Eiser, een Nederlandse ingezetene van Surinaamse afkomst, verzocht om herziening van de berekening van zijn AOW-pensioen, omdat hij meent dat het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst en een motie over mogelijke wijzigingen in de AOW als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden moeten worden beschouwd.
De rechtbank oordeelt dat het Tijdelijk besluit een losstaande regeling is die geen invloed heeft op de opbouw of het recht op AOW en dat de motie dateert van vóór het Tijdelijk besluit, waardoor deze geen nieuwe feiten of omstandigheden vormen. De SVB heeft het verzoek om herziening terecht afgewezen en dit besluit is zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.
Eiser stelde ook dat de afwijzing evident onredelijk is vanwege ongelijke behandeling ten opzichte van ouderen die altijd in Nederland hebben gewoond en ouderen van de Nederlandse Antillen. De rechtbank stelt vast dat de verschillen voortkomen uit bewuste wetgevende keuzes en dat eiser geen vergelijkbare situatie met de Antilliaanse groep heeft aangetoond.
Persoonlijke omstandigheden van eiser, zoals financiële en gezondheidsproblemen, leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de korting op het AOW-pensioen blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om herziening van de AOW-opbouw wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1264
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: mr. J.G. Starreveld).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over eisers verzoek om herziening van de berekening van het aantal verzekerde jaren in het kader van de toekenning van zijn AOW [1] -pensioen in het besluit van 24 september 2019. Eiser is het niet eens met de afwijzing van het verzoek om herziening, die de SVB in het besluit op bezwaar heeft gehandhaafd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de SVB eisers verzoek om herziening terecht heeft afgewezen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB eisers verzoek om herziening van het aantal verzekerde jaren voor de AOW terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de SVB het verzoek van eiser om herziening van het besluit van 24 september 2019, waarbij aan hem een AOW-uitkering van 92% van het volledige AOW-pensioen is toegekend, afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de SVB bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de SVB deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
3. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en is op [geboortedatum] 1953 in Suriname geboren. Hij heeft zich op 10 augustus 1974 in Nederland gevestigd. Met ingang van 3 december 2019 heeft hij recht op een ouderdomspensioen op grond van de AOW.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Op 21 augustus 2009 heeft eiser een pensioenoverzicht ontvangen, waarin is vermeld dat als eiser tot zijn 65e jaar verzekerd blijft, hij 86% zal ontvangen van het volledige AOW-pensioen. Niet gebleken is dat eiser daartegen rechtsmiddelen heeft aangewend.
4.1.
Bij pensioenoverzicht van 29 maart 2019 is aan eiser meegedeeld dat als hij verzekerd blijft, hij op zijn AOW-leeftijd een opbouw van 90% bereikt van het volledige AOW-pensioen. Tegen dit pensioenoverzicht heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 14 mei 2019 is eisers bezwaar gegrond verklaard en is bepaald dat eiser, bij ongewijzigde omstandigheden, een opbouw van 92% van het volledige AOW-pensioen bereikt.
4.2.
Bij besluit van 24 september 2019 is eiser geïnformeerd dat hij vanaf zijn AOW-leeftijd op 3 december 2019 een AOW-pensioen krijgt van 92% van het volledige AOW-pensioen.
4.3.
Bij besluit van 17 juli 2024 is aan eiser een eenmalig bedrag voor Nederlandse ouderen van Surinaamse herkomst ter hoogte van € 5.000 toegekend.
4.4.
Op 6 september 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet toekennen van de volledige AOW-uitkering. Tijdens een telefoongesprek heeft de SVB met eiser afgesproken dat het bezwaar van 6 september 2024 wordt opgevat als een verzoek om herziening van het besluit van 24 september 2019.
4.5.
Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de SVB eisers verzoek om herziening van het besluit van 24 september 2019 afgewezen, omdat eiser geen nieuwe gegevens of situaties heeft genoemd en de SVB ook geen verkeerde beslissing heeft genomen.
4.6.
Bij besluit op bezwaar van 20 februari 2025 is de SVB bij haar standpunt gebleven en heeft de SVB eisers bezwaar ongegrond verklaard.
Bestreden besluit
5. Aan het bestreden besluit heeft de SVB ten grondslag gelegd dat de door eiser in bezwaar genoemde feiten en omstandigheden geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn, die van invloed zijn op een wijziging in eisers recht op AOW.
5.1.
Eiser voert in beroep aan dat wel sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast voert eiser aan dat afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is.
5.2.
In het verweerschrift heeft de SVB het standpunt gehandhaafd. Er is geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die een herziening van het besluit van 24 september 2019 rechtvaardigen. Evenmin moet dit besluit volgens de SVB als onmiskenbaar onjuist worden gekwalificeerd. De verzekerde tijdvakken zijn juist vastgesteld.
De SVB heeft ten overvloede overwogen dat eisers beroepsgrond, dat onder het begrip Rijk, zoals dat in de AOW was opgenomen tot 1990, mede moet worden begrepen Suriname voordat dit land onafhankelijk werd, niet kan slagen. Overeenkomstig vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waarbij de SVB verwijst naar de uitspraak van 14 juli 2005 [2] , moet onder het begrip Rijk worden verstaan: het Rijk in Europa. De wetgever heeft met het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (Tijdelijk besluit) hierin geen verandering willen brengen, aldus de SVB.
6. Op een verzoek om herziening, zoals hier aan de orde, is artikel 4:6 vanPro de Awb van overeenkomstige toepassing.
6.1.
Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. [3] Daarvan kan alleen sprake zijn als het onderliggende besluit - hier het besluit van 24 september 2019 - onmiskenbaar onjuist is.
6.2.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit van - in eisers geval - 24 september 2019 zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Op de aanvrager rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. [4]
7. Eiser heeft tijdens de zitting verduidelijkt dat de implicaties van de inwerkingtreding van het Tijdelijk besluit op 1 juni 2024 als een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 vanPro de Awb moeten worden beschouwd. Met het Tijdelijk besluit is namelijk beoogd een gebaar van erkenning te creëren voor de gevoelens van onrecht van Nederlandse ouderen van Surinaamse herkomst, die voor de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland zijn verhuisd. Deze erkenning moet volgens eiser ook in de uitvoering van de AOW zijn beslag krijgen, meer in het bijzonder in de opbouw van het AOW-pensioen.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond van eiser niet slaagt. De erkenning van de gevoelens van onrecht bij Nederlandse ouderen van Surinaamse herkomst, waaraan met (de inwerkingtreding van) het Tijdelijk besluit is vormgegeven, is geen nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 vanPro de Awb. Dit, omdat uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Tijdelijk besluit [5] blijkt dat deze regeling een van de AOW losstaande regeling is en de wetgever er bewust voor heeft gekozen de (systematiek van de) AOW niet te wijzigen. Daarom kan er geen sprake van zijn dat het Tijdelijk besluit voor de toepassing van de AOW gevolgen moet hebben, anders dan die volgend uit het Tijdelijk besluit zelf. Het Tijdelijk besluit beïnvloedt de opbouw van en het recht op de AOW dus niet.
7.1.1
In de AOW als volksverzekering, is niet de Nederlandse nationaliteit, maar ingezetenschap [6] bepalend bij de vraag of iemand behoort tot de kring van verzekerden. Ingezetene in de zin van de AOW is degene, die in Nederland woont. [7] [8] Het minimaal een jaar verzekerd zijn geweest is naast het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een voorwaarde voor het recht op AOW-pensioen. [9] De hoogte van het AOW-pensioen is afhankelijk van het aantal verzekerde jaren dat is opgebouwd. [10]
Dit was in 2024 zo, toen het besluit werd genomen waarvan eiser herziening vraagt en dit is nog steeds zo. Het Tijdelijk besluit en de implicaties daarvan brengen hierin geen verandering voor de Nederlandse ouderen die, zoals eiser, geen volledige uitkering op grond van de AOW hebben opgebouwd. [11] Het Tijdelijk besluit is (ook) daarom geen nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 vanPro de Awb.
7.2
Eiser heeft verder nog gerefereerd aan recente signalen over mogelijk op handen zijnde wijzigingen in de AOW. Hij heeft daarbij gewezen op een motie over een onverplichte tegemoetkoming voor de groep van Nederlandse ouderen van Surinaamse herkomst, die voor de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland zijn verhuisd en die geen volledige uitkering op grond van de AOW hebben opgebouwd. [12]
7.2.1.
De rechtbank stelt vast dat deze motie uit oktober 2020 dateert van vóór de totstandkoming van het Tijdelijk besluit. [13] Met de inwerkingtreding van het Tijdelijk besluit op 1 juni 2024 en het gebaar van erkenning, waarmee in het Tijdelijk besluit wordt voorzien, was er ten tijde van het besluit van 24 september 2019 en ook ten tijde van het bestreden besluit geen sprake van op handen zijnde wijzigingen in de AOW. [14] Reeds om die reden [15] vormt deze motie geen nieuw feit of veranderde omstandigheid.
7.3.
Gelet op wat hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de SVB zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, waaruit zou voortvloeien dat eiser verzekerd was in de periode waarover de SVB eiser niet als verzekerd heeft aangemerkt en in verband waarmee de SVB een korting op het AOW-pensioen heeft berekend. Ook is de rechtbank van oordeel dat de voorbereiding zorgvuldig heeft plaatsgevonden, mede gelet op het telefonisch contact dat de SVB met eiser heeft gelegd, zowel in de primaire fase op 18 oktober 2024, als in bezwaar op 1 en 6 november 2024.
8. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat de afwijzing van zijn herzieningsverzoek evident onredelijk is.
8.1.
Bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is, gaat het erom of niet terugkomen van het oorspronkelijke besluit, hier het besluit van 24 september 2019, evident onredelijk is. Dit kan het geval zijn als dat besluit ten tijde van het nemen ervan onmiskenbaar onjuist was. Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. [16]
8.2.
Volgens eiser is het besluit van 24 september 2019 onmiskenbaar onjuist, omdat hij, deel uitmakend van de groep van Surinaamse ouderen die voor de onafhankelijkheid naar Nederland zijn verhuisd, ongelijk wordt behandeld ten opzichte van ouderen die altijd in Nederland hebben gewoond.
8.2.1.
De rechtbank stelt vast dat dat het verschil tussen beide groepen wordt veroorzaakt door toepassing van de regels van de AOW die terug te voeren zijn op ingezetenschap en verzekerde jaren, waardoor van gelijke gevallen die gelijk behandeld moeten worden geen sprake is. Aan dit verschil ligt een bewuste keuze van de wetgever ten grondslag voor de regels die zijn opgenomen in de AOW en die keuze is met de komst van het Tijdelijk besluit, zoals hierboven in 7.1.1. al is overwogen, niet gewijzigd. Eiser wordt behandeld, zoals iedereen uit de groep waartoe hij behoort.
8.3.
Ook beroept eiser zich in dit verband op ongelijke behandeling van de groep van Surinaamse ouderen die voor de onafhankelijkheid naar Nederland is verhuisd, waartoe hij zelf behoort, ten opzichte van de groep ouderen met een herkomst van de Nederlandse Antillen, voor welke groep volgens eiser (gunstiger) afspraken zijn gemaakt.
8.3.1.
Wat van deze afspraken verder ook zij, eiser heeft niet een Antilliaanse herkomst, zodat een beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen al om die reden niet slaagt. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat eiser ook niet heeft onderbouwd dat sprake is van dezelfde feitelijke en juridische situatie tussen eiser als Surinaamse oudere en ouderen met een herkomst van de Nederlandse Antillen. In lijn met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden hadden de (voormalige) landen binnen het Koninkrijk namelijk op zelfstandige wijze in de sociale zekerheid van hun ingezetenen voorzien. [17]
8.4
Tenslotte voert eiser aan dat afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is vanwege zijn persoonlijke omstandigheden. De afwijzing van het herzieningsverzoek en de financiële situatie die daardoor in stand gehouden wordt, hebben ernstige gevolgen voor zijn dagelijks leven, zijn bestaanszekerheid en zijn gezondheid.
8.4.1.
Hoe invoelbaar ook, deze omstandigheden leiden de rechtbank niet tot het oordeel dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Deze persoonlijke omstandigheden maken het besluit van 24 september 2019 inhoudelijk gezien niet onmiskenbaar onjuist. De rechtbank wijst erop dat, indien eiser onder het bestaansminimum uitkomt, hij bij de SVB een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) kan proberen aan te vragen.
8.5.
De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat het besluit van 24 september 2019 niet onmiskenbaar onjuist is en dat afwijzing van het verzoek om herziening daarom niet evident onredelijk is.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de korting van 8% op het volledige AOW-pensioen, zoals berekend in het besluit van 29 september 2019, niet verandert en eiser vanaf zijn AOW-leeftijd recht heeft (en blijft hebben) op 92% van het volledige AOW-pensioen. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, en mr. J.M. Hollebrandse en mr. J.W.A. Fleuren, leden, in aanwezigheid van mr. B. de Vries, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene Ouderdomswet
Artikel 2
Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.
Artikel 6
1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en
a. ingezetene is;
(…)
Artikel 7
1. Recht op ouderdomspensioen overeenkomstig de bepalingen van deze wet heeft degene, die
a. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en
b. ingevolge deze wet minimaal één kalenderjaar verzekerd is geweest in het tijdvak, aanvangende met de dag waarop de aanvangsleeftijd is bereikt en eindigende met de dag voorafgaande aan de dag waarop de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt.
(…)
Artikel 13
1. Op het bruto-ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van artikel 9 wordtPro een korting toegepast van 2%:
a. voor elk kalenderjaar, dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd is geweest;
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2330.
5.Zie bijvoorbeeld het document ‘Voorlichting Raad van State over de mogelijkheid van een gerichte tegemoetkoming aan Surinaamse Nederlanders met een onvolledige AOW-opbouw’, Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 20361, nr. 201, waarin de Raad van State concludeert dat in het stelsel van de AOW geen grondslag bestaat voor een reparatie van een AOW-gat of een tegemoetkoming daarvoor en dat ook anderszins strikt juridische redenen en mogelijkheden ontbreken om deze groep Surinaamse ouderen daarvoor tegemoet te komen. Zie ook Nota van Toelichting bij het Tijdelijk besluit, Staatsblad 2023, 386, p. 7, waarin is aangegeven dat het gebaar recht wil doen aan de gevoelens die als gevolg van de samenloop van omstandigheden leven en het gebaar nadrukkelijk niet ziet op een vorm van vereffening van het AOW-gat van Surinaamse ouderen. Zie ook p. 8 van de Nota van Toelichting, waarin is vermeld dat het kabinet met het gebaar van erkenning tot uitdrukking brengen dat zij een passend einde wenst te maken aan een discussie die al tientallen jaren op de politieke agenda staat.
6.Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW.
8.Overeenkomstig vaste jurisprudentie (genoemd in noot 3) werd ook voor 1990, toen het begrip Rijk in de AOW voorkwam, Suriname niet gezien als (voormalig) onderdeel van het Rijk.
9.Artikel 7, eerste lid, van de AOW.
10.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW.
11.Omdat de jaren dat men in Suriname woonde niet meetellen voor de AOW-opbouw.
12.Genoemd op pagina 2 van het document ‘Voorlichting Raad van State over de mogelijkheid van een gerichte tegemoetkoming aan Surinaamse Nederlanders met een onvolledige AOW-opbouw’, Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 20361, nr. 201.
13.Naar aanleiding van deze motie is de commissie ‘Onverplichte tegemoetkoming onvolledige AOW Suriname’ ingesteld, die advies heeft uitgebracht. In verband met de verkenning van de mogelijkheden naar aanleiding van dit advies, is de Raad van State verzocht voorlichting te geven. Voor deze voorlichting zie noot 5. Uiteindelijk is het kabinet mede op basis daarvan gekomen tot het gebaar van erkenning, vormgegeven in het Tijdelijk besluit.
14.Zie noot 5 en de verwijzing daarin naar pagina 8 van de Nota van Toelichting bij het Tijdelijk besluit.
15.En daargelaten of een motie als nieuw feit of veranderde omstandigheid kan worden aangemerkt, vanwege de vele onzekere factoren die daaraan kleven vanwege het ontbreken van rechtskracht.