdoende mate) alle in dit geval in het onderzoek te betrekken aspecten. Onder meer is geen, althans een onvoldoende onderzoek verricht naar de eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen van [eiseres] en de kinderen (stap 4 uit het stappenplan). Verder biedt het JPH rapport geen, althans onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen in hoeverre de door [eiseres] geboden ondersteuning doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is.
Ook het genoemde rapport van Trompetter en Partners leidt er niet toe dat van eisers geen medewerking zouden mogen worden gevraagd aan een gesprek met het Jeugdteam en een gesprek met de mentoren van de kinderen op school. Het rapport heeft betrekking op een onderzoek dat in het kader van een aanvraag van de oudere broer van [naam kind 2] en [naam kind 1] op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) is uitgevoerd. Het college ontgaat waarom een onderzoek dat ziet op een ander kind en een ander wettelijk kader relevant zou kunnen zijn voor het beantwoorden van de vraag of aan eisers in redelijkheid de medewerking kan worden gevraagd aan een onderzoek op grond van de Jw dat bovendien betrekking heeft op twee andere kinderen. Verder verwijst het college naar een tweetal uitspraken van deze rechtbank van 24 januari 2024. [6]
Waarom zijn eisers het niet eens met de afwijzing van de aanvragen?
6. Eisers voeren – samengevat – het volgende aan tegen de afwijzing van hun aanvragen.
Het college lijkt zo gefixeerd te zijn op het zien van de kinderen, dat het vergeet dat er ook andere, goede onderzoeksmogelijkheden zijn en dat er al een gigantisch dossier met informatie voorhanden is. De stelling van het college dat geweigerd wordt om mee te werken aan het onderzoek is niet waar, mede gelet op alle al aanwezige informatie in het dossier en alle medische adviezen waaraan medewerking is verleend. De stelling dat [naam kind 2] en [naam kind 1] gezien moeten worden om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen, is ook zonder nadere, goede onderbouwing volstrekt onnavolgbaar. Tot de dag van vandaag is op geen enkele wijze logisch verklaarbaar gemaakt waarom dit noodzakelijk is en wat hiermee überhaupt concreet onderzocht wordt. De aanwezigheid van [naam kind 2] en [naam kind 1] tijdens een gesprek met medewerkers van het Jeugdteam zou inhoudelijk niets toevoegen aan het dossier en niets nieuws noemen ten opzichte van de reeds bestaande medische adviezen en op geen enkele wijze is door het college het tegendeel onderbouwd met daartoe relevante argumenten.
[eiseres] vindt het zeer spijtig dat het college drukker is met het in diskrediet brengen van haar, dan met het zonder haar kinderen daartoe (te moeten) zien uitvoeren van een adequaat onderzoek in het kader van de Jw. De huidige opstelling van het college is ook op geen enkele wijze in het belang van [naam kind 2] en [naam kind 1]. Zelfs al zou [eiseres] onvoldoende meewerken wat absoluut niet het geval is, dan nog moet het college met alle beschikbare informatie een weloverwogen keuze maken en gelet op de reeds geïndiceerde en geconstateerde zorgomvang is het natuurlijk absurd dat geen enkel pgb is verstrekt. Het college had bijvoorbeeld ook kunnen kiezen voor een verlaagde indicatie, gemotiveerd door bijvoorbeeld te stellen dat 'nu geen gesprek met de kinderen heeft plaatsgevonden, wij ervan uitgaan dat bepaalde doelen zijn gehaald, waardoor minder tijd nodig is'. Het volledig stopzetten c.q. niet verlengen van de indicatie wetende dat sprake is van een enorm grote zorgbehoefte, is natuurlijk geen juiste manier van handelen.
Het college meent dat door het zien van de kinderen, een paar minuten lang, zij ineens de kinderen en de problematiek kent, terwijl de medewerkers vaak niet eens medisch onderlegd zijn. Ook het dossier van de kinderen laat zien hoeveel onderzoek er al is geweest, hoeveel medische adviseurs er betrokken zijn geweest en adviezen hebben uitgebracht, maar dat het vervolgens nooit voor de gemeente genoeg is. De enige reden dat het college moeilijk doet vormen de omvang van de verstrekken pgb’s, niet het welzijn van de kinderen. Als het welzijn van de kinderen voorop stond, zou niet gehandeld zijn zoals tot op heden is gehandeld. De wensen van eisers zouden serieus genomen worden en er zou gepoogd moeten worden een oplossing te vinden, in plaats van het stelmatig opleggen van de eigen wil van het college en diens medewerkers. Eisers wensen dan ook verlenging van de indicatie in de omvang zoals vastgesteld door JPH, mede omdat er zich geen wezenlijke wijziging heeft voorgedaan die een wijziging van de indicatieomvang rechtvaardigt.
De reacties van partijen na de schorsing van het onderzoek door de rechtbank
7. Met het proces-verbaal van de schorsing van het onderzoek op de zitting van
14 januari 2025 heeft de rechtbank het onderzoek op de zitting geschorst. Daarbij heeft zij bepaald dat partijen de rechtbank binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal zullen informeren of zij in onderling overleg tot overeenstemming zijn gekomen over de wijze waarop het onderzoek naar de Jw-aanvragen van eisers vormgegeven kan worden. Ook heeft de rechtbank bepaald dat partijen haar tussentijds informeert over de ontwikkelingen in dit overleg. Partijen hebben diverse reacties ingestuurd. De rechtbank zal hieronder de essentie van deze reactie kort weergeven.
Het standpunt van het college
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de schending van de medewerkingsplicht niet met terugwerkende kracht ongedaan kan worden gemaakt. Het is onmogelijk om medio 2025 onderzoek te verrichten naar de toestand zoals die in 2023 was. [naam kind 2] valt sinds [geboortedatum 1] 2024 niet meer onder de reikwijdte van de Jw. Voor verlengde jeugdhulp bestaat geen aanleiding. Omdat [naam kind 2] tijdens de zitting van 14 januari 2025 heeft aangegeven dat hij niet wenst dat zijn aanvraag als een aanvraag op grond van de Wmo 2015 wordt aangemerkt, bestaat er voor hem geen belang meer bij het voeren van een gesprek met het Jeugdteam. Omdat [naam kind 1] de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, bestaat er voor haar nog wel belang. Het Jeugdteam kan uitsluitend onderzoek doen naar haar huidige situatie en niet naar haar toestand zoals die was in 2023. Het onderzoek kan er dan ook uitsluitend toe leiden dat er mogelijk aan [naam kind 1] een pgb wordt toegekend voor toekomstige periodes. Een pgb met terugwerkende kracht voor de periode vanaf 1 augustus 2023 zal dan ook niet verstrekt kunnen worden. Er zal een volledig onderzoek worden verricht door het Jeugdteam, waarbij, in ieder geval, de volgende stappen worden gezet: een gesprek tussen jeugdprofessionals van het Jeugdteam en [naam kind 1] én een gesprek tussen jeugdprofessionals van het Jeugdteam en de mentor van de school van [naam kind 1]. Het college benoemt een aantal voorwaarden voor het gesprek tussen [naam kind 1] en het Jeugdteam. Uit de reacties van eisers hierop blijkt volgens het college niet dat eisers daadwerkelijk bereid zijn in te stemmen met het door het college voorgestelde gesprek met [naam kind 1] en het vervolgens inwinnen van inlichtingen bij de mentor van haar school.
7.2.
Eisers stellen zich op het standpunt dat [naam kind 2] de aanvraag van 16 mei 2023 niet heeft ingetrokken. Daarom is deze aanvraag nog accuraat. Het college moet die aanvraag nog steeds beoordelen, omdat de aanvraag is ingediend ruim voor zijn achttiende verjaardag. De medewerkingsplicht beoogt een zorgvuldige besluitvorming te faciliteren, maar vormt geen absoluut criterium dat in alle gevallen toekenning van jeugdhulp categorisch uitsluit. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB geldt dat bij toepassing van artikel 8.1.2 van de Jw het college expliciet moet motiveren waarom afzien van verdere behandeling in overeenstemming is met het belang van het kind. Dat ontbreekt in het huidige standpunt van het college. Daarom dient het college alsnog over te gaan tot inhoudelijke beoordeling van de aanvragen vanaf 16 mei 2023, dan wel het gesprek daarover niet vooraf te beperken. Eisers zullen medewerking verlenen. Zij verzoeken daarbij wel om rekening te houden met de gevolgen voor de kinderen en pas in het uiterste geval contact op te nemen met de school. Eisers verzoeken om de aanvangsdatum van de toe te kennen pgb’s te bepalen op de datum van de aanvraag van 2 november 2018, omdat uit verschillende rapporten is gebleken dat [eiseres] de vereiste zorg heeft geboden en dat deze van kwalitatief hoog niveau is. Eisers willen graag gebruik maken van een extern adviseur, mevrouw [persoon B] en vragen het college om deze ondersteuning te bekostigen, omdat zij die niet kunnen betalen.
Wat vindt de rechtbank?
Het juridisch kader
8. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat het college, op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 2.3 van de Jw, voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit houdt in dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag voor jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn (stap 2). Pas wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (stap 3). Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De vorenbedoelde verschillende stappen in het onderzoek vragen op die stappen aangepaste deskundigheid. Het college moet ervoor zorgdragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. [7]
9. Artikel 8.1.2, derde lid, van de Jw bepaalt dat de jeugdige en zijn ouders verplicht zijn aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Net als in de (hoger)beroepsprocedure tegen de eerdere afwijzing door het college van de aanvraag om jeugdhulp is ook hier de vraag aan de orde hoe ver deze medewerkingsverplichting gaat. Uit de in 2.1 aangehaalde uitspraak van de CRvB volgt dat deze verplichting niet absoluut is. Het gaat om de medewerking die “redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet”. Deze verplichting van de jeugdige en zijn ouders moet worden gezien in het licht van de in 8 weergegeven vergaande onderzoeksplicht van het college bij het vaststellen van de noodzakelijke jeugdhulp. Om een volledig beeld te krijgen van de noodzakelijke jeugdhulp is het college veelal mede aangewezen op informatie van de jeugdige en de ouders over – zeer kort samengevat – de problemen waartegen wordt aangelopen en de mogelijke oplossingen. Indien relevante informatie omtrent de jeugdige en/of de ouders ontbreekt kan de aangewezen jeugdhulp en daarmee het recht op jeugdhulp niet altijd (volledig) worden vastgesteld. [8]
Hebben eisers de medewerkingsplicht geschonden?
10. De vraag die voorligt is of er ten tijde hier in geding (de datum van het bestreden besluit) van de kant van eisers inderdaad sprake is geweest van schending van de medewerkingsplicht bedoeld in artikel 8.1.2, derde lid van de Jw. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is.
10.1.
Het college heeft het op goede gronden noodzakelijk gevonden om met de [naam kind 2] en [naam kind 1] in gesprek te gaan en tevens met de mentoren van hun school. Door dit te weigeren dan wel telkens (nieuwe) beperkende voorwaarden te stellen aan de (wijze van) gesprekvoering heeft [eiseres] het voor het college onmogelijk gemaakt dit onderzoek te doen. Dat maakt dat er sprake is van schending van de medewerkingsplicht. Daarbij merkt de rechtbank op dat het in zaken als deze, waarin een pgb voor jeugdhulpverlening door de ouder aan de orde is, het in het algemeen noodzakelijk is het gesprek met de kinderen maar ook met derden zoals de mentoren van school aan te gaan. Hiermee kan duidelijkheid worden verkregen over de rol die de ouder speelt bij de noodzakelijke begeleiding van de kinderen, over de zwaarte daarvan voor die ouder en daarmee of die begeleiding nog wel valt binnen de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jw. Daarom moet geconcludeerd worden dat het verlenen van de medewerking aan deze gesprekken redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de op het college rustende onderzoeksplicht bij het vaststellen van de voor [naam kind 2] en [naam kind 1] noodzakelijke jeugdhulp. Dit ondanks dat er al de nodige informatie in het dossier voorhanden is. Doordat dit gesprek niet kon worden aangegaan was het voor het college niet mogelijk de noodzaak van deze vorm van jeugdhulp vast te stellen.
10.2.
Dat eisers na het bestreden besluit alsnog blijk hebben gegeven mee te willen werken aan een onderzoek kan hen niet baten omdat, zoals gezegd, enkel de feiten en omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit hier voorliggen. Anders gezegd, de schending van de medewerkingsplicht is in casu niet herstelbaar. Dit laat onverlet dat het college bereid is per 1 januari 2025 de jeugdhulp aan [naam kind 1] eventueel te verlenen nadat een onderzoek heeft plaatsgevonden. Het college hoeft dus niet te onderzoeken of er voor [naam kind 2] en [naam kind 1] aanleiding bestaat voor het verlenen van jeugdhulp per de datum van de aanvragen.
Had het college de aanvragen ondanks de schending van de medewerkingsplicht toch kunnen beoordelen?
11. Zoals volgt uit de in 2.1 aangehaalde uitspraak van de CRvB is het niet verlenen van de gevraagde medewerking op zichzelf geen afwijzingsgrond. Als het college, ondanks de weigering tot medewerking door de aanvrager(s), toch kan vaststellen dat jeugdhulp nodig is, en zo ja welke jeugdhulp en in welke omvang, dient dienovereenkomstig te worden besloten.
11.1.
Naar het oordeel van de rechtbank leidt in deze situatie het ontbreken van de gevraagde medewerking er echter toe dat het college geheel niet kon vaststellen of (nog steeds) een noodzaak bestaat op grond waarvan jeugdhulp aan [naam kind 2] en [naam kind 1] verleend moet worden, en zo ja, in welke vorm en omvang die jeugdhulp verleend zou moeten worden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de informatie die over hen in het dossier aanwezig is, onvoldoende is voor een goede beoordeling. Deze informatie is gedateerd. Bovendien is het inherent aan jeugdigen dat zij een ontwikkeling doormaken, waarbij hun behoefte aan jeugdhulp veranderd kan zijn. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat gesprekken tussen (de mentoren van) [naam kind 2] en [naam kind 1] en het Jeugdteam onnodig belastend (zouden) zijn voor [naam kind 2] en [naam kind 1]. Eisers hebben geen (medische) informatie overgelegd waaruit dat zou blijken. Het college heeft de aanvragen voor (verlenging van de) jeugdhulp voor [naam kind 2] en [naam kind 1] dan ook mogen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Zij krijgen daarom het griffierecht niet terug. Eisers krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Peters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving

Jeugdwet
Artikel 1.1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
- jeugdhulp:
1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;
2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en
3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht;
Artikel 1.2
1. Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen:
a. indien er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet;
b. indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, of
c. het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.
2. Indien er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van deze wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van deze wet te treffen.
Artikel 2.3, eerste lid
Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
a. gezond en veilig op te groeien;
b. te groeien naar zelfstandigheid, en
c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,
rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
Artikel 8.1.2.
1. De jeugdige en zijn ouders doen aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget.
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet, indien het college die feiten en omstandigheden kan vaststellen op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens die feiten en omstandigheden kan verkrijgen uit bij regeling van Onze Ministers aan te wijzen administraties.
3. De jeugdige en zijn ouders zijn verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Voetnoten

2.Voor [naam kind 2] vijftien uur en 20 minuten per wee, voor [naam kind 1] twaalf uur en 40 minuten per week en voor hun broer tien uur en 55 minuten per week.
5.Rechtbank Gelderland 6 september 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:5013.
7.Bijvoorbeeld de uitspraken van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477) en van 17 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2362).
8.Zie ook de uitspraak van de CRvB van 2 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1015.