Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2511

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
ARN 24/9072
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen aanslag inkomstenbelasting en dwangsombeschikking

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2021 en stelde beroep in tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. De rechtbank vernietigde eerder de uitspraak op bezwaar wegens schending van het hoorrecht en verwees de zaak terug naar de inspecteur.

De inspecteur stelde een dwangsombeschikking vast van €92 wegens overschrijding van de beslistermijn. Belanghebbende stelde dat de inspecteur de maximale dwangsom verschuldigd was, omdat de termijn doorliep na vernietiging van de uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelde dat de termijn van de dwangsom niet doorloopt bij vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tenzij een uitdrukkelijke termijn wordt gesteld, wat hier niet het geval was.

Belanghebbende vroeg ook een extra dwangsom wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank kende een immateriële schadevergoeding toe van €1.500, waarvan €1.385 door de inspecteur en €115 door de Staat betaald moet worden. Het beroep is niet-ontvankelijk voor het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en ongegrond voor de dwangsombeschikking. De aanslag en dwangsombeschikking blijven in stand, zonder terugbetaling van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Beroep niet-ontvankelijk voor niet tijdig doen uitspraak op bezwaar, ongegrond voor dwangsombeschikking, immateriële schadevergoeding van €1.500 toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9072

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 april 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur,

en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 14 maart 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.572 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 30.855.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].

Feiten

1. De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 oktober 2024 (zaaknummer 23/3769) de uitspraak op bezwaar van 14 maart 2023 vernietigd wegens schending van het hoorrecht. De zaak is daarna teruggewezen naar de inspecteur. Voor feiten voorafgaand aan die zaak verwijst de rechtbank naar die uitspraak.
2. De inspecteur heeft met dagtekening 24 maart 2023 een dwangsombeschikking afgegeven. De inspecteur kent een dwangsom toe van € 92 omdat er later dan 14 dagen na ontvangst van de ingebrekestelling is beslist. De inspecteur berekent het aantal dagen van 11 maart 2023 tot en met 14 maart 2023 op 4 dagen.
3. Op 12 november 2024 heeft belanghebbende bij de inspecteur geïnformeerd naar de status van de behandeling van het bezwaar. Hij wil weten wanneer hij uitgenodigd wordt voor een hoorgesprek.
4. De inspecteur heeft op 14 en 19 november 2024 belanghebbende gebeld, maar kreeg geen gehoor. Per SMS heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om hem een e-mail te sturen.
5. Op 19 november 2024 heeft de inspecteur een e-mail verzonden aan belanghebbende betreffende het inplannen van een hoorgesprek. Hij doet daarbij
3 datavoorstellen.
6. Belanghebbende heeft diezelfde dag gereageerd. Hij wil weten of de inspecteur de bezwaarbehandelaar is, wanneer hij de onkosten voor de rechtszaak vergoed krijgt en hij stelt dat hij recht heeft op de maximale dwangsom.
7. Tussen 21 november en 28 november 2024 is meermalen per e-mail contact over en weer.
8. Op 2 december 2024 is telefonisch contact tussen belanghebbende en de inspecteur. Belanghebbende heeft daarbij aangegeven graag fysiek gehoord te willen worden.
9. Op 2 december 2024 heeft de inspecteur per e-mail aangegeven dat de bezwaarbehandeling is overgedragen aan collega’s in Arnhem en dat zij contact zullen opnemen.
10. De inspecteur heeft per e-mail van 4 december 2024 twee datavoorstellen gedaan voor een hoorgesprek in Arnhem.
11. Belanghebbende heeft op 5 december 2024 gereageerd op de e-mail. Hij heeft aangegeven uiterlijk morgen uitsluitsel te willen over zijn vragen in de e-mail van 19 november. Hij heeft ingestemd met een hoorgesprek op 16 december 2024 om 11.00 uur.
12. Na overleg onderling heeft de inspecteur belanghebbende per e-mail van 5 december 2024 opnieuw uitgenodigd voor een (telefonisch) overleg op 16 december 2024 om 11.00 uur. Tevens heeft belanghebbende de vragen van 19 november beantwoord.
13. Belanghebbende heeft diezelfde dag geantwoord dat de berekende dwangsom niet juist is en dat de inspecteur de maximale dwangsom verbeurd. Tevens geeft hij aan inzage in het dossier te willen.
14. Belanghebbende heeft op 9 december 2024 aangegeven dat hij nog niks heeft vernomen op zijn e-mail van 5 december.
15. De inspecteur heeft diezelfde dag gereageerd dat het hoorgesprek verplaatst moet worden, omdat de stukken niet ten minste een week voorafgaand aan 16 december ter inzage kunnen liggen. Hij informeert op welke datum en tijdstippen in de week na 16 december 2024 belanghebbende zou kunnen voor een hoorgesprek.
16. Belanghebbende heeft aangegeven verbolgen te zijn door de vraag van de inspecteur om het hoorgesprek te verplaatsen. Hij heeft aangegeven te kiezen voor een hoorgesprek op 9 januari 2025.
17. Op 10 december 2024 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.
18. De inspecteur heeft per e-mail van 18 december 2024 gevraagd op welke wijze belanghebbende inzage in zijn dossier wil en hij heeft het hoorgesprek op 9 januari 2025 op om 14.30 uur bevestigd.
19. Op 19 december 2024 heeft de inspecteur digitaal inzage gegeven in het dossier door een link met 17 bestanden te sturen. Deze bestanden zijn diezelfde dag door belanghebbende gedownload.
20. Op 9 januari 2025 heeft belanghebbende aangegeven dat hij niet naar Arnhem kan afreizen. Hij vraagt op welk nummer hij de inspecteur kan bereiken.
21. Op 9 januari 2025 rond 14.30 uur heeft de inspecteur contact opgenomen voor een telefonisch hoorgesprek. Hiervan is een verslag opgemaakt.
22. De inspecteur heeft het verslag op 30 januari 2025 per e-mail aan belanghebbende verzonden. Hij heeft daarbij verzocht om uiterlijk 14 februari 2025 te laten weten of hij het eens is met het verslag.
23. Belanghebbende heeft per e-mail van 11 februari 2025 geantwoord dat hij het verslag niet heeft nagekeken, omdat hij het gesprek heeft opgenomen.
24. Met dagtekening 28 februari 2025 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

25. De rechtbank beoordeelt de hoogte van de dwangsom. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
26. Het beroep van belanghebbende voor zover dat ziet op het uitblijven van een uitspraak op bezwaar is niet-ontvankelijk, voor zover het beroep ziet op de dwangsom is het ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
27. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk omdat het procesbelang is komen te vervallen [1] , er is inmiddels uitspraak op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft aangegeven geen inhoudelijk beroep te willen instellen tegen de (latere) uitspraak op bezwaar.
28. Belanghebbende stelt dat hij op 24 februari 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden aan de inspecteur. Omdat de uitspraak op bezwaar van 14 maart 2023 door de rechtbank is vernietigd, is volgens belanghebbende de termijn doorgelopen en dient de inspecteur de maximale dwangsom aan belanghebbende te verbeuren.
29. De inspecteur is van mening dat hij geen hogere dwangsom verschuldigd is dan de € 92 euro die hij bij beschikking van 24 maart 2023 heeft toegekend. Er is na de uitspraak op bezwaar geen nieuwe ingebrekestelling ontvangen van belanghebbende.
30. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat belanghebbende na de uitspraak van de rechtbank van 17 oktober 2024 geen nieuwe ingebrekestelling heeft verzonden.
31. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in de uitspraak van 23 januari 2018 [2] , in een soortgelijke zaak geoordeeld dat de termijn voor de dwangsom niet doorloopt als een uitspraak op bezwaar wordt vernietigd door de rechtbank.
4.20.
Ingevolge artikel 4:17, lid 1, Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is. Ingevolge artikel 4:17, lid 3, Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4.21.
Belanghebbende heeft de Inspecteur bij brief van 16 maart 2015 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar inzake de informatiebeschikking voor de nog op te leggen aanslag IB/PVV over het jaar 2011. De Inspecteur heeft vervolgens, binnen twee weken nadat hij de ingebrekestelling heeft ontvangen, op 21 maart 2015 uitspraak op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 8 december 2015, nr. 15/1680, geoordeeld dat de Inspecteur belanghebbende ten onrechte niet heeft gehoord, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de Inspecteur opgedragen om binnen acht weken na de dagtekening van de uitspraak opnieuw uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van de uitspraak. De Inspecteur heeft vervolgens op 15 februari 2016 de onderhavige uitspraak op bezwaar gedaan.
4.22.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de Inspecteur een dwangsom heeft verbeurd, nu de uitspraak op bezwaar van 16 maart 2015 door de Rechtbank is vernietigd en de Inspecteur dientengevolge pas op 15 februari 2016 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat met de uitspraak op bezwaar van 21 maart 2015 de Inspecteur binnen de hem in de ingebrekestelling daartoe gestelde termijn uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dat deze uitspraak op bezwaar later is vernietigd door de Rechtbank doet hier niet aan af. Het Hof acht het voorts niet aannemelijk dat, zoals belanghebbende stelt, het eventueel verbeuren van een dwangsom de doorslaggevende reden voor de Inspecteur is geweest om het horen achterwege te laten. Onder deze omstandigheden ziet het Hof geen aanleiding om die reden een dwangsom toe te kennen.
32. De rechtbank is, gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van oordeel dat de termijn van de dwangsom niet doorloopt indien de rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigt. Alleen indien de rechtbank bij de vernietiging van de uitspraak op bezwaar een uitdrukkelijke termijn stelt voor het nemen van een nieuw besluit, hoeft belanghebbende de inspecteur niet opnieuw in gebreke te stellen. Daarvan is in deze casus echter geen sprake, omdat de rechtbank in de uitspraak van 17 oktober 2024 geen uitdrukkelijke termijn heeft gesteld.
33. De dwangsombeschikking van 24 maart 2023 is dan ook naar het juiste bedrag vastgesteld. Dat de inspecteur, zoals belanghebbende stelt, het verbeuren van een dwangsom wilde voorkomen en om die reden geen hoorgesprek wenste, is de rechtbank niet gebleken.
34. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift van 10 december 2024 verzocht om een extra dwangsom voor elke dag dat de Belastingdienst na 1 januari 2025 geen uitspraak op bezwaar heeft genomen, omdat de redelijke termijn is overschreden.
35. De rechtbank is van oordeel dat voor de door belanghebbende gestelde dwangsom geen wettelijke grond bestaat. Wel zal zij het opvatten als een verzoek om immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [3] Tevens is voor de beoordeling van het verzoek van belanghebbende van belang een arrest van de Hoge Raad van 22 november 2019. [4]
36. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid [5] is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
37. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende op 10 maart 2022 ontvangen. Op 14 maart 2023 heeft de inspecteur de eerste uitspraak op bezwaar gedaan. Op 17 oktober 2024 heeft de rechtbank uitspraak gedaan, waarmee de zaak is teruggewezen naar de inspecteur. Op 10 december 2024 heeft de belanghebbende beroep ingesteld tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar en op 28 maart 2025 heeft de inspecteur opnieuw uitspraak gedaan.
38. De termijn voor de immateriële schadevergoeding eindigt met de uitspraak op bezwaar van 28 maart 2025, omdat belanghebbende heeft aangegeven geen beroep te willen instellen tegen die uitspraak op bezwaar. [6] De periode tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak op bezwaar van 28 maart 2025 is afgerond drie jaar en één maand. De redelijke termijn is dus met één jaar en één maand overschreden, totaal 13 maanden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 1.500. De eerste uitspraak op bezwaar is op 14 maart 2023 gedaan. Op dat moment waren er 12 maanden verstreken. Na terugwijzing heeft de inspecteur na (afgerond) zes maanden opnieuw uitspraak gedaan. In totaal heeft de inspecteur 18 maanden over de uitspraak op bezwaar gedaan. Dit is 12 maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van 12 maanden gedeeld door 13 maanden keer € 1.500 is € 1.385. De Staat moet de rest betalen, dus € 115. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.

Conclusie en gevolgen

39. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar en ongegrond voor zover het ziet op de dwangsombeschikking. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en de dwangsombeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt wel een immateriële schadevergoeding van € 1.500. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. [7] Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar;
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover het betrekking heeft op de dwangsombeschikking;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.385;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 115.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.
Uitgesproken op 1 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:155.
5.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
6.Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.
7.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.