In deze bestuursrechtelijke zaak staat de juistheid van navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen van de Belastingdienst over de jaren 1998 tot en met 2007 centraal, waarbij eiser een Zwitserse bankrekening aanhield. De rechtbank oordeelt dat eiser de rekening niet heeft aangegeven in de aangiften over 1998, 1999 en 2000 en dat hij de aangiften voor 1999 en 2000 niet heeft ingediend. Verweerder heeft de navorderingsaanslagen en boetes opgelegd op grond van onjuiste of ontbrekende aangiften.
De rechtbank stelt vast dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser te kwader trouw was door het niet opgeven van de buitenlandse bankrekening en de inkomsten daaruit. De schattingen van verweerder over het saldo en de inkomsten worden niet betwist en geacht redelijk. De rechtbank oordeelt echter dat de forfaitaire correcties op basis van artikel 29a Wet IB 1964 niet van toepassing zijn omdat eiser als inwoner van Nederland moet worden beschouwd en de Zwitserse bankrekening niet valt onder een niet in Nederland gevestigde vennootschap.
De navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2007 worden vernietigd, terwijl de aanslagen over 1998 tot en met 2000 worden verminderd. De beroepen tegen de navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1999 en 2000 worden ongegrond verklaard. Tevens worden de boetebeschikkingen verminderd en de heffingsrente aangepast. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser en gelast vergoeding van het griffierecht.